Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:3880

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
03-06-2015
Zaaknummer
21-006104-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft met een tractor een aanrijding met een fietser veroorzaakt waarbij de fietser is komen te overlijden.

Het hof ziet onvoldoende bewijs om te komen tot een bewezenverklaring dood door schuld. Van zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam handelen door verdachte is geen sprake. Van schuld, als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, een aanmerkelijke mate van verwijtbaar onvoorzichtig handelen, is daarom naar het oordeel van het hof geen sprake. Verdachte wordt daarom van dood door schuld vrijgesproken. Het hof acht wel bewezen dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006104-14

Uitspraak d.d.: 3 juni 2015

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 10 oktober 2014 met parketnummer 05-820189-14 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1972],

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 mei 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. P.W.E. Hoezen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 22 november 2013 in de gemeente Winterswijk,
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (landbouwtrekker), daarmede rijdende over de weg, de Morskes Driehuisweg, komende uit de richting Meddo en gaande in de richting van Winterswijk, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend
en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte
- terwijl het zicht van verdachte ter plaatse (enigszins) werd belemmerd, beperkt of

gehinderd door langs genoemde weg staande bomen en/of struiken, en/of

- terwijl het zicht van verdachte (enigszins) werd belemmerd, beperkt of gehinderd

door een voor op die landbouwtrekker bevestigde frontlader, en/of

- heeft verdachte (daarbij) niet, althans onvoldoende, gelet op de weg vóór

hem, en/of

- heeft verdachte (daarbij) niet voortdurend de nodige oplettendheid en/of

voorzichtigheid betracht, en/of

- heeft verdachte niet, althans onvoldoende, voldaan aan zijn verplichting zoveel

mogelijk rechts te houden, als bedoeld in artikel 3 van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990, en/of

- is verdachte in of nabij een in die weg gelegen, voor hem, verdachte,

naar links verlopende bocht, met dat motorijtuig geheel of gedeeltelijk op

het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg

terechtgekomen, en/of

- heeft verdachte een hem op de Morskes Driehuisweg tegemoetkomende fietser

niet (tijdig) opgemerkt/gezien, en/of

- is verdachte (vervolgens) met dat door hem bestuurde motorrijtuig

gebotst, althans in aanrijding gekomen met die fietser,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander (genaamd [slachtoffer])

werd gedood;

subsidiair:

hij op of omstreeks 22 november 2013 in de gemeente Winterswijk,
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (landbouwtrekker), daarmede heeft gereden over de weg, de Morskes Driehuisweg, komende uit de richting Meddo en gaande in de richting van Winterswijk,
- terwijl het zicht van verdachte ter plaatse (enigszins) werd belemmerd,
beperkt of gehinderd door langs genoemde weg staande bomen en/of struiken,

en/of

- terwijl het zicht van verdachte (enigszins) werd belemmerd, beperkt of
gehinderd door een voor op die landbouwtrekker bevestigde frontlader, en/of
- heeft verdachte (daarbij) niet, althans onvoldoende, gelet op de weg vóór
hem, en/of

- heeft verdachte (daarbij) niet voortdurend de nodige oplettendheid en/of

voorzichtigheid betracht, en/of

- heeft verdachte niet, althans onvoldoende, voldaan aan zijn verplichting
zoveel mogelijk rechts te houden, als bedoeld in artikel 3 van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990, en/of

- is verdachte in of nabij een in die weg gelegen, voor hem, verdachte,

naar links verlopende bocht, met dat motorijtuig geheel of gedeeltelijk op

het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg

terechtgekomen, en/of

- heeft verdachte een hem op de Morskes Driehuisweg tegemoetkomende fietser

niet (tijdig) opgemerkt/gezien, en/of

- is verdachte (vervolgens) met dat door hem bestuurde motorrijtuig

gebotst, althans in aanrijding gekomen met die fietser,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Verdachte heeft op 22 november 2013 om 15.10 uur met een landbouwtrekker over de Morskers Driehuisweg in de gemeente Winterswijk gereden. Op die weg is hij in aanrijding gekomen met een hem tegemoetkomende fietser. De fietser is als gevolg van de aanrijding overleden.

Aan verdachte is primair tenlastegelegd -kort gezegd- dat hij met de door hem bestuurde landbouwtrekker zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden zodanig dat het aan zijn schuld is te wijten dat dit verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander is gedood. Subsidiair is tenlastegelegd dat hij door zijn wijze van rijden gevaar op de weg heeft veroorzaakt. In de tenlastelegging is gedetailleerd opgenomen waarin de onvoorzichtigheid van de verdachte, volgens de steller van de tenlastelegging, heeft bestaan, waarbij deze concrete omschrijvingen in het primair en het subsidiair tenlastegelegde identiek zijn.

Verdachte is in eerste aanleg voor het primair tenlastegelegde feit veroordeeld. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal ook een veroordeling voor het primair tenlastegelegde feit gevorderd. Verdachte en zijn raadsvrouw hebben bepleit dat er sprake is van een noodlottig ongeval en dat een integrale vrijspraak moet volgen.

Het hof oordeelt hierover als volgt.

