Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:3908

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-06-2015
Datum publicatie
17-07-2015
Zaaknummer
200.150.946
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet wegens onder andere verduistering van € 150,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1380
AR-Updates.nl 2015-0652
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.150.946

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, afdeling civiel recht, kantonrechter, locatie Utrecht 2836349)

arrest in kort geding van de derde civiele kamer van 2 juni 2015

inzake

1. de vennootschap onder firma [appellant sub 1] (voorheen genaamd [bedrijfsnaam] ),
gevestigd te Amersfoort,
en haar vennoten:
2. [appellant sub 2],
wonende te [plaatsnaam] ,
3. [appellant sub 3],
wonende te [plaatsnaam] ,
4. [appellant sub 4],
wonende te [plaatsnaam] ,

appellanten,
advocaat: mr. S. Karakaya-Pilavci,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. G.A. Speelman.

Appellanten zullen hierna gezamenlijk in enkelvoud [appellant sub 1] worden genoemd.
Met [appellant sub 1] wordt tevens [bedrijfsnaam] bedoeld. Geïntimeerde zal hierna [geïntimeerde] worden genoemd.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van
11 april 2014 dat de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, afdeling civiel recht, kantonrechter, locatie Utrecht) tussen [appellant sub 1] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en [geïntimeerde] als eiser in conventie, verweerder in reconventie in kort geding heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 9 mei 2014,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

[geïntimeerde] , geboren op [geboortedatum] , is op 3 oktober 2013 in dienst getreden van [appellant sub 1] op basis van een contract voor een halfjaar in de functie van magazijnmedewerker/meubelbezorger/algemeen medewerker. Zijn laatstgenoten salaris bedroeg € 1.500,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.

3.2

In artikel 19 van de arbeidsovereenkomst (productie 1 inleidende dagvaarding) is onder meer het volgende vermeld:

Art 19 Extra Bepalingen
(…)
- Per dag mag maximaal één en dezelfde bezorger geld ontvangen van de klanten. Deze bezorger is verantwoordelijk voor het geld.
- Van de bezorgers wordt geacht dat zij zelf bijhouden wie die dag geldontvanger is geweest. Bij onduidelijkheid wordt de verantwoordelijkheid van die dag over beide verdeeld.
- Van de verantwoordelijke geldontvanger wordt geacht dat zij het geld na controle ten alle tijden in de ter beschikking gestelde nektas dragen tot dat het geldt wordt afgegeven aan het einde van de dag bij het hoofdkantoor.

- De nektas dient ten alle tijde om de nek te gedragen worden. Ook tijdens het verplaatsen en

monteren van meubels.

(...)”
[appellant sub 1] heeft aan [geïntimeerde] niet de in artikel 19 van de arbeidsovereenkomst bedoelde nektas ter beschikking gesteld.

3.3

Op maandag 20 januari 2014 moest [geïntimeerde] een meubel afleveren bij een klant ( [de klant] , hierna: [de klant] ) in Amersfoort. Dit deed hij samen met de bijrijder [de bijrijder] (hierna: [de bijrijder] ). De klant moest nog een restantbedrag van
€ 150,- betalen. [geïntimeerde] heeft de klant gebeld dat het niet mogelijk was om per pin te betalen en dat het bedrag contant afgerekend moest worden.

3.4

Wemsen heeft het bedrag van € 150,- contant ontvangen van [de klant] en onder het matje boven het dashboardkastje van de bestelbus gelegd. Op de orderbon en het dagoverzicht heeft [geïntimeerde] geen melding gemaakt van de ontvangen betaling van € 150,-. Dit is er later door mevrouw [de werknemer] (hierna: [de werknemer] ), die destijds bij [appellant sub 1] werkzaam was op de afdeling planning, op geschreven.

3.5

De volgende dag (21 januari 2014) heeft [appellant sub 1] [geïntimeerde] uitgenodigd voor een gesprek waarin over deze contante betaling is gesproken. [geïntimeerde] heeft aanvankelijk aangegeven dat hij het bedrag van € 150,- had afgegeven aan [de werknemer] .

