Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:3685

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-05-2015
Datum publicatie
26-05-2015
Zaaknummer
200.154.955/01 en 200.154.957/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging convenant. Misbruik van omstandigheden niet aangetoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/324
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.154.955/01 en 200.154.957/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C18/142782 / FA RK 13-1857)

beschikking van de vijfde kamer van 12 mei 2015

inzake

[verzoeker],

wonende te [A],

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. F.S. Cuperus, kantoorhoudend te Heerenveen,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [B],

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.H. Heeg, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 21 januari 2014, 15 april 2014 en 27 mei 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 27 augustus 2014, is de man in hoger beroep gekomen van de beschikking van 27 mei 2014. De man verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- te verklaren voor recht dat de door de man voor akkoord verklaarde brief c.q. overeenkomst d.d. 22 april 2014 vernietigbaar is;

- te bepalen dat de man wordt belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over beide kinderen, subsidiair partijen te veroordelen tot nakoming van hetgeen ten aanzien van de kinderen is bepaald in het echtscheidingsconvenant d.d. 1 september 2012;

- partijen te veroordelen tot nakoming van de verdeling van de gemeenschap/huwelijkse voorwaarden conform de tussen partijen gemaakte afspraken in het echtscheidingsconvenant van 1 september 2012 met bijlagen en de nadere afspraken d.d. 23 september 2012;

- te bepalen dat de man niet tot afgifte van de administratie en goederen van de vrouw aan de vrouw hoeft over te gaan en tevens te gelasten dat partijen overgaan tot het verdelen van de goederen conform de verdeelstaat behorende bij het echtscheidingsconvenant tevens vaststellingsovereenkomst tevens ouderschapsplan;

- te bepalen dat de vrouw aan de man als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud voor iedere eerste van de maand een bijdrage van € 2.000,-- aan de man dient te voldoen;

- dat het hof in deze een beslissing neemt zoals het hof in goede justitie vermeent te behoren;

- de vrouw te veroordelen in de kosten van zowel dit geding als het geding in eerste aanleg vermeerderd met de nakosten.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 8 december 2014, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden en verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep dan wel het hoger beroep af te wijzen en de beschikking van 27 mei 2014, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van gronden, te bekrachtigen met veroordeling van de man in de kosten van dit geding vermeerderd met de nakosten.

2.3

Ter griffie van het hof zijn voorts binnengekomen:

- op 29 oktober 2014 een journaalbericht van 27 oktober 2014 met bijlage (te weten: het proces-verbaal van de zitting van 27 maart 2014) van mr. Cuperus;

- op 24 maart 2015 een journaalbericht van 23 maart 2015 met bijlagen van mr. Heeg;

- op 25 maart 2015 een journaalbericht van 24 maart 2015 met bijlagen (te weten: de stukken inzake de artikel 12 Sv procedure van de man bij dit hof) van mr. Cuperus.

2.4

De minderjarigen [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1]) en [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2]) zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken met betrekking tot de door de man verzochte wijziging van het gezag. Zij hebben dit bij brief van 7 april 2015 gedaan.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 9 april 2015 plaatsgevonden. De man is niet verschenen. Mr. Cuperus heeft namens hem het woord gevoerd. De vrouw is wel verschenen, bijgestaan door haar advocaat.

2.6

Mr. Heeg heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van een door haar overgelegde pleitnotitie. Het hof heeft mr. Cuperus niet toegestaan de door de man opgestelde pleitnotitie over te leggen en woordelijk voor te dragen, daar deze pleitnotitie

28 pagina's besloeg en derhalve strijdig is met artikel 1.4.5. van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven. Mr. Cuperus heeft ter zitting de standpunten van de man in zijn pleitnotitie samengevat weergegeven.

3 De vaststaande feiten en de procedure in eerste aanleg

3.1

Partijen zijn [in] 2000 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren, te weten: [de minderjarige1] [in] 2000 te [B] en [de minderjarige2] [in] 2002 te [C]. Partijen waren - tot de beschikking waarvan beroep - van rechtswege belast met het gezamenlijk gezag over voornoemde kinderen.