Uit het dossier, waarvan deel uitmaakt het “proces-verbaal Verkeers Ongeval Analyse” (VOA) en het onderzoek ter terechtzitting komt het volgende naar voren. Verdachte bestuurde een landbouwtrekker die voorzien was van een voorop bevestigde frontlader. De landbouwtrekker was 2.60 meter breed, de breedte van de Morskers Driehuisweg was ongeveer 4.00 meter. De ter plaatse geldende maximumsnelheid is 60 km per uur. Verdachte naderde een onoverzichtelijke bocht naar links. Door langs de weg staande bomen en struiken was het zicht op de voor hem liggende weg beperkt. Verdachte heeft verklaard dat hij bekend is op die weg, dat hij goed heeft gekeken tussen de bomen door of er tegemoetkomend verkeer aankwam, maar dat hij niemand heeft zien naderen. Hij reed ongeveer 30 kilometer per uur. Bij het naderen van de bocht heeft hij iets vaart geminderd. Pas toen hij een ‘bonk’ hoorde realiseerde hij zich dat er iets was gebeurd, is hij gestopt en zag hij de fietser liggen. Hij heeft ook verklaard dat hij op het midden van de weg reed toen hij de bocht doorreed.

Het hof acht de volgende gedachtestreepjes -verkort weergegeven- bewezen.

- dat het zicht van verdachte werd beperkt door langs de weg staande bomen;

- dat het zicht van verdachte enigszins werd beperkt door de op de trekker bevestigde frontlader;

- dat verdachte de tegemoetkomende fietser niet (tijdig) heeft opgemerkt;

- dat verdachte in aanrijding is gekomen met de fietser.

Het hof acht onvoldoende bewijs aanwezig voor het onvoldoende opletten door verdachte, het niet zoveel mogelijk rechts van de weg houden door verdachte en voor het op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer terechtkomen. Ten aanzien van dit laatste overweegt het hof dat door de breedte van de trekker (2.60 meter) en de breedte van de weg (4 meter) het niet anders kan of de bestuurder van dit voertuig zal (gedeeltelijk) op de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer moeten rijden. Het hof ziet geen bewijs voor het ‘afsnijden’ van de bocht naar links door verdachte. De verklaring van verdachte dat hij midden op de weg reed toen hij de bocht doorreed acht het hof dus niet redengevend voor het bewijs van het tenlastegelegde geheel of gedeeltelijk op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg terechtkomen.

Al met al ziet het hof onvoldoende bewijs om te komen tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam handelen door verdachte. Van schuld, als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, een aanmerkelijke mate van verwijtbaar onvoorzichtig handelen, is daarom naar het oordeel van het hof geen sprake. Verdachte wordt daarom van het hem primair tenlastegelegde feit vrijgesproken.

Voor het subsidiair tenlastegelegde feit, het veroorzaken van gevaar op de weg, acht het hof wel voldoende wettig bewijs aanwezig, namelijk de hiervoor genoemde bewezen geachte omstandigheden/gedragingen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 22 november 2013 in de gemeente Winterswijk,
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (landbouwtrekker), daarmede heeft gereden over de weg, de Morskes Driehuisweg, komende uit de richting Meddo en gaande in de richting van Winterswijk,
- terwijl het zicht van verdachte ter plaatse (enigszins) werd belemmerd,
beperkt of gehinderd door langs genoemde weg staande bomen en/of struiken,

en/of

- terwijl het zicht van verdachte (enigszins) werd belemmerd, beperkt of
gehinderd door een voor op die landbouwtrekker bevestigde frontlader, en/of
- heeft verdachte (daarbij) niet, althans onvoldoende, gelet op de weg vóór
hem, en/of

- heeft verdachte (daarbij) niet voortdurend de nodige oplettendheid en/of

voorzichtigheid betracht, en/of

- heeft verdachte niet, althans onvoldoende, voldaan aan zijn verplichting
zoveel mogelijk rechts te houden, als bedoeld in artikel 3 van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990, en/of

- is verdachte in of nabij een in die weg gelegen, voor hem, verdachte,

naar links verlopende bocht, met dat motorijtuig geheel of gedeeltelijk op

het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg

terechtgekomen, en/of

- heeft verdachte een hem op de Morskes Driehuisweg tegemoetkomende fietser

niet (tijdig) opgemerkt/gezien, en/of

- is verdachte (vervolgens) met dat door hem bestuurde motorrijtuig

gebotst, althans in aanrijding gekomen met die fietser,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.


Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en zijn draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft in het bijzonder rekening gehouden met de volgende omstandigheden.

Verdachte is als bestuurder van een landbouwtrekker in aanrijding gekomen met een hem tegemoetkomende fietser, die als gevolg van de aanrijding is overleden. Verdachte wordt, anders dan door de rechtbank, vrijgesproken van het hem primair tenlastegelegde feit, dood door schuld. Wel is bewezen dat verdachte de veiligheid op de weg in gevaar heeft gebracht, dit is een overtreding.

Verdachte is volgens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie niet eerder met politie of justitie in aanraking gekomen. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat verdachte nog dagelijks kampt met de gevolgen van de aanrijding en dat hij hiervoor ook een behandeling ondergaat.

Alles in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke geldboete en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur, met een proeftijd van één jaar, passend is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. J.I.M.W. Bartelds, voorzitter,

mr. M. Barels en mr. A. van Waarden, raadsheren,

in tegenwoordigheid van B.J. Berendsen, griffier,

en op 3 juni 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.I.M.W. Bartelds is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 3 juni 2015.

Tegenwoordig:

mr. R. de Groot, voorzitter,

mr. drs. I.E.W. Gonzales, advocaat-generaal,

B.J. Berendsen, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.