3.6

[appellant sub 1] heeft [geïntimeerde] vervolgens op staande voet ontslagen. Dit ontslag is schriftelijk bevestigd bij brief van 21 januari 2014 (productie 3 inleidende dagvaarding). In de brief staat onder meer het volgende vermeld:

“Met deze brief bevestig ik dat u met onmiddellijke ingang op staande voet ontslagen bent. De reden hiervoor is als volgt:

1. Geldbedrag wat door de klant aan u is voldaan in eigen bezit gehouden;

2. U heeft pinbonnen verduisterd;

3. Bedragen doorgekrast/onleesbaar gemaakt;

4. Bedragen op orderbonnen zonder enige toestemming gewijzigd.

Deze omstandigheden vormen een dringende reden voor ontslag op staande voet en uw contract met onmiddellijke ingang te beëindigen.

Ontslag op staande voet maakt u schadeplichtig. Derhalve behoud ik mij het recht voor om eventuele schade door de omstandigheden die leidden tot dit ontslag op u te verhalen en/of deze schade te verrekenen met de eindafrekening van uw arbeidsovereenkomst. (...)”

[appellant sub 1] heeft een eindafrekening opgesteld en het loon tot en met 20 januari 2014 aan [geïntimeerde] betaald.

3.7

[geïntimeerde] heeft bij brief van 24 januari 2014 (productie 4 inleidende dagvaarding) geprotesteerd tegen het ontslag op staande voet, een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de opzegging wegens het ontbreken van een ontslagvergunning en zich beschikbaar gehouden voor het verrichten van arbeid en aanspraak gemaakt op doorbetaling van loon.
In deze brief is voorts het volgende vermeld:
“Ik ontken dat ik geld verduisterd heb, zoals u verder in de brief zult lezen.
(…)

Afgelopen maandag was een hectische dag omdat de klant niet kon pinnen en ik tegelijkertijd aansluitend met [de werknemer] en [collega 1] heb gebeld over de aflevering van een koelkast. Het door de klant betaalde bedrag is daardoor in de bus blijven liggen. Toen u mij dinsdag 21 januari 2014 aansprak op de betaling heb ik aangegeven dat het bedrag door mij aan [de werknemer] was gegeven, maar het bleek dat zij het niet had ontvangen. Toen heb ik aangegeven dat het dan nog in de auto moest liggen en heb ik aangeboden samen te gaan kijken. Hier stond u niet voor open. Toen ik het kantoor uitliep heb ik direct twee collega’s ( [collega 2] en [collega 1] ) gevraagd in de auto te kijken waar zij het volledige bedrag aantroffen. Deze collega’s kunnen dit beamen. Het is inderdaad slordig dat het bedrag in de auto is blijven liggen maar er is geen sprake van verduistering of diefstal omdat ik nooit de bedoeling heb gehad mij dit bedrag toe te eigenen. Alleen de slordigheid dat het bedrag één dag in de bedrijfsauto is blijven liggen rechtvaardigt geen ontslag op staande voet en ik betreur dat u afgelopen dinsdag niet eens de moeite heeft genomen samen in de bedrijfsauto te kijken.

Voor wat betreft de andere punten in uw brief d.d. 21 januari 2014, wil ik graag even kort reageren.

Ik heb geen pinbonnen verduisterd, dat heeft geen zin, want de bedragen die gepind worden komen rechtstreeks op uw bankrekening binnen, dus kan ik niets met pinbonnen. Dus deze beschuldiging is niet terecht en zou ook niet leiden tot schade aan uw bedrijf.

De punten 3 en 4 met betrekking tot krassen op de bonnen en het wijzigen van gegevens zonder toestemming, wordt door mij niet gedaan. Ik krijg soms bonnen mee waarop al gekrast is, niet door mij, maar waarschijnlijk is dat op kantoor gebeurt. Ik wijzig nooit zonder toestemming de bonnen.

Omdat het ontslag geen stand kan houden loopt onze arbeidsovereenkomst door. Ik heb altijd met plezier gewerkt en wil nog steeds mij voor de volle 100% inzetten voor uw bedrijf.
(…)”

3.8

In een brief van 30 januari 2014 van de gemachtigde van [appellant sub 1] aan [geïntimeerde] (productie 5 inleidende dagvaarding) is onder andere het volgende vermeld:
“(…) Cliënte blijft bij haar standpunt, namelijk dat u de contante betaling ad € 150,- van de klant bewust niet heeft gemeld bij haar en dit geldbedrag heeft verduisterd.
(…)”

3.9

De gemachtigde van [geïntimeerde] heeft bij brief van 3 februari 2014 (productie

6 inleidende dagvaarding) namens [geïntimeerde] nogmaals geprotesteerd tegen het ontslag op staande voet en een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de opzegging wegens het ontbreken van een ontslagvergunning. Tevens is de bereidverklaring van [geïntimeerde] om de bedongen arbeid te verrichten, herhaald en is aanspraak gemaakt op doorbetaling van loon.

