Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:3742

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-05-2015
Datum publicatie
28-05-2015
Zaaknummer
200.153.908-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Hoger beroep. Internationale rechtsmacht. Art 6 aanhef en onder a Rv. Art. 6a onder b Rv. Voor uitleg overeenkomst is bewijslevering nodig. Daarvoor leent kort geding zich niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.153.908/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/104333 / KG ZA 14-57)

arrest van de eerste kamer van 26 mei 2015

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats 1],

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. B.Y. Pije, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2], [staat], Verenigde Staten,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M. Van Schoonhoven, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 2 juni 2014 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 30 juni 2014,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord, tevens van grieven in incidenteel hoger beroep (met producties),

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] in hoger beroep luidt:

"bij arrest het door de Rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Assen, dd. 2 juni 2014 met zaaknummer C/19/104333/KG ZA 14-57 gewezen vonnis waarvan beroep te vernietigen en opnieuw rechtdoende bij arrest, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden, [appellant] ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, de vorderingen van [appellant] toe te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, de nakosten daarbij begrepen."

2.4

In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] gevorderd:

"de zinsnede van rechtsoverweging 5.7 van het vonnis op [het hof leest: van] 2 juni 2014, waaruit blijkt dat geïntimeerde zijn vordering voorshands voldoende heeft onderbouwd en aannemelijk heeft gemaakt, te vernietigen, en voor het overige opnieuw rechtdoende het vonnis van 2 juni 2014 in stand te laten en geïntimeerde in het incidentele appel te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad."

3 De feiten

3.1

Tegen de weergave van de feiten door de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.6) van het bestreden vonnis is geen grief gericht en is ook overigens
- behoudens ten aanzien van het eerste deel van de tweede zin van r.o. 2.2 - niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook het hof (met inachtneming van genoemd bezwaar) van die feiten zal uitgaan. Het gaat daarbij om het volgende.

3.2

Partijen hebben begin 2011 in [plaats 1] mondeling een overeenkomst gesloten, op basis waarvan [appellant] op zijn kosten vier aan [geïntimeerde] in eigendom toebehorende paarden, waaronder het paard [naam], op zijn bedrijf in [woonplaats 1] heeft verzorgd en getraind en op wedstrijden heeft uitgebracht. Afgesproken is dat [appellant] het met wedstrijden behaalde prijzengeld mocht behouden.
3.3 Medio november 2013 is [naam] op aangeven van [geïntimeerde] in een quarantainestal te [plaats 2] ondergebracht en van daaruit naar de Verenigde Staten getransporteerd. Bij
e-mailbericht van 15 november 2013 heeft [geïntimeerde], voor zover van belang, het volgende aan [appellant] bericht:
“Je weet de afspraak.
25% van [naam] bij verkoop.
Het rijden van [naam] in Nederland, heeft nog niet tot Verkoop geleid ook is hij niet 100% rad. Je hebt hem super gereden en het maximale er uit gehaald. Petje af. Maar ik denk dat hij in de USA in Welllington meer de kans krijgt en verkocht kan worden.
Ik weet natuurlijk niets van je financiën, maar uit de kost scheelt. Je weet dat we het naar beiden zin afhandelen bij Verkoop.”

3.4

Nadat [appellant] had vernomen dat [naam] medio maart 2014 door [geïntimeerde] was verkocht en geleverd voor een bedrag van € 1.100.000,- heeft hij [geïntimeerde] op 26 maart 2014 een factuur van € 332.750,- (inclusief btw) gestuurd, met als beschrijving “25% van verkoopprijs [naam] (1.100.000,- Euro).”

3.5

Bij e-mailbericht van dezelfde datum heeft [geïntimeerde] – voor zover belang – [appellant] bericht:
“Beste [appellant],
Hoe kom je erop?
Je hebt de kans gehad om een commissie te ontvangen.
als je met een klant gekomen was en het tot een Verkoop geleid had.”

3.6

Op 31 maart 2014 heeft de raadsman van [appellant] [geïntimeerde] aangemaand en gesommeerd de factuur van 26 maart 2014 te voldoen, bij uitblijven waarvan rechtsmiddelen in het vooruitzicht worden gesteld. Bij brief van 1 april 2014 heeft de toenmalige advocaat van [geïntimeerde] afwijzend gereageerd, waarna [appellant] met verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland conservatoir beslag heeft laten leggen op een onroerende zaak van [geïntimeerde] te [plaats 1].

4 Het geschil en de beslissing van de voorzieningenrechter

4.1

[appellant] heeft (in conventie) veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 332.750,- vermeerderd met rente en kosten gevorderd. Aan zijn vordering heeft hij de stelling ten grondslag gelegd dat hij mondeling met [geïntimeerde] is overeengekomen dat hij het paard [naam] voor [geïntimeerde] zou stallen, verzorgen, trainen en op wedstrijden uitbrengen. In ruil daarvoor zou [appellant] 25% van de verkoopopbrengst van het paard ontvangen.

4.2

[geïntimeerde] heeft op zijn beurt (in reconventie) opheffing van het door [appellant] gelegde conservatoire beslag gevorderd.

4.3

De voorzieningenrechter heeft [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen vanwege het ontbreken van een (voldoende) spoedeisend belang.

4.4

De vordering van [geïntimeerde] tot opheffing van het beslag is afgewezen. Deze vordering is geen onderwerp van dit hoger beroep.