3.2

De vrouw heeft de rechtbank bij inleidend verzoekschrift, ingekomen bij de griffie van de rechtbank op 15 augustus 2013, verzocht - kort gezegd en voor zover hier van belang - om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken, primair de vrouw met het eenhoofdig gezag over de kinderen te belasten en de man het recht op omgang met de kinderen te ontzeggen voor onbepaalde tijd dan wel subsidiair, in het geval het gezamenlijk gezag in stand blijft, het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw te bepalen en de zorgregeling tussen de man en de kinderen voor onbepaalde tijd te schorsen.

3.3

De man heeft de rechtbank bij verweerschrift, tevens houdende een zelfstandig verzoek, ingekomen bij de griffie van de rechtbank op 19 november 2013, verzocht de verzoeken van de vrouw, met uitzondering van het echtscheidingsverzoek, af te wijzen en primair de man met het eenhoofdig gezag over de kinderen te belasten, subsidiair partijen te veroordelen tot nakoming van hetgeen ten aanzien van de kinderen is bepaald in het echtscheidingsconvenant d.d. 1 september 2012 en partijen te veroordelen tot nakoming van de verdeling van de gemeenschap conform de tussen partijen gemaakte afspraken in het convenant van 1 september 2012 en de nadere afspraak d.d. 23 september 2012 en deze regeling in de te wijzen beschikking op te nemen.

3.4

De vrouw heeft tegen het zelfstandig verzoek van de man verweer gevoerd bij verweerschrift, ingekomen bij de griffie van de rechtbank op 13 januari 2014 en verzocht primair de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren dan wel deze af te wijzen en subsidair te bepalen dat partijen tot de afwikkeling van hun huwelijkse voorwaarden dienen over te gaan met benoeming van een boedelnotaris en een onzijdig persoon, alsmede (zowel primair als subsidiair) voor recht te verklaren dat de volgens de man tussen partijen in september 2012 dan wel in een ander tijdvak gesloten overeenkomsten, indien er sprake zou zijn van rechtsgeldige overeenkomsten, nietig zijn dan wel door de vrouw rechtsgeldig zijn vernietigd dan wel deze overeenkomsten in deze procedure te vernietigen en meer subsidiair te bepalen dat partijen op basis van hun huwelijkse voorwaarden op elkaar geen vorderingen hebben en voor zover nodig het beroep van de vrouw op verrekening van de door de man verbeurde dwangsommen aan de vrouw met een eventuele vordering van de man op de vrouw te honoreren.

3.5

Bij beschikking van 21 januari 2014 heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en iedere verdere beslissing aangehouden. De echtscheiding is ingeschreven op 8 mei 2014, waardoor het huwelijk van partijen is ontbonden.

3.6

De rechtbank heeft bij beschikking van 15 april 2014 - voor zover hier van belang - iedere beslissing aangehouden en de Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een onderzoek in te stellen naar het gezag en de mogelijkheden van contact tussen de man en de kinderen.

3.7

Bij beschikking van 27 mei 2014 heeft de rechtbank - conform een tussen partijen op 22 april 2014 gesloten overeenkomst - als volgt beslist:

"bepaalt dat de vrouw met uitsluiting van de man wordt belast met het gezag over de minderjarigen:

[de minderjarige1], geboren [in] 2000 te [B], en

[de minderjarige2], geboren [in] 2002 te [C];

stelt vast dat partijen zijn overeengekomen dat er geen omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen zal plaatsvinden;

stelt vast dat de man afstand heeft gedaan van een eventueel recht op partneralimentatie voor nu en in de toekomst;

stelt vast dat de man heeft erkend dat de onderlinge overeenkomsten die volgens de man gesloten zouden zijn met het oog op de echtscheiding en die een regeling bevatten omtrent vermogensverdeling, omgang etc. dan wel met betrekking tot [D] B.V. geen enkele rechtskracht hebben vanwege vernietiging vormgegeven in de partijen genoegzaam betekende brief van 8 juli 2013 (de man berust in de vernietiging) dan wel als ontbonden beschouwd kunnen worden;

stelt vast dat partijen over de wijze van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden met elkaar het volgende hebben afgesproken;

