Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:3788

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-05-2015
Datum publicatie
05-06-2015
Zaaknummer
13/00960
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Aanbod indiening nieuwe stukken geweigerd. Aftrek voorbelasting. Bewijs. Ondeugdelijke facturen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1208
V-N 2015/38.13 met annotatie van Redactie
FutD 2015-1467
FutD 2015-1468
NTFR 2015/1798 met annotatie van Mr. P.F. Zijlstra
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 13/00960

uitspraakdatum: 27 mei 2015

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 6 augustus 2013, nummer AWB 12/3796 in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2008 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 14.135. Daarbij is voorts een vergrijpboete aan belanghebbende opgelegd van € 3.533 en is hem heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 1.895.

1.2.

Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag en beschikkingen inzake de boete en heffingsrente gehandhaafd. Nadien heeft de Inspecteur ambtshalve de vergrijpboete verminderd tot € 1.750.

1.3.

Het door belanghebbende tegen deze uitspraken op bezwaar ingestelde beroep is door de Rechtbank ongegrond verklaard voor zover het de naheffingsaanslag en de beschikking inzake de heffingsrente betreft en gegrond voor zover het de boetebeschikking betreft. De op de boetebeschikking betrekking hebbende uitspraak op bezwaar is door de Rechtbank vernietigd en de boete is door haar vastgesteld op € 1.750, overeenkomstig de ambtshalve door de Inspecteur verleende vermindering.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben vervolgens nadere stukken ingediend.

1.5.

Tot de stukken van het geding behoort, naast vorenbedoelde stukken, voorts het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6.

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgehad op 9 april 2015 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord: belanghebbende, bijgestaan door [A], [B], [C], [D] en [E]. Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [F], [G] en [H].

1.7.

De zaken zijn gelijktijdig behandeld met de zaken met rolnummers 13/00957, 13/00958 en 13/00959 die betrekking hebben op aan belanghebbende opgelegde belastingaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2005, 2006 en 2008.

1.8.

Belanghebbende en de Inspecteur hebben een pleitnota overgelegd.

1.9.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende drijft een onderneming in de vorm van eenmanszaak. De onderneming heeft twee vestigingen, één in [Z] (uitgeoefend onder de naam “[I]”) en één in [J] (uitgeoefend onder de naam “[K]”). In de vestiging te [Z] bestaan de ondernemingsactiviteiten uit de verkoop van Surinaamse levensmiddelen (zoals onder meer rijst, roti, vis, vlees en bananen) alsmede uit de verkoop van drogisterijartikelen, snoep en tabak. In de vestiging te [J] houdt belanghebbende zich bezig met de bemiddeling bij de verkoop van vliegtickets met – vooral – bestemming Suriname.

2.2.

Naar aanleiding van de bevindingen van een in 2006 bij belanghebbende ingesteld boekenonderzoek is aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2003 tot en met 31 december 2004 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd. Daarbij is belanghebbende voorts een vergrijpboete opgelegd van 25% van de nageheven belasting, welke boete door de Inspecteur echter is gematigd tot 10% wegens ‘verzachtende omstandigheden’ (kort gezegd een gebrekkige begeleiding door de toenmalige adviseur).

2.3.

Belanghebbende heeft over het tijdvak 2005 een aangifte omzetbelasting ingediend, naar een teruggaaf van € 1.882. Over de jaren 2006, 2007 en 2008 heeft belanghebbende, ondanks de uitnodigingen daartoe door de Inspecteur, geen aangiften omzetbelasting ingediend. Hij heeft de – ambtshalve – door de Inspecteur opgelegde naheffingsaanslagen afgewacht en betaald (2006: € 250, 2007: € 300 en 2008 € 400).

2.4.

