Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:3736

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-05-2015
Datum publicatie
28-05-2015
Zaaknummer
200.145.745-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op de advocaat als deskundige professionele opdrachtnemer rustte een zorgplicht (artikel 7:401 BW), die meebracht dat de verantwoordelijkheid voor het bewaken van de kosten niet uitsluitend bij de cliënte lag. Dit geldt hier temeer nu de cliënte een consument is waarvan de advocaat wist dat zij over een zeer minimaal inkomen beschikte (studiebeurs). De zorgplicht van de advocaat bracht mee dat hij zich er niet alleen van had moeten vergewissen dat de cliënte daadwerkelijk afstand wilde doen van haar recht op gefinancierde rechtshulp en dit schriftelijk had moeten vastleggen, hetgeen hij heeft gedaan, doch tevens dat hij ervoor diende te waken dat de cliënte te zware financiële verplichtingen op zich nam (vergl. Hof van Discipline 4 maart 1991, Adv.bl. 1991, p. 402).

Het hof wijst in dit verband voorts op de recente uitspraak van het HvJEU van 15 januari 2015, zaak C-537/13, ECLI:EU:C:2015:14, RvdW 2015/403, waarin het HvJEU onder 23 overweegt: "Met betrekking tot overeenkomsten voor juridische dienstverlening als die in het hoofdgeding moet erop worden gewezen dat er wat door advocaten verleende diensten betreft in beginsel sprake is van onevenwichtigheid tussen „cliënten/consumenten” en advocaten, met name omdat de mate waarin zij over informatie beschikken, verschillend is".

De hiervoor bedoelde zorgplicht bracht voorts mee dat de advocaat in een zo vroeg mogelijk stadium aan de cliënte helderheid had moeten worden geven over de (on)mogelijkheden tot verhaal van de te maken kosten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 296
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 401
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2015/92 met annotatie van mr. L.C. Dufour
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.145.745/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 109330/HA ZA 10-1139)

arrest van de eerste kamer van dinsdag 26 mei 2015

in de zaak van

[appellante],

gevestigd te [plaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. R.H. Hulshof, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [plaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. E.T. Panneflek, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van

28 september 2011 van de (toenmalige) rechtbank Leeuwarden.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 27 december 2011,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord,

- een akte van [appellante] (met producties),

- een antwoordakte van [geïntimeerde].

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellante] in hoger beroep luidt:

"… te vernietigen het vonnis van de Rechtbank Leeuwarden van 28 september 2011 (zaak- en rolnummer: 109330/HA ZA 10-1139) met uitzondering van de veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, en opnieuw rechtdoende bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zich bevoegd te verklaren, appellante alsnog ontvankelijk te verklaren in haar vordering, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van dit geding en eveneens tot betaling, zoals (deels) reeds bij dagvaarding in eerste aanleg gevorderd, van:

  1. € 6.646,32, inclusief BTW;

  2. de wettelijke rente van € 2.201,56, inclusief BTW, vanaf 21 augustus 2010 tot de dag der algehele voldoening;

  3. de wettelijke rente over € 4.444,76, inclusief BTW, vanaf 23 oktober 2010 tot de dag der algehele voldoening;

  4. e redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, zijnde € 768,00, althans een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

  5. nakosten voor het geding in eerste aanleg voor het bedrag van € 199,00, te vermeerderen met de wettelijke rente (ex artikel 6:119 B.W.), te berekenen vanaf
    14 dagen na de datum van het Vonnis tot de dag der algehele voldoening, te verminderen met de op 27 december 2010 door [geïntimeerde] betaalde € 700,00 van Declaratie 1, factuurnummer [nummer], primair toe te rekenen op de (redelijke) kosten (ter verkrijging van voldoening buiten rechte), althans subsidiair op de (redelijke) kosten (ter verkrijging van voldoening buiten rechte), de verschenen rente en tenslotte de hoofdsom en de lopende rente in die volgorde;

  6. nakosten voor onderhavig geding voor het bedrag van € 131,00, dan wel – indien betekening van het in deze procedure te wijzen arrest plaatsvindt - € 199,00, te vermeerderen met de wettelijke rente (ex artikel 6:119 B.W.), te berekenen vanaf
    14 dagen na de datum van het arrest tot de dag der algehele voldoening."