* de onroerende zaken, welke enkel op naam van de vrouw staan, komen volledig zonder verrekening aan de vrouw toe. Het gaat dan om de echtelijke woning aan de [a-straat] 9B te [A], het pand te [E] aan de [b-straat] 89 en het pand te [F] aan de [c-straat] 16A. De vrouw heeft € 200.000,-- in de echtelijke woning geïnvesteerd, welke gelden waren verkregen uit schenking onder uitsluitingsclausule. De hypotheek beloopt thans

€ 295.000,-- en daarnaast heeft zij een bedrag van € 50.000,-- geïnvesteerd met leningen uit haar BV's. Aangezien de verwachte verkoopwaarde € 530.000,-- is, is er geen overwaarde. De bedrijfspanden zijn uit de erfenis onder een uitsluitingsclausule verkregen en zijn derhalve thans ook privé-eigendom van de vrouw en dat blijven ze ook. De man ziet af van enige claim op de echtelijke woning en/of de bedrijfspanden. De hypothecaire geldlening zoals gevestigd op de echtelijke woning neemt de vrouw volledig voor haar rekening (er rust geen lening op de bedrijfspanden).

* ten aanzien van de vennootschappen hebben partijen afgesproken dat ieder zijn of haar aandelen behoudt. Aan de vrouw komt dan toe de aandelen in "[G] B.V." en [H] B.V. (laatstgenoemde vennootschap is enig aandeelhouder van [I] B.V.). De vrouw zal zelf de schulden voldoen voor [H] B.V., [I] B.V. en [G] B.V. Aan de man komen toe de aandelen in [J].com en [D] B.V. De man zal zelf de schulden voldoen voor deze B.V.'s.

* verder zullen partijen ieder hun eigen schulden bij de bank dan wel bij derden, zoals persoonlijke kredieten, voor hun rekening nemen en dragen. Eventuele saldi op bank- of spaarrekeningen komen toe aan degene op wiens naam de rekening staat. Er zijn, voor zover de vrouw bekend, geen kapitaal- of lijfrenteverzekeringen of andere verzekeringen met een waarde waarbij de man of de vrouw als rechthebbende zijn betrokken. Eveneens zijn er geen aandelen anders dan hiervoor genoemd, obligaties of andere financiële producten in geding.

* de man zal de inboedel en administratie van de vrouw, waaronder de antieke klok van haar vader aan de vrouw retourneren.

* partijen zien af van aanspraken (dus geen verevening of verrekening) op elkaars ouderdoms- en nabestaandenpensioen, opgebouwd vóór of tijdens het huwelijk

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte."

4 De motivering van de beslissing

de ontvankelijkheid

4.1

De vrouw verzoekt het hof om - gelet op hetgeen onder 1.2.7 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven staat opgenomen - een expliciet oordeel te geven over de ontvankelijkheid van het hoger beroep, aangezien het procesdossier niet compleet is aangeleverd door de man. Zo ontbreekt volgens de vrouw onder meer het proces-verbaal van 27 maart 2014, de brief van de Raad voor de Kinderbescherming d.d.

8 mei 2014 en het faxbericht van mr. Brandsma d.d. 25 april 2014.

4.2

Het hof ziet in hetgeen de vrouw heeft aangevoerd geen aanleiding om de man in zijn verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, temeer nu de ontbrekende stukken waarnaar de vrouw verwijst alsnog tijdig in het geding gebracht zijn namens de man (te weten: het proces-verbaal van 27 maart 2014 en de brief van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 8 mei 2014) dan wel namens de vrouw (te weten: het faxbericht van mr. Brandsma van 25 april 2014).

de nagekomen stukken

4.3

Zoals het hof reeds ter zitting heeft medegedeeld is het hof niet gehouden om kennis te nemen van producties die zonder nadere toelichting, met andere woorden: zonder een begeleidend schrijven waarin gemotiveerd naar de betreffende producties wordt verwezen, in het geding zijn gebracht. Dit betekent dat de bijlagen gevoegd bij het journaalbericht van

24 maart 2014 van mr. Cuperus buiten beschouwing zullen worden gelaten, voor zover naar die bijlagen niet uitdrukkelijk is verwezen.

de grieven

4.4

De grieven van de man richten zich tegen de in de bestreden beschikking opgenomen overeenkomst tussen partijen d.d. 22 april 2014 (grief 1), de beslissing omtrent de afgifte van de administratie van de vrouw (grief 2) en de door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de man (grief 3).