In december 2009 is wederom een boekenonderzoek bij belanghebbende ingesteld. Naar aanleiding van de bevindingen van dit onderzoek – zoals vastgelegd in het tot de stukken van het geding behorende rapport van 7 juni 2010 – heeft de Inspecteur geconcludeerd dat de administratie van belanghebbende niet voldoet aan de wettelijke eisen. In de administratie van belanghebbende is in het geheel geen rekening gehouden met de (verschuldigdheid van) omzetbelasting. De Inspecteur heeft op basis van de beschikbare gegevens (zoals inkoopfacturen, debiteurenontvangsten en crediteurenbetalingen) een berekening van de omzetbelasting gemaakt die belanghebbende volgens de Inspecteur over de jaren 2005 tot en met 2008 verschuldigd zou zijn. Volgens de Inspecteur is belanghebbende over genoemde periode in totaal een bedrag van € 14.135 verschuldigd (2005: € 5.223, 2006: € 3.193, 2007: € 2.201 en 2008: € 3.518). Volgens de Inspecteur is het aan opzet van belanghebbende te wijten dat dit bedrag aan omzetbelasting niet is betaald. In verband hiermee achtte hij oplegging van een vergrijpboete van 50% aan belanghebbende op haar plaats maar vanwege (onder meer) de omstandigheid dat ook in de sfeer van de inkomstenbelasting vergrijpboeten aan belanghebbende zullen worden opgelegd, heeft de Inspecteur de vergrijpboete gematigd tot 25% van de nageheven omzetbelasting.

2.5.

Een en ander is door de Inspecteur geformaliseerd op 31 augustus 2010: er is € 14.135 aan omzetbelasting nageheven, een vergrijpboete van € 3.533 opgelegd en € 1.895 aan heffingsrente in rekening gebracht.

2.6.

In bezwaar heeft belanghebbende onder meer het standpunt ingenomen dat de Inspecteur ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een aftrek van voorbelasting ter zake van inkopen van rijst bij de firma [L] te [M]. Daartoe heeft belanghebbende verschillende facturen aan de Inspecteur overgelegd (hierna: de [L]-facturen). Op die facturen ontbreken onder meer het btw-identificatienummer van de leverancier, het adres van de leverancier en de naam en het adres van de afnemer van de goederen. In verband hiermee heeft de Inspecteur de door belanghebbende geclaimde aftrek van voorbelasting inzake de [L]-facturen niet in aanmerking genomen en het bezwaar bij uitspraken van 7 oktober 2011 afgewezen. Vervolgens heeft de Inspecteur bij ambtshalve genomen besluit van 31 december 2011 de boete vanwege de slechte financiële omstandigheden van belanghebbende verminderd tot € 1.750.

2.7.

In beroep bij de Rechtbank werd belanghebbende bijgestaan door mr. [N] FB. Die adviseur stelde zich op het standpunt dat belanghebbende over het onderhavige tijdvak een bedrag van € 8.897 aan omzetbelasting verschuldigd is (brief van 2 maart 2013, blz. 7).

2.8.

De Rechtbank heeft beslist dat de Inspecteur terecht de voorbelasting op de rijstinkopen (de [L]-facturen) niet in aanmerking heeft genomen. Belanghebbende heeft volgens de Rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de rijstinkopen daadwerkelijk zijn gedaan ten laste van het bedrijfsresultaat van belanghebbende.

2.9.

Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende zelf een hogerberoepschrift ingediend. In de loop van de procedure in hoger beroep heeft belanghebbende zich vervolgens laten bijstaan door een nieuwe gemachtigde, de heer E.H. [C] (hierna: [C]). Bij brief van 28 juli 2014 van de griffier van het Hof zijn partijen uitgenodigd voor een zitting op 10 september 2014 te Arnhem. In een op 1 september 2014 ontvangen faxbericht van belanghebbende zijn berekeningen van [C] opgenomen met betrekking tot het resultaat van belanghebbende over de jaren 2005, 2006 en 2008. In de begeleidende brief, opgemaakt door [C] op 1 september 2014, is het volgende vermeld:

“Ten behoeve van de zitting van de Rechtbank te Arnhem op 10 september 2014 aangaande uw geschil met de Belastingdienst aangaande o.a. de hoogte van de respectievelijke resultaten per de jaren 2005, 2006 en 2008 delen wij u het volgende mede:

Wij hebben de administratie van uw beide bedrijven [I] en [K] gecontroleerd en waar nodig gecorrigeerd.

Op bijgaand overzicht hebben wij per boekjaar weergegeven hoe de resultaten door de Belastingdienst zijn vastgesteld en de resultaten zoals ons kantoor die heeft berekend. Dit overzicht gaat hierbij.

De analyses van de administratie en de resultaten zoals door ons berekend, zijn reeds in uw bezit, inclusief de aanbevelingen. Bij de zitting op 10 september 2014 zullen wij afdrukken ervan meenemen.

Ons kantoor heeft eveneens de jaren 2010 tot en met 2013 gecontroleerd en daarvan de herziene resultaten vastgelegd. Daaruit bleek tevens, dat onze administratieve aanbevelingen grotendeels zijn opgevolgd. Zo is o.a. voor de [I] een elektronische groepenkassa in gebruik genomen.