3.10

In een schriftelijke verklaring van 6 februari 2014 van [de werknemer] (productie 4 conclusie van eis in reconventie tevens akte overlegging stukken) is onder andere het volgende vermeld:
“Hierbij verklaar ik (…) dat op 20-1-14 [geïntimeerde] na het bezorgen naar mij toekwam met de bonnen en de betalingslijst van die dag. Daarop stond niet geschreven dat hij bij klant [de klant] € 150,- had afgerekend. Ik heb op 21-1-14 nadat het geld terecht was op de bon geschreven dat op 20-1-2014 klant [de klant] € 150,- heeft afgerekend.
(…)”

3.11

In een schriftelijke verklaring van 6 februari 2014 van [de bijrijder] (productie
6 conclusie van eis in reconventie tevens akte overlegging stukken) is onder andere het volgende vermeld:
“Hierbij verklaar ik (…) dat op 20-1-14 ik met [geïntimeerde] ben gaan bezorgen. Het laatste adres was (…). Wij hebben de goederen daar samen afgeleverd. Na de aflevering ben ik in de auto gaan wachten op hem. Ik was niet op de hoogte dat hij daar € 150,- moest afrekenen en had afgerekend. Ik heb ook niet gezien dat hij dit geld in de dashboard heeft gestopt.
Hij heeft ook niet aan mij verteld dat hij daar € 150,- heeft afgerekend.
(…)”

3.12

In een schriftelijke verklaring van 5 mei 2014 van [de klant] (productie 1 memorie van grieven) is het volgende vermeld:

“Op 20.01.2014 werd de salontafel na geleverd en er was afgesproken om dan nog €150 te betalen.

Ongeveer om 10 uur belde ze om te vragen of we contant konden betalen omdat het pin apparaat leeg was en het niet deed. Ik ben naar de bank gegaan om geld te pinnen en om ongeveer 11 uur kwamen ze aan. Ze hebben de tafel in elkaar gezet, ik heb €150 betaald en ze zijn weggegaan.”

In een schriftelijke verklaring van [de dochter] is onder andere het volgende vermeld:
“Aanvullend op het bovenstaande gedeelte van mijn moeder (…), verklaar ik dat beide bezorgers aanwezig waren bij de afhandeling van het resterende bedrag.”

3.13

In een schriftelijke verklaring van 1 mei 2014 van [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ), productie 3 memorie van grieven, is onder andere het volgende vermeld:
“Hierbij verklaar ik (…) dat ik op 20-01-2014 mijn bestelling heb ontvangen van de bezorgers van [appellant sub 1] .

Ik ben rond 10:00 uur gebeld dat de bezorgers onderweg zijn en dat er nog een bedrag open staat van € 270,- en dit gepind kan worden bij aflevering. Circa 30 – 40 minuten later kwamen twee bezorgers van [appellant sub 1] bij mijn huis aan. Ze brachten mijn bestelling naar binnen en vervolgens heb ik bij een mobiele pinapparaat het resterende bedrag van € 270,- gepind. Er waren geen problemen tijdens het pinnen. Dit lukte in één keer en ging ook vrij snel. Hier heb ik ook een bonnetje van ontvangen.

Er is mij niets verteld over dat de pinautomaat eventueel niet zou kunnen werken of dat ik om een reden contant zou moeten betalen.”

3.14

[geïntimeerde] is in de periode van 21 januari 2014 tot en met 3 april 2014 een week gedetineerd geweest. Hij heeft na zijn ontslag enige arbeid elders verricht.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in conventie - voor zover in hoger beroep van belang - gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
[appellant sub 1] hoofdelijk, des dat de een betalende de anderen zullen zijn bevrijd, zal veroordelen tot doorbetaling van het reguliere salaris aan [geïntimeerde] te rekenen vanaf

21 januari 2014 tot en met 3 april 2014, vermeerderd met zowel de wettelijke verhoging en de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, met veroordeling van [appellant sub 1] in de kosten van het geding en in de nakosten.