4.5

De grieven zullen per onderwerp worden besproken.

de overeenkomst d.d. 22 april 2014

4.6

Het hof zal allereerst de meest verstrekkende grief van de man bespreken, namelijk de grief die zich richt tegen de in de bestreden beschikking opgenomen overeenkomst tussen partijen d.d. 22 april 2014.

4.7

In de in geschil zijnde overeenkomst d.d. 22 april 2014 hebben partijen - kort gezegd - afspraken gemaakt over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, het gezag over de kinderen, de omgang tussen de man en de kinderen en de door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de man.

4.8

De man stelt in deze grief - samengevat - de rechtsgeldigheid van de tussen partijen gesloten overeenkomst d.d. 22 april 2014 aan de orde. Hij is van mening dat de overeenkomst d.d. 22 april 2014 op grond van artikel 3:44 lid 1 BW vernietigbaar is, aangezien er volgens hem ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst sprake is geweest van misbruik van omstandigheden dan wel misbruik van recht aan de zijde van de vrouw. De man geeft aan dat hij op dat moment op vordering van de vrouw werd gegijzeld waardoor hij in paniek is geraakt. Dat heeft er toe geleid dat hij zijn advocaat opdracht heeft gegeven om een schikkingsvoorstel te beproeven zodat de gijzeling zou kunnen worden beëindigd. Hij is, naar eigen zeggen, onder druk van de gijzeling akkoord gegaan met het schikkingsvoorstel van de vrouw en haar advocaat. De man stelt dat de overeenkomst d.d.

22 april 2014 bovendien zodanig afwijkt van de eerder tussen partijen gesloten overeenkomsten dat het volgens hem evident is dat de rechtbank niet zonder meer de rechtsgeldigheid van de overeenkomst d.d. 22 april 2014 heeft mogen aannemen. Tot slot geeft de man aan dat zijn toenmalige advocaat mr. Brandsma de overeenkomst d.d. 22 april 2014 op 25 april 2014 tegen zijn wil aan de rechtbank heeft doen toekomen.

4.9

De vrouw betwist dat er sprake is geweest van misbruik van omstandigheden. De man is strafrechtelijk veroordeeld voor belaging van de vrouw en de kinderen. Desalniettemin is de man doorgegaan met het zoeken van contact met de vrouw en de kinderen. De man had reeds een bedrag ter hoogte van € 138.500,-- aan dwangsommen verbeurd. De vrouw geeft aan dat zij tot tenuitvoerlegging van de gijzeling is overgegaan om de man te dwingen om zich aan de rechterlijke verboden (te weten: een publicatie-, contact- en straatverbod) te houden. Hij heeft het derhalve aan zichzelf te wijten dat hij in het huis van bewaring moest verblijven. De vrouw geeft aan dat de man zijn stelling dat hij in paniek is geraakt bovendien op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Zij bestrijdt dit dan ook ten stelligste. Het was volgens haar niet de eerste keer dat de man in het huis van bewaring verbleef. Van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 3:44 lid 4 BW is volgens de vrouw dan ook geen sprake. Daarbij komt dat de gijzeling op 16 april 2014 is aangevangen. Mr. Brandsma (de toenmalige advocaat van de man) heeft de advocaat van de vrouw op 17 april 2014 bericht dat de man wilde schikken. Aan de vrouw is verzocht om een schikkingsvoorstel te doen. Aanvankelijk wilde de vrouw dit niet, doch na enig aandringen heeft de vrouw op