Ten aanzien van de omkering van de bewijslast heeft [O] op 26 juli 2012, 2 maart 2013, op 14 maart 2013 en 20 november 2013 de argumenten hiertegen reeds neergelegd. Wij menen daaraan niets te hoeven toevoegen.

Naar uw mededeling bleek onlangs de Belastingdienst bereid om voor genoemde jaren alsnog bezwaarschriften tegen de ambtshalve opgelegde aanslagen in behandeling te willen nemen.”

2.10.

Op 4 september 2014 is daarop een reactie van de Inspecteur ontvangen.

2.11.

Naar aanleiding van deze nadere stukken heeft het Hof besloten de geplande zitting van 10 september 2014 geen doorgang te laten vinden. In dit verband schreef de griffier van het Hof bij brief van 8 september 2014 het volgende aan partijen:

“In reactie op uw brief van 1 september 2014 en de brieven de Inspecteur van 29 augustus 2014 en 4 september 2014 bericht ik u als volgt.

In de brief van 1 september 2014 geeft u aan dat de analyses van de administratie en de resultaten zoals door u berekend reeds in het bezit zijn van het Hof evenals de aanbevelingen. Voorts kondigt u aan afdrukken ervan mee te zullen nemen naar de zitting.

Teneinde te voorkomen dat de Inspecteur en het Hof ter zitting overvallen worden door nieuwe informatie, heeft het Hof besloten om de mondelinge behandeling van de zaken op 10 september 2014 geen doorgang te laten vinden en u in de gelegenheid te stellen om binnen twee weken de aangekondigde stukken aan het Hof te doen toekomen. Vervolgens zal de Inspecteur in de gelegenheid worden gesteld om te reageren. In het eerste kwartaal van 2015 zullen de zaken opnieuw op zitting worden gezet.

Ik verzoek u de informatie vóór 24 september 2014 aan het Hof te doen toekomen. Mocht u naar aanleiding van het bovenstaande vragen hebben, verneem ik dat graag.”

2.12.

Bij faxbericht van 19 september 2014 heeft het Hof nadere berekeningen van [C] ontvangen met betrekking tot de in zijn ogen door belanghebbende verschuldigde omzetbelasting over de jaren 2005, 2006 en 2008, te weten respectievelijk € 2.339,45, € 2.853,02 en € 4.541,58. In totaal derhalve € 9.734,05. De Inspecteur heeft hierop gereageerd bij brief van 5 november 2014.

2.13.

Bij brief van 26 februari 2015 van de griffier van het Hof is belanghebbende uitgenodigd voor een onderzoek ter zitting in hoger beroep op 9 april 2015 om 10.45 uur te Arnhem. In die brief is belanghebbende erop gewezen dat tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen worden ingediend. Bij brief van 26 maart 2015 heeft belanghebbende het Hof bericht dat hij ter zitting zou worden bijgestaan door onder anderen [C].

2.14.

Tijdens het onderzoek ter zitting heeft [C] het aanbod gedaan nieuwe jaarstukken van de onderneming van belanghebbende over te leggen, waarin nieuwe berekeningen zijn opgenomen met betrekking tot de door belanghebbende in de onderhavige jaren behaalde omzet en winst.

2.15.

Dit aanbod is door het Hof geweigerd.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag tot het juiste bedrag en de boetebeschikking terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraken op bezwaar, van de boetebeschikking en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot kennelijk een bedrag van € 11.935.

3.4.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Nadere stukken

4.1.

De gemachtigde van belanghebbende, [C], heeft ter zitting in hoger beroep het aanbod gedaan nieuwe jaarstukken van de onderneming van belanghebbende over te leggen met betrekking tot de jaren 2005, 2006 en 2008, waarin nieuwe berekeningen zijn opgenomen met betrekking tot de door belanghebbende in die jaren gerealiseerde omzet. De Inspecteur heeft zich verzet tegen overlegging van die stukken.

4.2.