3 De feiten

3.1

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2 van het bestreden vonnis een aantal tussen partijen vaststaande feiten weergegeven. Hieromtrent bestaat geen geschil. Aangevuld met enkele andere vaststaande feiten, gaat het om het volgende.

3.2

[advocaat], werkzaam bij [appellante], heeft in opdracht en voor rekening van [geïntimeerde] werkzaamheden verricht bestaande uit rechtskundige bijstand van [geïntimeerde] inzake een geschil dat zij had met de Hogeschool van Amsterdam (hierna: HvA). Het ging daarbij om het maken van bezwaar tegen een aan [geïntimeerde] uitgebracht negatief luidend bindend studieadvies (studiejaar 2010).

3.3

Een jaar eerder (studiejaar 2009) had [geïntimeerde] ook al een negatief bindend studieadvies ontvangen voor dezelfde studie aan de HvA en werd zij toen op basis van een toevoeging eveneens bijgestaan door mr. [advocaat]. Destijds is het bezwaar van [geïntimeerde] gehonoreerd en is het negatief studieadvies vernietigd.

3.4

Ter zake het geschil over het negatief bindende studieadvies over 2010 was

mr. [advocaat] niet bereid om [geïntimeerde] wederom op basis van een toevoeging bij te staan. Dit heeft hij haar bij e-mail van 9 juli 2010 medegedeeld. [geïntimeerde] heeft daarmee ingestemd.

3.5

[geïntimeerde] heeft in een e-mail van 14 juli 2010 aan mr. [advocaat] aangegeven dat als de HvA haar kosten (inclusief advocaatkosten) niet zou betalen, zij de advocaatkosten dan graag zelf zou betalen aan [appellante].

3.6

In de door mr. [advocaat] op 3 augustus 2010 aan [geïntimeerde] verzonden opdrachtbevestiging heeft hij bevestigd dat geen toevoeging zal worden aangevraagd en heeft hij tevens aangegeven dat het [geïntimeerde] vrijstond om zich op elk gewenst moment te wenden tot een advocaat die haar wel op basis van een toevoeging bij zou willen staan. Voorts is in die brief het overeengekomen uurtarief van € 220,- exclusief kantoorkosten, btw en verschotten vermeld. [geïntimeerde] heeft de opdrachtbevestiging voor akkoord ondertekend op 10 augustus 2010.

3.7

[appellante] heeft voor de door mr. [advocaat] verrichte werkzaamheden aan [geïntimeerde] facturen gezonden op 6 augustus 2010, groot € 2.201,56, op 8 oktober 2010, groot € 4.444,76 en op 26 november 2010, groot € 194,26, totaal € 6.840,58. [geïntimeerde] heeft twee betalingen verricht: op 27 december 2010 € 700,- en op 30 december 2010 € 194,26.

3.8

De procedure werd voor [geïntimeerde] winnend afgesloten en [geïntimeerde] is tevreden over de werkzaamheden van mr. [advocaat].

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellante] heeft [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot betaling van het totaal van de hiervoor onder 3.7 genoemde facturen ad € 6.840,58, te verhogen met de wettelijke rente, alsmede buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

4.2

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. Naast andere, hierna te noemen, verweren heeft zij aangevoerd dat de, door haar betwiste, declaraties begroot moeten worden door de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten.

4.3

De rechtbank heeft geoordeeld dat het verweer van [geïntimeerde] een geschil doet ontstaan over de hoogte van het salaris van mr. [advocaat], dat de werkzaamheden van mr. [advocaat] een burgerrechtelijke zaak betroffen en dat krachtens het bepaalde in artikel 32 van de Wet Tarieven in Burgerlijke Zaken (WTBZ) in geval van een geschil over het salaris van de advocaat bij uitsluiting van de gewone rechter de “Raad van toezicht en discipline van de Orde van Advocaten” is belast met de begroting van het salaris. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard en [appellante] in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank heeft [geïntimeerde] veroordeeld in de proceskosten omdat [geïntimeerde] haar bezwaren tegen de facturen op een eerder moment, voorafgaande aan de dagvaarding kenbaar had moeten maken en de kosten van de onderhavige procedure daarom nodeloos zijn gemaakt.