4.2

[appellant sub 1] heeft in reconventie gevorderd dat de kantonrechter

bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van € 1.500,-, alsmede tot betaling van de kosten van de procedure.

4.3

De kantonrechter heeft - voor zover in hoger beroep van belang - in het bestreden vonnis, dat niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard:

in conventie:
- [appellant sub 1] veroordeeld om aan [geïntimeerde] tegen bewijs van kwijting te betalen het

bedrag van € 1.500,- bruto per maand inclusief alle emolumenten vanaf 21 januari 2014 tot

en met 3 april 2014, waarop in mindering strekt het bruto salaris over een week, te

vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW die wordt gematigd tot 10 %,

het totaalbedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data van respectievelijke

opeisbaarheid van de betreffende bedragen tot de dag der voldoening;
- [appellant sub 1] veroordeeld in de proceskosten.
In reconventie:
- de vorderingen van [appellant sub 1] afgewezen;
- [appellant sub 1] veroordeeld in de proceskosten.

4.4

Deze procedure ziet op het treffen van voorlopige voorzieningen. Het betreft een vordering in kort geding tot betaling van loon. In eerste aanleg was tussen partijen - naar het oordeel van het hof terecht - niet in geschil dat [geïntimeerde] een spoedeisend belang had bij de door hem gevorderde en door de kantonrechter toegewezen voorlopige voorzieningen. In hoger beroep behoeft niet meer te worden beoordeeld of [geïntimeerde] ten tijde van het wijzen van het arrest een spoedeisend belang heeft bij de door hem gevorderde voorlopige voorzieningen, aangezien het dienstverband tussen partijen op 3 april 2014 van rechtswege is geëindigd en de door de kantonrechter toegewezen voorzieningen tot die datum zijn beperkt.

4.5

Het voorgaande brengt mee dat het hof dient te beoordelen of de kantonrechter de door [geïntimeerde] gevorderde voorlopige voorzieningen terecht heeft toegewezen. Daarbij gaat het om de vraag of aannemelijk is dat het door [appellant sub 1] aan [geïntimeerde] verleende ontslag op staande voet in een bodemprocedure stand zal houden. Daarvoor is vereist dat voldoende aannemelijk is dat sprake is van een dringende, onverwijld aan [geïntimeerde] medegedeelde reden als bedoeld in de artikelen 7:677 en 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De bewijslast ter zake rust op [appellant sub 1] .

4.6

Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen in de zin van
lid 1 van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tengevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Op grond van artikel 7:678 lid 2
onder d BW zal een dringende reden onder andere aanwezig kunnen worden geacht wanneer de werknemer zich schuldig maakt aan verduistering, waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt. Bij de beoordeling van de vraag óf van zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren ook in de beschouwing te worden betrokken de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.

4.7

Volgens vaste jurisprudentie fixeert de opgegeven dringende reden de ontslaggrond en bepaalt deze de rechtsstrijd (niet alleen met betrekking tot de feiten, maar ook met betrekking tot de handelwijze van de werknemer). Dit betekent dat het hof dient uit te gaan van de in de brief van 21 januari 2014 aangevoerde redenen voor het ontslag te weten:
1. [geïntimeerde] heeft een geldbedrag dat door een klant aan hem is voldaan in eigen bezit gehouden. Concreet gaat het hierbij om het bedrag van € 150,- dat [geïntimeerde] op 20 januari 2014 contant van [de klant] heeft ontvangen.

2. [geïntimeerde] heeft pinbonnen verduisterd. Het gaat hierbij om een pinbon waarmee op
9 januari 2014 een (deel) betaling van € 2.200,- door [de klant] is gepind.

3. [geïntimeerde] heeft bedragen doorgekrast/onleesbaar gemaakt.

4. [geïntimeerde] heeft bedragen op orderbonnen zonder enige toestemming gewijzigd.

