Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:3910

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-06-2015
Datum publicatie
04-06-2015
Zaaknummer
200.151.210
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering van een vennootschap tot opheffing executoriaal beslag op auto die in gebruik is bij de (indirect) bestuurder.

Bij de beoordeling van de vordering tot opheffing van het beslag gaat het erom of, voorshands, voldoende aannemelijk is dat de auto waarop beslag is gelegd aan een ander dan de geëxecuteerde toebehoort en of eiseres daarop een recht geldend kan maken dat de executant moet eerbiedigen.

Aan de strekking van art. 438 lid 5 (dagvaarding executant én geëxecuteerde) is voldaan indien de geëxecuteerde de (indirect) bestuurder is van eiseres en deze bestuurder namens eiseres optreedt.

Gefailleerde moedervennootschap die bestuurder is van een dochtervennootschap blijft bevoegd om het bestuur van de dochter uit te oefenen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 438
Faillissementswet
Faillissementswet 20
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 239
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/990
RBP 2015/66
JOR 2016/71
OR-Updates.nl 2015-0226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.151.210

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem 263579)

arrest in kort geding van de tweede kamer van 2 juni 2015

inzake

[appellant] ,

wonende te [plaatsnaam],

appellant,

advocaat: mr. J. van Haar,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Arwo Handelsonderneming B.V.,

gevestigd te Driel, gemeente Overbetuwe,

geïntimeerde,

advocaat: geen (voorheen: mr. B.J. Schadd).

Partijen zullen hierna [appellant] en Arwo genoemd worden.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het tussen Arwo als eiseres en [appellant] als gedaagde in kort geding gewezen vonnis van 2 juni 2014 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep d.d. 20 juni 2014 tevens inhoudende memorie van grieven, met producties;

  • -

    de conclusie van eis;

  • -

    de memorie van antwoord, met producties;

  • -

    de akte zijdens [appellant];

  • -

    de antwoordakte zijdens Arwo.

2.2

[appellant] heeft pleidooi gevraagd en stukken overgelegd. Op de roldatum 19 februari 2015 heeft mr. Schadd zich als advocaat van Arwo onttrokken. Voor Arwo heeft zich vervolgens geen andere procesvertegenwoordiger gesteld. Daarop heeft [appellant] afgezien van het recht op pleidooi en arrest gevraagd. Daarbij heeft [appellant] verzocht de stukken die voor het pleidooi waren ingezonden, als processtukken te beschouwen. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Bij vonnis van 29 mei 2013 van de rechtbank Gelderland is [persoon 1] (hierna: [persoon 1]) op vordering van [appellant] veroordeeld om aan [appellant] een bedrag van € 45.000,-, vermeerderd met rente, te betalen. Ook is [persoon 1] veroordeeld in de beslag- en proceskosten. Bij arrest van dit hof van 13 mei 2014 is voornoemd vonnis van de rechtbank vernietigd en is [persoon 1] in de plaats daarvan veroordeeld tot betaling aan [appellant] van een minimumbedrag van € 250,- per maand tot een maximum van in totaal € 15.000,-, te vermeerderen met rente, met veroordeling van [persoon 1] in de proceskosten.

3.2

Op 4 december 2013 is op verzoek van [appellant] ten laste van [persoon 1] executoriaal verhaalsbeslag gelegd op een personenauto BMW X6, met kenteken [kenteken] (hierna: de auto).

3.3

Een factuur van BMW-specialist Rap d.d. 1 juni 2011 aan Arwo luidt – voor zover thans relevant – als volgt:
Aan u geleverd:
Kenteken: [kenteken]

Merk/Type: BMW X6 (…)”

3.4

Een financiële lease-overeenkomst d.d. 8 juni 2011 tussen BMW-specialist Rap, Arwo en Daimler Financial Services Nederland B.V. (hierna: Daimler) met betrekking tot de auto luidt – voor zover thans relevant – als volgt:
“1. BMW Specialist Rap (…), hierna te noemen “de Dealer”,

2. Arwo (…), hierna te noemen “de Cliënt”,

3. Daimler Fleet Management (…), hierna te noemen “FS”

komen als volgt overeen:

1. FS stelt de Cliënt het (…) voertuig ter beschikking doordat de Dealer het voertuig aan de Cliënt aflevert. (…)

(…)

4. De Cliënt verkrijgt de eigendom van het in artikel 7 omschreven voertuig nadat de slottermijn door FS is ontvangen en de Cliënt aan al zijn verplichtingen (…) heeft voldaan.

(…)

6. De Cliënt heeft tegelijk bij of voorafgaande aan de aflevering namens FS een aanbetaling van € 54200,01 aan de Dealer voldaan. De Dealer verklaart door ondertekening van deze overeenkomst dit bedrag te hebben ontvangen en de eigendom van het voertuig hierbij over te dragen aan FS.”