5 De wijziging van eis

5.1

[appellante] heeft in hoger beroep haar eis vermeerderd met een vordering tot vergoeding van de nakosten in eerste aanleg. Tegen deze eiswijziging is als zodanig geen bezwaar aangevoerd. Nu het hof de eiswijziging niet in strijd acht met de beginselen van een goede procesorde, zal het hof recht doen op de gewijzigde eis.

Voorts is de vordering verminderd met de betaalde bedragen van € 700,- en € 194,26.

6 De bespreking van de grieven

6.1

Grief 1 houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de werkzaamheden van mr. [advocaat] een burgerrechtelijke zaak betroffen. Volgens [appellante] betrof het een bestuursrechtelijke zaak, te weten een ingesteld bezwaar/beroep bij het College van Beroep van de Hogeschool van Amsterdam tegen een besluit van de Examencommisie van de opleiding HBO-Rechten van die hogeschool.

Grief 2 houdt in dat de rechtbank zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard vanwege de bijzondere procedure als voorgeschreven in artikel 32 van de Wet Tarieven Burgerlijke Zaken, de zogenaamde begrotingsprocedure, aangezien die procedure niet van toepassing is ingeval van een bestuursrechtelijke procedure. [appellante] heeft daarbij verwezen naar een door haar overgelegde uitspraak van de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten in Leeuwarden d.d. 2 december 2011 (hierna: de Raad) waarin de Raad zich om genoemde reden onbevoegd verklaart de door [appellante] aan [geïntimeerde] verzonden declaraties te begroten.

6.2

Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] heeft erkend dat de werkzaamheden van mr. [advocaat] een bestuursrechtelijke zaak betroffen en dat [geïntimeerde] niet heeft betwist dat artikel 32 van de (per
1 januari 2015 ingetrokken) WTBZ daarom niet van toepassing was en dat de Raad zich om die reden onbevoegd heeft verklaard. Daarmee slagen de grieven. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat het hof zich thans zal buigen over de in eerste aanleg verworpen of niet behandelde verweren van [geïntimeerde].

6.3

Deze verweren worden herhaald in de memorie van antwoord onder 3 tot en met 7 en komen op het volgende neer:

a. De omvang van de declaraties is buiten proporties. De moeilijkheidsgraad van de zaak was niet hoog, mede gelet op het feit dat mr. [advocaat] een jaar eerder een soortgelijke zaak voor [geïntimeerde] had gedaan.

b. Door mr. [advocaat] is voorgehouden dat de kosten van de procedure op de HvA verhaald zouden kunnen worden. Op de website van de HvA staat evenwel dat kosten van een procedure als de onderhavige nimmer vergoed worden. Mr. [advocaat] had dit na een summier onderzoek kunnen weten. Het is dan ook in ieder geval niet redelijk dat de tijd die gemoeid is geweest met het trachten deze kosten op de HvA te verhalen in rekening te brengen. Het gaat om bedragen van € 132,-, € 374,- en € 88,- exclusief btw.

c. De hoeveelheid tijd die voor de zitting in Amsterdam in rekening is gebracht (5:40 uur) is teveel. Maximaal 250 minuten is redelijk. Daarnaast is niet uitgesloten dat gedurende de reistijd declarabel is gewerkt in andere zaken.

d. Een groot deel van de declaraties, zoals omschreven in de conclusie van antwoord, is onduidelijk.

e. Er is geen rekening gehouden met de, kenbare, slechte financiële positie van [geïntimeerde] (student met een studiebeurs). [appellante] had haar tussentijds moeten waarschuwen voor het oplopen van de kosten.

