Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:3711

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-05-2015
Datum publicatie
11-06-2015
Zaaknummer
200.141.675
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2013:5426, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Advocatendeclaraties; arbitrale vonnissen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvA 2015/77
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.141.675

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 336183)

arrest van de tweede kamer van 26 mei 2015

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [plaatsnaam],

appellante,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. R.M. Berendsen,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[de vennootschap] ,

gevestigd te [plaatsnaam],

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. [persoon 1]

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 3 april 2013 en 6 november 2013 die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 4 februari 2014, met grieven,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.14 van het vonnis van 6 november 2013.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Het gaat in dit geding kort gezegd om het volgende. [appellante] heeft [geïntimeerde] benaderd voor het doen verrichten van juridische werkzaamheden. [geïntimeerde] heeft [appellante] een opdrachtbevestiging gezonden, waarop [appellante] heeft gereageerd. Kort daarna heeft [geïntimeerde] in opdracht van [appellante] beslag laten leggen en heeft zij een kort geding geëntameerd. [geïntimeerde] heeft [appellante] declaraties gezonden voor haar werkzaamheden, die [appellante] gedeeltelijk heeft betaald. Na een verloren kort geding heeft [geïntimeerde] de Geschillencommissie Advocatuur (hierna: GCA) verzocht om [appellante] bij bindend advies of arbitraal vonnis te veroordelen tot betaling van € 12.244,16 aan openstaande facturen. Bij arbitraal tussenvonnis van 9 augustus 2012 verklaarde de GCA [appellante] niet-ontvankelijk in haar wrakingsverzoek en achtte zij zichzelf bevoegd om van het geschil kennis te nemen. Bij arbitraal eindvonnis van 2 november 2012 is [appellante] veroordeeld tot betaling zoals gevorderd. In het onderhavige geding vordert [appellante] vernietiging van de arbitrale vonnissen. De rechtbank wees de vordering af. [appellante] voert daartegen in hoger beroep drie grieven aan.

4.2

De eerste grief is gericht tegen de overweging van de rechtbank (rov. 4.4) dat er geen aanleiding is om te concluderen dat op [geïntimeerde] een onderzoeksplicht rustte om vast te stellen of de wil van [appellante] (tot het geven van de opdracht aan [geïntimeerde]) overeenkwam met haar stilzwijgende verklaring en dat [appellante] geen omstandigheden heeft genoemd die hiertoe zouden nopen. [appellante] voert aan dat zij in de dagvaarding sub 12 wel dergelijke omstandigheden heeft aangevoerd, namelijk dat [geïntimeerde] in haar opdrachtbevestiging om expliciete toestemming heeft gevraagd door te verzoeken om terugzending van een voor akkoord ondertekend exemplaar. [appellante] heeft geen voor akkoord ondertekend exemplaar teruggezon-den. Daarom had [geïntimeerde] aan [appellante] moeten vragen waarom zij de opdrachtbevestiging niet had aanvaard en nader onderzoek te doen naar het uitblijven van die expliciete aanvaarding.

4.3

Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] bij brief van 24 december 2010, ook verzonden per e-mail, aan [appellante] onder meer schreef:

“Ik heb aangegeven dat beslag kan worden gelegd op de aandelen …(die voor 55% aan u zijn toegezegd) alsmede op de inboedel … Een concept verzoekschrift zal ik u zo spoedig mogelijk toesturen …

Opdrachtbevestiging

Deze brief is eveneens bedoeld om tussen ons vast te leggen welke voorwaarden op onze dienstverlening van toepassing zijn …

Bij deze brief voeg ik onze algemene voorwaarden. Onder deze voorwaarden zullen de werkzaamheden worden verricht …

Met vriendelijke groeten, Voor akkoord:

[persoon 1] [appellante]

Namens [de vennootschap]

4.4

Bij e-mailbericht van 25 december heeft [appellante] de opdrachtbevestiging met algemene voorwaarden teruggezonden. Zij heeft aan het inhoudelijke deel van de brief toegevoegd: 55% behoort aan mij toe, 60% is toegezegd. Vervolgens is het beslag gelegd en het kort geding geëntameerd.