18 april 2014 een schikkingsvoorstel via haar advocaat aan de advocaat van de man doen toekomen. Het aanbod van de vrouw was veertien dagen geldig. De vrouw heeft in haar voorstel geen link gelegd tussen de vrijlating van de man en de acceptatie van het door haar gedane voorstel. Het initiatief tot het sluiten van de overeenkomst is volgens de vrouw uitgegaan van de man, zodat er geen sprake is van misbruik van omstandigheden aan haar zijde. De overeenkomst d.d. 22 april 2014 hield volgens haar tevens in dat de man de reeds verbeurde dwangsommen niet (langer) aan de vrouw hoefde te voldoen indien hij zich tevens zou houden aan de gestelde voorwaarden. De man had derhalve wel degelijk een belang bij het ondertekenen van de overeenkomst d.d. 22 april 2014, aldus de vrouw. Door middel van het sluiten van de overeenkomst zou de man verlost zijn van zijn enorme schuldenlast aan de vrouw, nu de vordering van de vrouw op de man vanwege zijn schadeplichtig handelen boven het bedrag uitsteeg dat de man van de vrouw diende te ontvangen in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen. Volgens de vrouw dient ieder beroep van de man op een ontoereikende volmacht te falen op grond van artikel 3:61 lid 2 BW. De vrouw stelt dat zij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat de volmacht van de advocaat van de man, destijds mr. Brandsma, toereikend was. Zij geeft aan dat

mr. Brandsma op 25 april 2014 nog de advocaat was van de man. Pas vanaf 28 april 2014 trad mr. Brandsma niet meer op als advocaat van de man.

4.10

Het hof is van oordeel dat de eerste grief van de man dient te falen en overweegt daartoe als volgt.

4.11

Volgens artikel 3:44 lid 4 BW is misbruik van omstandigheden aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.

4.12

Het hof begrijpt dat de man zich op het standpunt stelt dat er ten tijde van het tot stand komen van de overeenkomst d.d. 22 april 2014 sprake was van een abnormale geestestoestand, te weten de door hem gestelde paniektoestand. Het hof is van oordeel dat het op de weg van de man ligt om aannemelijk te maken dat er ten tijde van het tot stand komen van de overeenkomst d.d. 22 april 2014 sprake was van een abnormale geestestoestand. Hij is hierin, naar het oordeel van het hof, niet geslaagd mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw. De man stelt weliswaar dat hij in paniek is geraakt, doch hij heeft zijn stelling op geen enkele wijze onderbouwd en door de man is evenmin een bewijsaanbod gedaan op dit punt. Voor zover de man zich op het standpunt heeft gesteld dat in de onderhavige zaak een abnormale geestestoestand dient te worden aangenomen op grond van het enkele feit dat de man in een huis van bewaring heeft verbleven in het kader van een door de vrouw gevorderde gijzeling, volgt het hof hem daarin niet.

4.13

Nu het beroep van de man op de door hem gestelde vernietigingsgrond niet wordt gehonoreerd, komt het hof niet toe aan hetgeen de vrouw in het kader van artikel 3:55 lid 1 BW heeft aangevoerd.

4.14

De stelling van de man dat mr. Brandsma tegen zijn wil de overeenkomst aan de rechtbank heeft overhandigd, vindt geen steun in de stukken. Immers, uit het handgeschreven faxbericht van 22 april 2014 van de man blijkt dat hij mr. Brandsma onvoorwaardelijk gemachtigd heeft tot het tekenen van de overeenkomst met de vrouw namens hem. De man is op 22 april 2014 in vrijheid gesteld. Op 25 april 2014 heeft mr. Brandsma, onder verwijzing naar de brief van mr. Heeg van 23 april 2014, aan de rechtbank verzocht om de inhoud van de overeenstemming in de beschikking op te nemen en de namens de man ingediende zelfstandige verzoeken voor zoveel nodig ingetrokken. De man heeft pas bij faxbericht van 28 april 2014 aan de rechtbank laten weten dat hij zijn advocaat heeft ontslagen. Uit de reactie van mr. Brandsma aan de man van diezelfde datum blijkt onder meer dat er aanvankelijk is ingezet op een kort geding om de gijzeling te beëindigen, doch dat de man er zelf voor gekozen heeft om die weg niet in te slaan, maar volledig aan de wensen van de vrouw tegemoet te komen. Mr. Brandsma geeft aan de consequenties uitvoerig met de man te hebben besproken. De suggestie van mr. Brandsma om de wijziging van het gezag en de regeling van de vermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding te scheiden, heeft de man eveneens van de hand gewezen.