3.5

[persoon 1] is bestuurder van [de vennootschap] en [de vennootschap] is bestuurder en enig aandeelhouder van Arwo. [de vennootschap] is in staat van faillissement verklaard.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Het onderhavige geschil betreft een vordering van Arwo tot opheffing van het door [appellant] ten laste van [persoon 1] gelegde executoriaal beslag op de auto. Het betreft de executie van het tussen [appellant] als eiser en [persoon 1] als gedaagde gewezen vonnis van 29 mei 2013. Arwo verzet zich daarmee als derde tegen de executie door [appellant] van een tegen [persoon 1] gewezen vonnis. Dit betekent dat Arwo op grond van artikel 438 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zowel de executant ([appellant]) als de geëxecuteerde ([persoon 1]) had moeten dagvaarden. [persoon 1] is niet door Arwo gedagvaard. Het hof zal daaraan evenwel geen gevolgen verbinden. [persoon 1] is de indirect bestuurder van Arwo. Arwo is in de procedure vertegenwoordigd door [persoon 1] en [persoon 1] is in persoon ter zitting van de voorzieningenrechter verschenen. Daaruit blijkt voldoende dat [persoon 1] zich achter de vordering van Arwo heeft geschaard. Daarmee is aan de strekking van artikel 438 lid 5 Rv voldaan. Geen van partijen is hierdoor in haar belangen geschaad.

4.2

De voorzieningenrechter heeft de vordering van Arwo tot opheffing van het beslag toegewezen. Daartoe heeft de voorzieningenrechter overwogen dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de auto in eigendom toebehoort aan [persoon 1] in privé en dat kan worden aangenomen dat Arwo op korte termijn de eigendom zal verkrijgen van de auto. Tegen deze beslissingen en daaraan ten grondslag liggende overwegingen heeft [appellant] zes grieven gericht.

4.3

Uit de stellingen in hoger beroep volgt dat de auto na de opheffing van het beslag door de voorzieningenrechter door Arwo aan een derde is verkocht. Indien de auto inmiddels ook aan de koper is geleverd, ontbeert [appellant] bij zijn hoger beroep in zoverre een belang dat, ook indien het vonnis van de voorzieningenrechter zou worden vernietigd, wijzigingen in de rechtstoestand van het beslagen goed in de periode tussen de opheffing en de vernietiging moeten worden geëerbiedigd; de koper kan de verkregen eigendom van de auto dan aan [appellant] tegenwerpen (HR 23 februari 1996, NJ 1996, 434). [appellant] heeft evenwel gesteld nog belang te hebben bij zijn hoger beroep, onder meer wegens de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling. Het hof zal in verband daarmee onderzoeken of de vordering door de voorzieningenrechter terecht is toegewezen.

4.4

Met grief 1 richt [appellant] zich tegen de door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten. Voor zover [appellant] zich daarbij op het standpunt heeft gesteld dat de voorzieningenrechter heeft nagelaten een aantal belangrijke feiten op te nemen, miskent [appellant] dat de rechter niet alle vaststaande feiten dient te vermelden, maar dat alleen de enerzijds gestelde en anderzijds niet of niet voldoende gemotiveerd betwiste feiten die relevant blijken te zijn voor de te nemen beslissingen behoeven te worden vermeld. Nu het hof zelfstandig de feiten heeft vastgesteld, behoeft de grief verder geen bespreking meer.

4.5

De tweede grief richt zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat sprake is van spoedeisendheid. Deze grief faalt. Een vordering strekkende tot het voorkomen van de uitvoering van een executoriaal beslag is naar zijn aard voldoende spoedeisend om behandeling en beslissing in kort geding te kunnen rechtvaardigen. Dat Arwo niet eerder maatregelen heeft getroffen, doet er niet aan af dat de vordering, zeker zolang niet daadwerkelijk tot verkoop van de auto was overgegaan, nog altijd een spoedeisend karakter kende.

4.6

Ook de derde grief, inhoudende dat de voorzieningenrechter Arwo wegens het faillissement van haar moedermaatschappij en bestuurder [de vennootschap] niet-ontvankelijk had moeten verklaren, slaagt niet. Een gefailleerde moedervennootschap die bestuurder is van een dochtervennootschap, blijft het bestuur van de dochter uitoefenen. De moedervennootschap wordt daarbij vertegenwoordigd door het bevoegde orgaan. [de vennootschap] is door haar faillissement weliswaar de beschikking en het beheer over haar tot het faillissement behorend vermogen verloren, maar haar handelingsbevoegdheid en haar vertegenwoordigingsbevoegdheid of dat van haar bestuur zijn daardoor niet teloor gegaan. Anders dan [appellant] veronderstelt, staat de omstandigheid dat [de vennootschap] in staat van faillissement verkeert er dus niet aan in de weg dat [persoon 1] Holding als bestuurder van Arwo, middels haar bestuurder [persoon 1], in deze procedure als vertegenwoordiger van Arwo optreedt. Toestemming van de curator of de rechter-commissaris is daartoe niet vereist.