4.8

De voorzieningenrechter heeft in rechtsoverweging 3.9 van het bestreden vonnis met betrekking tot de tweede, de derde en de vierde ontslagreden in de brief van 21 januari 2014 - kort gezegd - geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [geïntimeerde] een pinbon heeft verwijderd en dat hij bedragen heeft aangepast en doorgekrast, nu [geïntimeerde] dat gemotiveerd heeft betwist. Voor zover [appellant sub 1] met (de slotzin onder punt 27 van haar toelichting op) grief III beoogt op te komen tegen dit oordeel, faalt deze grief. Tegenover de gemotiveerde betwisting - ook in hoger beroep - door [geïntimeerde] dat hij de bedoelde handelingen heeft gepleegd, heeft [appellant sub 1] in hoger beroep slechts haar stellingen herhaald. Zij heeft geen, althans onvoldoende (concrete) feiten of omstandigheden aangevoerd die de voorlopige conclusie kunnen rechtvaardigen dat [geïntimeerde] zich aan deze gedragingen heeft schuldig gemaakt.

4.9

Met betrekking tot de in rechtsoverweging 4.7 onder 1 vermelde ontslaggrond wordt voorop gesteld dat [appellant sub 1] deze aan [geïntimeerde] verweten gedraging als verduistering heeft gekwalificeerd.

4.10

Vast staat dat [geïntimeerde] de contante betaling door de klant [de klant] van het bedrag van
€ 150,- op 20 januari 2014 niet op het dagoverzicht heeft vermeld en evenmin op de orderbon. Deze handelwijze die - tenminste - als een administratieve slordigheid kan worden gekwalificeerd is niet aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd.

4.11

Eveneens staat vast dat [geïntimeerde] tijdens het gesprek op 21 januari 2014 aanvankelijk heeft gezegd dat hij het bedrag van € 150,- (het hof begrijpt) op 20 januari 2014 aan [de werknemer] heeft afgegeven. Volgens [geïntimeerde] heeft hij vervolgens in het gesprek op 21 januari 2014, toen bleek dat dat niet het geval was, aangegeven dat het geld dan nog in de bus moest liggen. Collega’s van [geïntimeerde] ( [collega 2] en [collega 1] ) hebben op 21 januari 2014 geconstateerd dat dit het geval was. Dit heeft de kantonrechter in rechtsoverweging 1.5 van het bestreden vonnis als vaststaand feit vastgesteld en tegen deze vaststelling is grief I van [appellant sub 1] gericht. Anders dan [appellant sub 1] heeft aangevoerd, is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] voldoende gemotiveerd en onderbouwd heeft gesteld dat het geld op 21 januari 2014 nog in de auto lag en dat de collega’s [collega 2] en [collega 1] dit op 21 januari 2014 hebben geconstateerd. Het hof acht daarentegen de betwisting door [appellant sub 1] in hoger beroep van deze stelling niet, althans onvoldoende gemotiveerd, aangezien [appellant sub 1] niet (onderbouwd) heeft aangegeven waar het bedrag van € 150,- op 21 januari 2014 wel is aangetroffen. [appellant sub 1] heeft in dit verband haar pijlen gericht op de collega’s van [geïntimeerde] , maar zij heeft haar eigen rol voor zover het de plaats betrof waar het geld op 21 januari 2014 lag, onderbelicht gelaten (zie ook de brief van [geïntimeerde] van 24 januari 2014 waarin hij aangeeft het te betreuren dat [appellant sub 1] niet de moeite heeft genomen om zelf in de auto te gaan kijken). Feit is dat genoemd bedrag op 21 januari 2014, nadat dit terecht was (zie de in rechtsoverweging 3.10 vermelde verklaring van [de werknemer] ) administratief is verantwoord. Grief I faalt.

4.12

Het voorgaande brengt mee dat voorlopig oordelend het hof ervan uit dient te gaan dat het bedrag van € 150,- op 21 januari 2014 in de auto van [appellant sub 1] is aangetroffen, hetgeen onvoldoende is om te kunnen concluderen dat [geïntimeerde] het bedrag in eigen bezit heeft gehouden, dat wil zeggen heeft verduisterd. Het hof is het eens met hetgeen de kantonrechter in rechtsoverweging 3.6 van het bestreden vonnis heeft overwogen en neemt dit oordeel over. Het hof betrekt hierbij hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.8 is beslist ten aanzien van de tweede, de derde en de vierde ontslagreden. De hier bedoelde aan [geïntimeerde] verweten gedragingen zijn vooralsnog niet komen vast te staan en kunnen dan ook niet bijdragen aan de door [appellant sub 1] gestelde en door [geïntimeerde] betwiste bedoeling om het bedrag van € 150,- in eigen zak te steken. Grief II faalt.