Bij de vraag of die stukken tot de procedure kunnen worden toegelaten is het volgende van belang. Artikel 8:58, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Deze bepaling beoogt, blijkens de daarop gegeven toelichting, een behoorlijk verloop van de procedure te waarborgen. Uit deze strekking volgt dat de rechter – binnen het kader van een goede procesorde – de mogelijkheid heeft stukken die binnen tien dagen voor de zitting of eerst ter zitting zijn overgelegd al dan niet in de procedure toe te laten (HR 1 oktober 2004, nr. 38.967, ECLI:NL:HR:2004:AR3099, BNB 2005/151). Bij de beslissing of een partij, hoewel de wederpartij daartegen bezwaar maakt, de gelegenheid moet krijgen bewijsstukken ter zitting alsnog over te leggen, zal een afweging moeten plaatsvinden van enerzijds het belang dat die partij heeft bij het overleggen van die stukken en de redenen waarom hij dit niet in een eerdere fase van de procedure voor de feitenrechter heeft gedaan, en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang. (HR 3 februari 2006, nr. 41.329, ECLI:NL:HR: 2006:AV0821, BNB 2006/204, HR 16 maart 2007, nr. 42.905, ECLI:NL:HR:2007:BA0721, BNB 2007/222 en HR 10 april 2009, nr. 42681, ECLI:NL:HR:2009:BI0562, BNB 2009/167).

4.3.

De gemachtigde [C] heeft blijkens zijn brief van 1 september 2014 aan belanghebbende (zie 2.9) de administratie van de onderneming van belanghebbende gecontroleerd en waar nodig gecorrigeerd. De analyses van de administratie en de resultaten door [C] waren op dat moment in het bezit van belanghebbende. Aangekondigd in die brief is voorts dat afschriften daarvan ter zitting van 10 september 2014 zouden worden meegenomen. Ter voorkoming van een overval van de wederpartij en het Hof met nieuwe informatie, heeft het Hof besloten de geplande zitting van 10 september 2014 geen doorgang te laten vinden. In de brief van de griffier van 8 september 2014 aan belanghebbende is dit aan belanghebbende medegedeeld en is hem vervolgens de gelegenheid geboden binnen twee weken de aangekondigde stukken aan het Hof te zenden, zodat de Inspecteur daarop vervolgens zou kunnen reageren. Van die gelegenheid heeft belanghebbende op 19 september 2014 gebruik gemaakt en de Inspecteur heeft daarop gereageerd bij brief van 5 november 2014. Nadien zijn op dit punt geen nadere stukken door belanghebbende ingediend. In de op 26 februari 2015 gedagtekende en aan belanghebbende verzonden uitnodigingsbrief voor de zitting van 9 april 2015 is belanghebbende vervolgens nadrukkelijk erop gewezen dat hij tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kan indienen. Daarvan heeft hij op dit punt geen gebruik gemaakt. Eerst ter zitting van 9 april 2015 heeft [C] het aanbod gedaan nieuwe jaarstukken met betrekking tot de onderneming van belanghebbende over te leggen. Desgevraagd heeft [C] niet kunnen verklaren waarom die stukken niet eerder in de procedure zijn ingebracht. Voorts heeft [C] geen verklaring kunnen geven voor de omstandigheid dat de nieuw te overleggen berekeningen, naar zijn zeggen, afwijken van de eerder overgelegde berekeningen. De Inspecteur heeft zich desgevraagd verzet tegen het toelaten van de nieuwe stukken in de procedure.

4.4.

Gelet op: de omstandigheid dat [C] niet heeft kunnen verklaren waarom hij de stukken niet in een eerder stadium van de procedure heeft overgelegd, de gang van zaken in het vooronderzoek, waarin het Hof een reeds geplande zitting niet heeft laten doorgaan om belanghebbende in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen en de Inspecteur de mogelijkheid om daarop om een behoorlijke manier te laten reageren, en gelet op de inhoud van de uitnodigingsbrief voor de zitting van 9 april 2015, waarin nadrukkelijk is vermeld dat tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen worden ingediend, dient het belang van belanghebbende tot inbreng van de nieuwe stukken te wijken voor het algemeen belang van een doelmatige procesgang. Aanvaarding van de nieuwe stukken zou immers wederom tot een vertraging in de behandeling van de zaak – in de vorm van een heropening van het vooronderzoek – leiden, aangezien de eisen van een behoorlijk proces meebrengen dat de Inspecteur en het Hof kennis kunnen nemen van die nieuwe stukken en dat de Inspecteur daarop op adequate wijze kan reageren. Zulks acht het Hof in de omstandigheden van dit geval echter in strijd met de goede procesorde.

Naheffingsaanslag

4.5.