4.15

Gelet op het vorenstaande zal het verzoek van de man om nakoming te bepalen van hetgeen partijen in onderling overleg in diverse overeenkomsten (te weten: de afspraken tussen partijen in het convenant van 1 september 2012 en de nadere afspraak tussen partijen van 23 september 2012) zijn overeengekomen, worden afgewezen. Hetgeen de vrouw heeft ingebracht tegen de door de man genoemde overeenkomsten, kan derhalve eveneens onbesproken blijven.

4.16

Voor zover de man zich in hoger beroep subsidiair op het standpunt stelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, op grond waarvan de tussen partijen ondertekende overeenkomst d.d. 22 april 2014 op het punt van het gezag over de kinderen, de omgangsregeling tussen de man en de kinderen en de partneralimentatie gewijzigd dient te worden, overweegt het hof als volgt.

het gezag over de kinderen

4.17

Mr. Cuperus heeft ter zitting namens de man verklaard dat de man - anders dan in het petitum van zijn beroepschrift staat vermeld - niet met het eenhoofdig gezag over de kinderen belast wenst te worden, doch dat hij wil dat de beslissing omtrent het gezag zodanig wordt gewijzigd, dat de man (wederom) tezamen met de vrouw het ouderlijk gezag over de kinderen zal uitoefenen.

4.18

Op grond van artikel 1:253o BW kan een beslissing waarbij een ouder alleen met het gezag is belast (daaronder begrepen de beslissing op grond van artikel 1:251a BW) op verzoek van één van de ouders worden gewijzigd op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Dergelijke gronden zijn door of namens de man in het geheel niet aangevoerd. Het verzoek van de man is derhalve, naar het oordeel van het hof, onvoldoende onderbouwd. Dit brengt met zich dat zijn verzoek om de beslissing omtrent het gezag te wijzigen reeds om die reden dient te worden afgewezen.

de omgangsregeling tussen de man en de kinderen

4.19

Hoewel partijen in de overeenkomst d.d. 22 april 2014 zijn overeengekomen dat de man geen omgang met de kinderen zal hebben, kan een dergelijke onderling getroffen regeling op grond van artikel 1:377e BW worden gewijzigd op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

4.20

Uit het petitum van het beroepschrift - waarin wordt verwezen naar de afspraken in het convenant van 1 september 2012 - en de toelichting van mr. Cuperus ter zitting blijkt dat de man een omgangsregeling met de kinderen wil waarbij de kinderen even veel tijd bij de vrouw als bij de man doorbrengen. Echter, de man beseft, zo heeft mr. Cuperus ter zitting aangegeven, dat het thans niet mogelijk is om een dergelijke omgangsregeling vorm te geven onder meer vanwege de afstand tussen de woon- en/of verblijfplaatsen van partijen en het feit dat er al geruime tijd geen sprake is geweest van omgang tussen de man en de kinderen. De man verzoekt het hof daarom om de Raad voor de Kinderbescherming in te schakelen om de kinderen te horen over de omgang met de man en om te bewerkstellingen dat de omgang tussen de man en de kinderen weer wordt opgebouwd.

4.21

De vrouw geeft aan dat het juist in het belang van de kinderen is dat er momenteel eerst rust komt nu er gedurende langere periode sprake is geweest van onrust. Ter zitting heeft de vrouw onweersproken verklaard dat er reeds uitgebreide contacten met Jeugdzorg zijn geweest, waarbij Jeugdzorg gepoogd heeft de omgang tussen de man en de kinderen (weer) op gang te brengen, waarop de man niet is ingegaan.