4.13

Dat [geïntimeerde] , zoals [appellant sub 1] heeft gesteld en [geïntimeerde] gemotiveerd heeft betwist, onjuiste informatie heeft verstrekt met betrekking tot de reden van de contante betaling door [de klant] op 20 januari 2014 (pinnen was niet mogelijk, omdat de pinbonnen op waren en/of het apparaat was vastgelopen) - hiervoor zijn aanknopingspunten te vinden in de verklaringen van [de klant] , [de dochter] en [persoon 1] -, leidt vooralsnog niet tot een ander oordeel. Allereerst geldt dat deze omstandigheid niet als (zelfstandige) reden aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd. Voorts is het hof voorlopig van oordeel dat op grond van deze omstandigheid alleen niet kan worden aangenomen dat [geïntimeerde] al op dat moment de bedoeling had het geld voor zichzelf te behouden. Doorslaggevend is dat vooralsnog niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] het desbetreffende bedrag zich heeft toegeëigend, zodat van verduistering geen sprake is. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.12 is overwogen. Grief III faalt voor het overige.

4.14

[appellant sub 1] heeft zich erop beroepen dat [geïntimeerde] eerder schriftelijk (op 9 december 2013) is gewaarschuwd dat hij werkinstructies niet opvolgde. [geïntimeerde] heeft dit gemotiveerd betwist en heeft er voorts op gewezen dat het hier een standaard brief betrof die aan iedere werknemer bij indiensttreding ter tekening werd voorgelegd. Dit betekent dat ook de inhoud van deze brief, die bovendien op andere situaties betrekking heeft, niet tot een ander voorlopig oordeel kan leiden.

4.15

[geïntimeerde] heeft zich, na het ontslag op staande voet, in zijn brief van 24 januari 2014 uitdrukkelijk beschikbaar gehouden voor het verrichten van arbeid bij [appellant sub 1] . Deze bereidheid heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] herhaald in diens brief van 3 februari 2014 aan [appellant sub 1] . Het enkele feit dat [geïntimeerde] na zijn ontslag enige arbeid elders is gaan verrichten - waarvan de aard en omvang in dit kort geding niet zijn komen vast te staan - is vooralsnog onvoldoende om te oordelen dat [geïntimeerde] hiermee zijn herhaalde - aan [appellant sub 1] kenbare - bereidverklaring om werkzaamheden voor [appellant sub 1] te verrichten heeft prijsgegeven. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat onvoldoende aannemelijk is dat [appellant sub 1] op enig moment, met name na de brief van 3 februari 2014 van de gemachtigde van [geïntimeerde] aan haar, bereid was [geïntimeerde] toe te laten tot de hervatting van zijn werkzaamheden. Grief IV faalt.

4.16

Ook grief V faalt aangezien [appellant sub 1] niet meer heeft aangevoerd dan dat bij afwijzing van de hoofdvordering (te weten de loonvordering) - daarvan is in dit geval geen sprake - de bijkomende vorderingen (wettelijke verhoging, wettelijke rente en proceskosten) hetzelfde lot moeten delen.

4.17

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is naar het voorlopig oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk dat het door [appellant sub 1] aan [geïntimeerde] verleende ontslag op staande voet in een bodemprocedure stand zal houden. Dit betekent dat ook de door [appellant sub 1] in reconventie gevorderde gefixeerde schadevergoeding dient te worden afgewezen. Grief VI faalt eveneens.

4.18

Nog daargelaten dat, gelet op de aard van het kort geding, in beginsel gaan plaats is voor uitgebreide bewijslevering, heeft [appellant sub 1] geen feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden, die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zodat het hof voorbij gaat aan het bewijsaanbod van [appellant sub 1] .

5 De slotsom

5.1

De grieven falen, zodat het in conventie en in reconventie tussen partijen gewezen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, moet worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant sub 1] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Deze kosten aan de zijde van [geïntimeerde] worden vastgesteld op € 308,- voor verschotten (griffierecht) en op € 632,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief
(1 punt x tarief I in hoger beroep).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

bekrachtigt, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, het tussen partijen in kort geding in conventie en in reconventie gewezen vonnis van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, afdeling civiel recht, kantonrechter, locatie Utrecht) van 11 april 2014;

veroordeelt [appellant sub 1] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 308,- voor verschotten en op € 632,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;


verklaart dit arrest, voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, E.B. Knottnerus en A.A. van Rossum en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2015.