4.5

Uit de omstandigheid dat [appellante] de opdrachtbevestiging per e-mail heeft geretourneerd, voorzien van een enkel woord van inhoudelijk commentaar, mocht [geïntimeerde] afleiden dat [appellante] met die opdrachtbevestiging en de daarbij toegezonden algemene voorwaarden akkoord ging.EThET GA

[appellante] heeft immers noch in die e-mail, noch later aangegeven dat zij het daarmee niet eens was, en zij heeft [geïntimeerde] ook zonder protest laten voortgaan met de uitvoering van de werkzaamheden. [geïntimeerde] behoefde dan ook niet te betwijfelen dat [appellante] de opdrachtbeves-tiging had geaccepteerd, en zij behoefde daarnaar ook geen nader onderzoek te doen. De omstandigheid dat in de opdrachtbevestiging is vermeld “voor akkoord … [appellante]” maakt dat niet anders. Weliswaar ging [geïntimeerde] er kennelijk vanuit dat [appellante] de opdrachtbevestiging voor akkoord ondertekend zou retourneren, maar daarmee is niet uitgesloten dat tussen partijen ook mondeling of stilzwijgend overeenstemming zou kunnen worden bereikt. [geïntimeerde] had voldoende reden om aan te nemen dat dat in dit geval was gebeurd, nu [appellante] de opdrachtbevestiging per e-mail had teruggezonden en van commentaar had voorzien. Grief 1 faalt daarom.

4.6

Met grief II betoogt [appellante] dat zij, anders dan de rechtbank in rov. 4.7 heeft overwogen, de kern van haar verweer ter zitting van de GCA niet heeft kunnen toelichten. Onder verwijzing naar het proces-verbaal van de comparitie bij de rechtbank voert zij aan dat haar raadsman wel het woord is gegeven, maar dat hij onvoldoende de gelegenheid kreeg om het standpunt van [appellante] voor te dragen; als hij in de stukken bladerde werd hem verboden om uit het aanvullend verweerschrift voor te lezen. Door deze gang van zaken was de raadsman onvoldoende voorbereid en onvoldoende in staat om het standpunt van [appellante] uiteen te zetten. [appellante] betoogt dat nu haar niet de gelegenheid is geboden om haar stellingen nader te adstrueren, sprake is van schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

4.7

Het hof stelt vast dat aan de bedoelde zitting bij de GCA een en ander is voorafgegaan. Bij brief van 30 januari 2012 van haar raadsman heeft [appellante] bezwaar gemaakt tegen de inhoud van een brief waarin de GCA haar heeft verzocht om een vragenformulier ingevuld te retourneren en een bedrag in depot te storten. Nadat op 9 augustus 2012 het arbitraal tussenvonnis was gewezen, waarin het bezwaar van [appellante] is verworpen, heeft de GCA bij brief van 9 augustus 2012 [appellante] de gelegenheid gegeven binnen 14 dagen inhoudelijk op de klacht van [geïntimeerde] te reageren en bij brief van 30 augustus 2012 [appellante] 14 dagen uitstel verleend voor het indienen van een nader verweerschrift. [appellante] heeft een nader verweerschrift opgesteld, gedateerd 5 september 2012, en heeft dat per VIP Post verzonden. De koerier van VIP Post heeft verklaard dat hij dat stuk op 5 september 2012 heeft bezorgd in de brievenbus op [het adres 1] te [plaatsnaam]. De GCA heeft partijen bij brief van 17 september 2012 uitgenodigd voor een zitting op 3 oktober 2012. Op die zitting bleek dat het aanvullend verweerschrift door de GCA niet was ontvangen. De GCA overwoog in haar arbitraal eindvonnis dat het nadere verweerschrift haar niet bekend is en geen deel uitmaakt van de processtukken, dat de advocaat van [appellante] niet om aanhouding heeft gevraagd en dat hij ter zitting in de gelegenheid is gesteld om het verweer nader toe te lichten.