4.22

Het hof stelt vast dat gesteld noch gebleken is dat er sprake is van één van de onder rechtsoverweging 4.19 genoemde wijzigingsgronden. Daarenboven is het, naar het oordeel van het hof, niet in het belang van de kinderen om hen thans (opnieuw) aan een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming te onderwerpen. De kinderen zijn reeds in eerste aanleg gehoord en ook in hoger beroep zijn de kinderen in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. De kinderen (die thans 15 en 13 jaar oud zijn) hebben aangegeven dat zij op dit moment geen omgangsregeling met de man willen, maar zelf contact met de man willen opnemen als zij daar aan toe zijn. Gelet op de inhoud van het dossier, is het hof van oordeel dat er eerst rust voor de kinderen dient te komen, zodat er op termijn weer ruimte kan ontstaan voor (het opbouwen van de) omgang tussen de man en de kinderen. Het hof zal de verzoeken van de man die zien op de (wijziging van de) omgangsregeling dan ook afwijzen.

de partneralimentatie

4.23

Aangezien de derde grief van de man verband houdt met zijn subsidiaire standpunt in de eerste grief omtrent het wijzigen van de overeenkomst d.d. 22 april 2014 op het punt van de partneralimentatie, zal het hof deze grieven voor zover die zien op de partneralimentatie gelijktijdig behandelen.

4.24

Zowel in de overeenkomst d.d. 22 april 2014 als in het convenant d.d. 1 september 2012 hebben partijen met elkaar afgesproken dat zij over en weer van partneralimentatie zullen afzien. De man meent dat de afspraak omtrent de partneralimentatie geen stand kan houden, nu hij niet langer in staat is om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Het hof begrijpt dat de man zich op het standpunt stelt dat er zich na de overeenkomst d.d. 22 april 2014 dan wel het convenant d.d. 1 september 2012, een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan waardoor deze afspraak niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet.

4.25

Door de man is weliswaar gesteld dat zijn bedrijf inmiddels failliet is gegaan, doch door hem zijn in het geheel geen stukken in het geding gebracht ter onderbouwing van dit standpunt. Wat er ook zij van de juistheid van de stelling van de man omtrent de door hem gestelde wijziging van omstandigheden; door de man zijn geen bescheiden in het geding gebracht omtrent zijn financiële situatie. Dit maakt dat het hof niet in staat is om de behoefte en de behoeftigheid van de man te beoordelen. Nu de man degene is die stelt dat hij behoefte heeft aan een bijdrage van de vrouw in de kosten van zijn levensonderhoud, had het op zijn weg gelegen om zijn behoefte en behoeftigheid aannemelijk te maken. De enkele opmerking van de man dat hij zijn behoefte heeft geschat op een bedrag van € 2.000,-- per maand is daartoe onvoldoende, temeer nu de vrouw dit gemotiveerd heeft weersproken. Het vorenstaande brengt met zich dat het hof het verzoek van de man om de overeenkomst d.d. 22 april 2014 te wijzigen en een door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud te bepalen, zal afwijzen. Gelet op het voorgaande kunnen de overige weren die de vrouw in het kader van de partneralimentatie heeft opgeworpen, onbesproken blijven.

de administratie van de vrouw

4.26

Het hof komt aan de behandeling van de grief van de man over de administratie van de vrouw (grief 2) niet toe, nu de rechtbank in de bestreden beschikking heeft vastgesteld dat partijen over de wijze van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden in de overeenkomst van 22 april 2014 met elkaar hebben afgesproken dat de man de inboedel en administratie van de vrouw, waaronder de antieke klok van haar vader, aan de vrouw zal retourneren.

de proceskosten

4.27

In hetgeen de vrouw heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om met betrekking tot de proceskosten af te wijken van het gebruikelijke uitgangspunt in zaken als de onderhavige. Derhalve zullen, nu partijen gewezen echtgenoten zijn, de kosten van het geding in hoger beroep worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

5 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof beslissen als na te melden.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 27 mei 2014;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door B.J.H. Hofstee, mr. G. Jonkman en mr. R.Ch. Verschuur, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 12 mei 2015 in bijzijn van de griffier.