De Inspecteur heeft een naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd ten bedrage van € 14.135. In de loop van de procedure heeft belanghebbende verschillende standpunten ingenomen met betrekking tot de door hem over het onderhavige tijdvak verschuldigde omzetbelasting. Namens belanghebbende heeft [C] in hoger beroep het standpunt ingenomen dat belanghebbende over de jaren 2005, 2006 en 2008 een bedrag van € 9.734 is verschuldigd (zie 2.12). [C] heeft zich niet gebogen over het jaar 2007 omdat, aldus [C], dat jaar niet tot zijn opdracht behoorde. Kennelijk moet worden aangenomen – tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2007 is door belanghebbende immers evenmin een rechtsmiddel aangewend – dat het bedrag van de naheffing dat op het jaar 2007 ziet, een bedrag van € 2.201 (zie 2.4), niet in geschil is. Aldus moet de naheffing volgens belanghebbende kennelijk € 11.935 belopen. Het verschil tussen het bedrag van de naheffingsaanslag en dit door belanghebbende bepleite bedrag vindt in de kern zijn grond in het geschil tussen partijen met betrekking tot de aftrek van omzetbelasting ter zake van de [L]-facturen, zijnde een bedrag van € 3.902 voor de jaren 2005, 2006 en 2008. Belanghebbende heeft zulks ter zitting desgevraagd bevestigd.

4.6.

Aldus moet te dezen worden beoordeeld of de Inspecteur terecht aftrek van omzetbelasting met betrekking tot de [L]-facturen heeft geweigerd.

4.7.

Ingevolge artikel 2 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) wordt op de belasting, verschuldigd ter zake van levering van goederen en diensten, in aftrek gebracht de belasting ter zake van – voor zover hier van belang – de aan de ondernemer verrichte leveringen van goederen. De voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting is de belasting welke in het tijdvak van aangifte door andere ondernemers ter zake van de door hen aan de ondernemer verrichte leveringen in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur (artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet OB). In artikel 35a van de Wet OB zijn de eisen opgenomen die aan een factuur worden gesteld. Onder meer is vereist dat het btw-identificatienummer waaronder de ondernemer de levering heeft verricht op de factuur is vermeld alsmede het adres van deze ondernemer. Voorts dient de naam en het adres van de afnemer en diens btw-identificatienummer op de factuur te zijn vermeld. Op de onderhavige, door belanghebbende overgelegde facturen ontbreken de naam, adres en btw-identificatienummer van belanghebbende als – gestelde – afnemer van de rijst. Voorts ontbreken op deze facturen het btw-identificatienummer en het adres van de leverancier van de rijst ([L]). Deze gebreken zijn van dien aard dat aftrek van de op die facturen vermelde omzetbelasting door belanghebbende volgens de Wet OB niet mogelijk is. De Inspecteur heeft mitsdien terecht de door belanghebbende geclaimde aftrek van voorbelasting ter zake van de [L]-facturen niet toegestaan. Alsdan moet, gelet op het hiervoor overwogene, worden geconcludeerd dat de Inspecteur terecht een bedrag van € 14.135 aan omzetbelasting over het onderhavige tijdvak van belanghebbende heeft nageheven. De overige grieven van belanghebbende doen aan deze conclusie niet af.

Vergrijpboete

4.8.

De Inspecteur heeft belanghebbende per saldo een vergrijpboete van € 1.750 opgelegd. De Inspecteur verwijt belanghebbende dat het aan zijn opzet is te wijten dat de door hem over het onderhavige tijdvak verschuldigde omzetbelasting niet (tijdig) is betaald. In zijn verweerschrift in (hoger) beroep stelt de Inspecteur voorts dat het (ten minste) aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de te dezen verschuldigde omzetbelasting niet (tijdig) is betaald. De Inspecteur is daartoe gerechtigd. Hij mag na het opleggen van de vergrijpboete een andere juridische kwalificatie – al dan niet subsidiair – verbinden aan de door hem verweten gedraging van de belastingplichtige (HR 4 april 2001, nr. 35917, ECLI:NL:HR:2001:AB0851 en HR 24 december 2004, nr. 39081, ECLI:NL:HR:2004:AO7679, BNB 2001/272). Niet valt in te zien dat belanghebbende hierdoor in zijn verdedigingsbelang zou zijn geschaad.

4.9.