4.8

Naar het oordeel van het hof is met de aldus geschetste gang van zaken het beginsel van hoor en wederhoor niet geschonden. [appellante] is in de gelegenheid gesteld om een aanvullend verweerschrift in te dienen. Dat dat verweerschrift de GCA niet heeft bereikt, wekt geen verbazing, nu dat kennelijk niet op het juiste adres is bezorgd, namelijk te [plaatsnaam] op de [het adres 1] in plaats van [het adres 2] waar de GCA kantoor houdt. Die omstandigheid komt voor risico van [appellante], die het stuk heeft doen verzenden. Vervolgens heeft de GCA kennelijk niet toegestaan dat de raadsman van [appellante] ter zitting het stuk alsnog indiende, noch dat hij dat stuk voorlas. Nu de GCA en de wederpartij het aanvullend verweerschrift (en de bijlagen daarbij) niet tevoren hadden kunnen bestuderen, is die beslissing correct; zonder voorbereiding zou de wederpartij onvoldoende gelegenheid hebben gehad om op eventuele nieuwe verweren adequaat te kunnen reageren. Uit de stellingen van [appellante] blijkt onvoldoende waarom de raadsman niet in staat zou zijn geweest om haar verweer mondeling ter zitting nader toe te lichten, noch welke relevante verweren in het verweerschrift waren opgenomen, die hij ter zitting niet heeft kunnen aanvoeren. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de raadsman, zoals hij zelf ook heeft verklaard, ter zitting de gelegenheid heeft gekregen gesteld om het verweer toe te lichten. Dit oordeel wordt niet anders doordat de raadsman, zoals [appellante] stelt, onvoldoende tijd kreeg om ter zitting van de GCA in het dossier te zoeken naar de kern van het verweer. Daarom faalt grief II.

4.9

Grief III (kennelijk abusievelijk eveneens grief II genoemd) is gericht tegen de overweging van de rechtbank (rov. 4.7) dat een verzoek om aanhouding [appellante] de gelegenheid had geboden alsnog haar nadere verweer in uitgebreidere vorm, mondeling dan wel schriftelijk, naar voren te brengen. [appellante] voert aan dat uit het arbitraal eindvonnis niet blijkt dat op een verzoek om aanhouding positief zou zijn beslist; dat is ook niet begrijpelijk omdat de GCA weigerde in te stemmen met indiening ter zitting. Omdat de raadsman het stuk niet mocht indienen en dat ook niet mocht voorlezen, dacht hij dat het vragen van een nadere aanhouding zinloos zou zijn.

4.10

Uit de omstandigheid dat in het arbitraal eindvonnis is vermeld dat de raadsman niet om aanhouding heeft verzocht, leidt het hof af dat de GCA die omstandigheid van belang heeft geacht bij haar beslissing om de zaak af te doen zonder kennis te nemen van het aanvullend verweerschrift. Of de GCA een verzoek om aanhouding wel of niet zou hebben ingewilligd, kan niet meer worden vastgesteld, maar dat doet ook niet terzake. Zou een eventueel verzoek om aanhouding zijn geweigerd, dan zou in deze procedure de vraag voorliggen of de GCA door die weigering het beginsel van hoor en wederhoor zou hebben geschonden. Nu evenwel vaststaat dat een dergelijk verzoek om aanhouding niet is gedaan, wordt aan deze vraag niet toegekomen en behoeft deze in dit geding geen beantwoording. De grief wordt daarom verworpen.

5 Slotsom

5.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Die kosten worden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op

- griffierecht € 704,-

- salaris advocaat € 894,- (1 punt x tarief II)

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 6 november 2013;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 704,- voor verschotten en op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest (voor zover het de veroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, L.M. Croes en A.E.B. ter Heide en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2015.