6.4

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Ad c en d

6.5

[appellante] heeft haar declaraties voorzien van uitgebreide specificaties en zij heeft naar aanleiding van de door [geïntimeerde] geuite bezwaren en gestelde vragen haar declaraties in de memorie van grieven uitvoerig toegelicht en grondig onderbouwd. Hiertegenover heeft [geïntimeerde] haar verweer onvoldoende gemotiveerd, zodat het hof dit in zoverre passeert.

Ad a

6.6

In het verlengde daarvan heeft [geïntimeerde] eveneens onvoldoende onderbouwd dat de omvang van de declaraties buiten proporties was en dat de declaraties zich niet verhouden tot de moeilijkheidsgraad van de zaak. [appellante] heeft ook uitgelegd dat de zaak verschilde van die uit 2009, zodat een enkele verwijzing naar die zaak niet volstaat.

Ad b en e

6.7

[appellante] betwist dat mr. [advocaat] aan [geïntimeerde] een toezegging heeft gedaan dat de te maken kosten met gemak op de HvA verhaald zouden kunnen worden. [geïntimeerde], op wie overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv.in deze de bewijslast rust van deze door haar gestelde nadere afspraak, heeft geen hierop toegesneden specifiek bewijsaanbod gedaan, zodat het hof in zoverre aan dit verweer voorbijgaat.

6.8

[appellante] heeft voorts aangevoerd dat [geïntimeerde] van te voren kon bedenken dat het overeengekomen uurtarief voor haar als student hoog is. Daarbij is door mr. [advocaat] aangegeven dat het haar te allen tijde vrij stond de opdracht alsnog aan een andere advocaat op basis van een toevoeging over te dragen. Ook wist zij dat door de inschakeling van een advocaat in [plaats] reisuren en reiskosten voorzienbaar waren in verband met de zitting in Amsterdam.

6.9

Het hof kan deze argumentatie tot zekere hoogte volgen, maar wijst er tevens op dat op [appellante] als deskundige professionele opdrachtnemer jegens [geïntimeerde] een zorgplicht rustte (artikel 7:401 BW), die meebracht dat de verantwoordelijkheid voor het bewaken van de kosten niet uitsluitend bij de cliënte lag. Dit geldt hier temeer nu [geïntimeerde] een consument is waarvan [appellante] wist dat zij over een zeer minimaal inkomen beschikte (studiebeurs). Het hof gaat er daarbij vooralsnog vanuit dat [geïntimeerde] ook in 2010 in aanmerking kwam voor een toevoeging, doch zal hierover ter comparitie nadere inlichtingen inwinnen. De zorgplicht van [appellante] bracht mee dat mr. [advocaat] zich er niet alleen van had moeten vergewissen dat [geïntimeerde] daadwerkelijk afstand wilde doen van haar recht op gefinancierde rechtshulp en dit schriftelijk had moeten vastleggen, hetgeen hij heeft gedaan, doch tevens dat hij ervoor diende te waken dat [geïntimeerde] te zware financiële verplichtingen op zich nam (vergl. Hof van Discipline 4 maart 1991, Adv.bl. 1991, p. 402).

Het hof wijst in dit verband voorts op de recente uitspraak van het HvJEU van
15 januari 2015, zaak C-537/13, ECLI:EU:C:2015:14, RvdW 2015/403, waarin het HvJEU onder 23 overweegt: "Met betrekking tot overeenkomsten voor juridische dienstverlening als die in het hoofdgeding moet erop worden gewezen dat er wat door advocaten verleende diensten betreft in beginsel sprake is van onevenwichtigheid tussen „cliënten/consumenten” en advocaten, met name omdat de mate waarin zij over informatie beschikken, verschillend is".

6.10

De hiervoor bedoelde zorgplicht bracht voorts mee dat [appellante] in een zo vroeg mogelijk stadium aan [geïntimeerde] helderheid had moeten worden geven over de (on)mogelijkheden tot verhaal van de te maken kosten. Dit geldt temeer nu mr. [advocaat] uit de slotregel van de e-mail van [geïntimeerde] d.d. 14 juli 2010 kon afleiden dat zij op dit punt verwachtingen koesterde.