4.7

Het verweer van [appellant], dat hij met zijn vierde grief heeft herhaald, dat de dagvaarding onduidelijk zou zijn, heeft de voorzieningenrechter terecht verworpen. De dagvaarding was voor [appellant] voldoende duidelijk om zich daartegen te kunnen verweren. Dat de dagvaarding mogelijk onjuistheden bevat of de feiten onvolledig weergeeft, staat op zichzelf niet aan een beoordeling in kort geding van het geschil tussen partijen in de weg. Niet is gebleken dat [appellant] daardoor in zijn mogelijkheden tot het voeren van verweer is beperkt.

4.8

De grieven 5 en 6 richten zich tegen de inhoudelijke overwegingen van de voorzieningenrechter die tot de conclusie hebben geleid dat het beslag opgeheven dient te worden. Daarover overweegt het hof als volgt.

4.9

Bij de beoordeling van de vordering van Arwo tot opheffing van het beslag gaat het in het kader van dit kort geding erom of, voorshands, voldoende aannemelijk is dat de auto waarop door [appellant] beslag is gelegd aan een ander dan de geëxecuteerde ([persoon 1]) toebehoort en of Arwo daarop een recht geldend kan maken dat [appellant] moet eerbiedigen.

4.10

Dat [persoon 1] niet de eigenaar van de auto is, staat tussen partijen wel vast. Ook [appellant] gaat er vanuit dat hetzij de leasemaatschappij (pleitnota in eerste aanleg en de memorie van grieven onder grief 2 en 4) hetzij - inmiddels - Arwo of een derde-koper (akte in hoger beroep) eigenaar is van de auto, en dus niet [persoon 1] zelf. Met de niet althans onvoldoende gemotiveerd betwiste inhoud van de door Arwo in geding gebrachte factuur van BMW-specialist Rap en de financiële leaseovereenkomst heeft Arwo voldoende aannemelijk gemaakt dat de auto eigendom was van Daimler. Ook uit de door [appellant] zelf overgelegde stukken volgt dat het overschrijvingsbewijs van de auto in bezit was van Daimler. Voor zover [appellant] heeft gesuggereerd dat de auto niettemin van [persoon 1] zelf was, mist deze suggestie grond. De omstandigheid dat [persoon 1] de auto feitelijk gebruikte, in correspondentie over “mijn auto” spreekt en uit eigen middelen op de auto zou hebben aanbetaald, is daartoe onvoldoende. Ook overigens is daartoe, tegenover de gemotiveerde stellingen van Arwo, door [appellant] onvoldoende aangevoerd. Voor nader feitenonderzoek is in het kader van dit kort geding geen plaats.

4.11

Tegen de vaststelling door de voorzieningenrechter dat de auto bij RDW op naam van Arwo is gesteld, is geen grief gericht zodat ook het hof daarvan uitgaat. Voorts is uit voornoemde stukken voldoende aannemelijk geworden dat Arwo met betrekking tot de auto een gebruiksrecht had en dat Arwo, na voldoening aan de uit de leaseovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, de eigendom van de auto verkreeg.

4.12

Hieruit volgt dat voldoende aannemelijk is geworden dat [persoon 1] ten tijde van de beslaglegging geen eigenaar was van de auto en dat Arwo op de auto rechten kon doen gelden. De vordering tot opheffing van het beslag is dan ook terecht toegewezen. Ook de grieven 5 en 6 missen doel.

4.13

De door [appellant] ten behoeve van het pleidooi in hoger beroep toegezonden producties zijn, nu partijen van pleidooi hebben afgezien en de producties niet bij akte ter rolle in het geding zijn gebracht, niet op de juiste wijze in de procedure gebracht, zodat zij geen onderdeel uitmaken van de processtukken. Voor zover dat anders zou zijn, en die stukken wel als processtukken zouden kunnen worden aangemerkt, geven de producties zonder nadere toelichting – die ontbreekt – geen aanleiding tot andere conclusies.

4.14

De slotsom is dat het hoger beroep faalt. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Arwo zullen worden vastgesteld op:
- griffierecht € 704,-
- salaris advocaat € 1.341,- (1,5 punten x tarief II).
Ook de gevorderde nakosten zullen worden toegewezen zoals hierna vermeld.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in kort geding in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van 2 juni 2014 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Arwo vastgesteld op € 704,- voor griffierechten en op € 1.341,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 131,--, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,-- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.J.P. Lock, M.B. Beekhoven van den Boezem en D. Stoutjesdijk en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2015.