Belanghebbende bestrijdt dat hem in dit verband ‘opzet’ of ‘grove schuld’ kan worden verweten. Belanghebbende stelt dat hij op aanraden van de heer [P], een bevriende registeraccountant die hem behulpzaam is geweest bij het voeren van de administratie, de door de Inspecteur uitgereikte aangiftebiljetten voor de omzetbelasting voor de tijdvakken 2006, 2007 en 2008 niet heeft ingediend. Op advies van [P] heeft hij, aldus nog steeds belanghebbende, de ambtshalve door de Inspecteur op te leggen naheffingsaanslagen afgewacht en deze vervolgens betaald.

4.10.

Nog daargelaten dat belanghebbende, in de persoon van de heer Douwes, in de procedure bij de Rechtbank zich akkoord heeft verklaard met een vergrijpboete van 25% (zie onderdeel 3.1 op bladzijde 9 van het geschrift van 26 juli 2012), heeft de Inspecteur belanghebbende naar het oordeel van het Hof terecht een vergrijpboete opgelegd. Het Hof acht in de eerste plaats niet aannemelijk dat een registeraccountant, de heer [P], belanghebbende zou hebben geadviseerd de door de Inspecteur uitgereikte aangiftebiljetten niet in te dienen. Maar zelfs wanneer – veronderstellenderwijs – van de juistheid van die stelling wordt uitgegaan, had het naar het oordeel van het Hof op de weg van belanghebbende gelegen aan dat advies te twijfelen. Belanghebbende is immers reeds sinds eind jaren negentig van de vorige eeuw ondernemer, hij heeft eerdere controles gehad van de Belastingdienst op het terrein van de omzetbelasting, op de hem uitgereikte aangiftebiljetten omzetbelasting is nadrukkelijk vermeld dat zij voor een bepaalde termijn moeten worden ingediend bij de Belastingdienst en voor het jaar 2005 zijn de aangiftebiljetten wel ingediend. Desgevraagd heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat hij die twijfel daadwerkelijk heeft gehad. Hij heeft evenwel nagelaten hierover navraag te doen bij de Belastingdienst. Onder deze omstandigheden moet naar het oordeel van het Hof worden geconcludeerd dat belanghebbende zich van zijn fouten – het stelselmatig niet indienen van de uitgereikte aangiftebiljetten – bewust had moeten zijn. Er is (op zijn minst) sprake van een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid bij belanghebbende. Het verwijt van de Inspecteur dat belanghebbende te dezen (op zijn minst) grofschuldig heeft gehandeld is daardoor terecht: het is aan grove schuld van belanghebbende te wijten dat de over het onderhavige tijdvak verschuldigde omzetbelasting niet (tijdig) is betaald. Een boete als door de Inspecteur opgelegd, te weten een bedrag van € 1.750 (zijnde 12% van de nageheven belasting), acht het Hof in beginsel een passende en geboden sanctie voor het vergrijp dat door belanghebbende is begaan.

4.11.

Anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, ziet het Hof evenwel reden deze boete te matigen wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Zoals de Rechtbank heeft overwogen is in de fase van bezwaar en beroep bij de Rechtbank de redelijke termijn met iets meer dan een jaar overschreden. Hierin ziet het Hof aanleiding de boete te matigen tot € 1.500. In zoverre treft het hoger beroep van belanghebbende doel.

Heffingsrente

4.12

Het hoger beroep wordt mede geacht te zijn gericht tegen de in rekening gebrachte heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige grieven tegen de beschikking inzake de heffingsrente aangevoerd. Nu de naheffingsaanslag in stand wordt gelaten, ziet het Hof geen grond voor vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente. Het hoger beroep is in zoverre ongegrond.

Slotsom

Het hoger beroep van belanghebbende treft doel voor zover het ziet op de vergrijpboete. Voor het overige is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht, gelet op de kostenveroordeling in de met de onderhavige zaak samenhangende zaken met rolnummers 13/00957, 13/00958 en 13/00959, geen termen aanwezig voor een afzonderlijke kostenveroordeling in deze zaak. Belanghebbende heeft voor de vier zaken eenmaal griffierecht voor het hoger beroep voldaan. In de uitspraak met rolnummers 13/00957, 13/00958 en 13/00959 wordt de Inspecteur gelast het door belanghebbende voor het hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover het de vaststelling van de boete voor de omzetbelasting betreft, en

  • -

    vermindert de boete voor de omzetbelasting tot een bedrag van € 1.500.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. M.G.J.M. van Kempen en mr. B.F.A. van Huijgevoort, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2015

De griffier, De voorzitter,

(C.E. te Brake) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 28 mei 2015

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.