6.11

Ten slotte acht het hof in het kader van de zorgplicht het volgende van belang.

Mr. [advocaat] heeft op 6 augustus 2010 zijn eerste declaratie aan [geïntimeerde] verzonden voor een bedrag van € 2.201,56 met daarop vermeld een betalingstermijn van veertien dagen. [geïntimeerde] heeft niet binnen veertien dagen betaald en heeft in haar e-mail van 26 augustus 2010 aan

mr. [advocaat] (prod. 3 bij inleidende dagvaarding) onder meer heeft geschreven: "Ik heb uw factuur gekregen. Helaas heb ik het bedrag nog niet kunnen overmaken. Het is iets meer dan wat ik van te voren had verwacht. Uiterst volgende week kan ik het bedrag overmaken naar uw rekening." Vervolgens bleef wederom betaling uit. Uit de stukken blijkt niet dat dit voor mr. [advocaat] aanleiding is geweest met [geïntimeerde] contact op te nemen en haar uit te leggen dat in geval van verdere voortzetting van de dienstverlening nog aanzienlijke extra kosten (de volgende nota, die van 8 oktober 2010, bedroeg € 4.444,76) te verwachten vielen. De vraag is of dit wellicht toch is gebeurd en, zo nee, waarom niet.

6.12

Het hof acht bij deze stand van zaken een comparitie van partijen aangewezen, temeer nu [appellante] heeft aangegeven daar het nut wel van in te zien. Deze comparitie zal worden benut om te onderzoeken of en in hoeverre [appellante] invulling heeft gegeven aan de hiervoor bedoelde zorgplicht. Indien en voor zover [appellante] onvoldoende invulling heeft gegeven aan haar zorgplicht als hiervoor bedoeld, zal een inschatting moeten worden gemaakt van wat er zou zijn geschied indien [appellante] dit wel had gedaan. Ook dat zal ter comparitie worden besproken. Ondertussen laat een en ander onverlet dat [geïntimeerde] wist welk uurtarief was afgesproken en wist dat zij een advocaat in [plaats] heeft ingeschakeld voor een zaak in Amsterdam. Zij geeft dan ook zelf aan te beseffen dat zij een honorarium aan [appellante] zal moeten voldoen (MvA sub 3). Het ligt daarom sterk in de rede om in deze zaak een schikking te beproeven, waartoe de comparitie met name ook zal worden benut.

De beslissing

Het gerechtshof:

alvorens verder te beslissen:

beveelt een verschijning van partijen - [geïntimeerde] in persoon, [appellante] deugdelijk vertegenwoordigd, desgewenst vergezeld van de raadslieden - tot het geven van inlichtingen en het beproeven van een schikking;

bepaalt dat deze verschijning van partijen zal worden gehouden in het Paleis van Justitie, Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden, op een nog nader te bepalen dag en uur voor mr. L. Janse, hiertoe benoemd tot raadsheer‑commissaris;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 9 juni 2015 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en – zonodig – van hun raadslieden voor de periode van drie maanden na bovengenoemde rolzitting, waarna de raadsheer-commissaris dag en uur van de verschijning zal vaststellen;

verstaat, voor het geval één van partijen zich tijdens vorenbedoelde comparitie wenst te beroepen op de inhoud van schriftelijke bescheiden, dat deze bescheiden ter comparitie bij akte in het geding moeten worden gebracht, alsmede dat een kopie van die akte uiterlijk veertien dagen voor de datum van de comparitie moeten worden gezonden aan de griffie van het hof en aan de wederpartij;

verstaat dat het hof de overgelegde procesdossiers onder zich zal houden en dat partijen het onderhavige arrest en de daarna te wisselen processtukken aanvullend dienen te fourneren indien opnieuw arrest wordt gevraagd.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. G. van Rijssen en mr. M.M.A. Wind en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 26 mei 2015.