5 Bevoegdheid

5.1

Nu het hier een zaak met internationale aspecten betreft, heeft het hof ambtshalve te oordelen over zijn bevoegdheid.
Het hof stelt voorop dat de Nederlandse rechter op grond van de hoofdregel in artikel
2 Rv, forum rei, niet bevoegd is van de vorderingen tegen [geïntimeerde] kennis te nemen nu hij niet in Nederland woonachtig is. Onderzocht moet worden of de Nederlandse rechter zijn internationale rechtsmacht kan ontlenen aan de aanvullende gronden in artikel 6 Rv.

5.2

Ten aanzien van de in artikel 6 Rv opgenomen gronden voor internationale rechtsmacht geldt dat de wetgever deze heeft ontleend aan artikel 5 EEX-Verordening (Verordening (EG) nr. 44/2001, Pb EG L 12/2001) en de Nederlandse rechter bij de uitleg van artikel 6 Rv de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie over (de uitleg van) die bepaling kan betrekken (MvT, Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 102 – 103). De EEX-Verordening (hierna: EEX-Vo) is (formeel) niet van toepassing omdat de verweerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een EEX-Staat.

Volgens artikel 6, aanhef en onder a Rv is de Nederlandse rechter internationaal bevoegd in zaken betreffende verbintenissen uit overeenkomst, indien de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, in Nederland is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd.
Ingevolge artikel 6a onder b Rv geldt vervolgens dat, tenzij anders is overeengekomen, voor de verstrekking van diensten de plaats van uitvoering in Nederland is gelegen indien de diensten volgens de overeenkomst in Nederland verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden.

5.3

Niet in geschil is dat partijen in 2011 zijn overeengekomen dat [appellant] het aan [geïntimeerde] in eigendom toebehorende paard, [naam], zou stallen, verzorgen, berijden en op wedstrijden uitbrengen, waarbij [appellant] eventueel prijzengeld mocht behouden. [appellant] heeft gesteld dat hij als vergoeding voor deze diensten 25% van de verkoopopbrengst van [naam] zou ontvangen. [geïntimeerde] heeft erkend dat er over een vergoeding van 25% is gesproken, maar heeft gesteld dat [appellant] daarop slechts bij wijze van provisie aanspraak kon maken in het geval de verkoop door zijn bemiddeling tot stand kwam.

5.4

Het hof onderschrijft het oordeel van de voorzieningenrechter - waartegen [geïntimeerde] overigens geen grief heeft geformuleerd - dat de uitvoering van de overeenkomst in Nederland heeft plaatsgehad, nu het paard in [woonplaats 1] is gestald, verzorgd en bereden en oordeelt op grond daarvan dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en de rechtbank Noord-Nederland en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (in hoger beroep) bevoegd zijn om over het onderhavige geschil te oordelen.

6 Beoordeling van de grieven

6.1

De grief in het principaal appel is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het verweer van [geïntimeerde] dat ziet op de spoedeisendheid en het restitutierisico moet worden gehonoreerd. De als grief ingediende klacht in het incidenteel appel is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [appellant] zijn vordering voorshands voldoende heeft onderbouwd en aannemelijk heeft gemaakt. Het hof dient dit, ook in eerste aanleg gevoerde, verweer in het kader van de devolutieve werking van het appel te beoordelen in het geval de grief in het principaal appel slaagt. Het hof zal hierna veronderstellenderwijs uitgaan van het slagen van de grief in het principaal appel.

6.2

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. Dienaangaande moeten naar behoren feiten en omstandigheden worden aangewezen die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed is geboden. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten onderzoeken of de vordering van de eisende partij voldoende aannemelijk is, maar ook - kort gezegd - of een spoedeisend belang bestaat, terwijl hij bij de afweging van de belangen van de partijen mede (als één van de voor toewijsbaarheid in aanmerking te nemen factoren) het restitutierisico zal hebben te betrekken.

6.3

Hoewel [appellant] zijn stelling dat hij een vordering op [geïntimeerde] heeft voorshands voldoende heeft onderbouwd door middel van de door hem in het geding gebrachte stukken, is het, gezien de uitvoerig gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde], naar het oordeel van het hof nog niet voldoende aannemelijk dat de vordering van [appellant] ook voor toewijzing in aanmerking komt. Nu partijen van mening verschillen over het antwoord op de vraag of hun overeenkomst inhield dat [appellant] hoe dan ook recht had op 25% van de opbrengst in het geval [naam] werd verkocht of slechts in het geval de verkoop door zijn bemiddeling tot stand kwam en omdat de lezing van [appellant] niet voorshands aannemelijk is gemaakt, zal immers bewijslevering nodig zijn. Daarvoor leent dit kort geding zich niet.

6.4

De grief in het incidenteel appel slaagt. Daarop stuit de vordering van [appellant] in kort af.

Slotsom

6.5

Het vonnis waarvan beroep zal – met verbetering van de gronden – worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep. Deze worden tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] wat het salaris voor de advocaat betreft in het principaal appel vastgesteld op
€ 3.263,- (1pt tarief VI). In het incidenteel appel kent het hof geen proceskostenveroordeling toe, nu dit onnodig is ingesteld, omdat [geïntimeerde] geen ander dictum bepleitte.

De beslissing

Het gerechtshof rechtdoende in het principaal en in het incidenteel appel:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 2 juni 2014 waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot deze voor zover gevallen aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 3.263,- aan salaris voor de advocaat en op € 1.601,- aan verschotten;

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. M.M.A. Wind, mr. L. Janse en mr. M.W. Zandbergen en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 26 mei 2015.