Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:3647

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-05-2015
Datum publicatie
26-05-2015
Zaaknummer
200.150.264-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor herstel vatbaar inkomensverlies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0190
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.150.264/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/142282/FA RK 13-1516)

beschikking van de familiekamer van 19 mei 2015

inzake

[verzoekster],

wonende te [A],

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.M.M. Pater, kantoorhoudend te Emmeloord,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [B],

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. L.M. de Jong, kantoorhoudend te Kampen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 10 maart 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift van de vrouw, ingekomen op 6 juni 2014;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep van de man, ingekomen op 4 augustus 2014;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van de vrouw, ingekomen op 15 september 2014;

- een journaalbericht van mr. Pater van 16 september 2014 met bijlage;

- een journaalbericht van mr. Pater van 29 oktober 2014 met bijlagen;

- een journaalbericht van mr. De Jong van 30 oktober 2014 met bijlagen.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 10 november 2014 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Beide advocaten hebben mede het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen.

3 De vaststaande feiten

3.1

De man en de vrouw zijn [in] 1997 in het huwelijk getreden. Het huwelijk is [in] 2007 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 24 oktober 2007 in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1]), geboren [in] 1999 en [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2]), geboren [in] 2002, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. Beide kinderen hebben sinds het uiteengaan van partijen (feitelijk) hun hoofdverblijf bij de vrouw met dien verstande dat [de minderjarige1] enige tijd in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven heeft gestaan op het adres van de man.

3.3

In het kader van de echtscheidingsprocedure hebben de man en de vrouw in een convenant van 21 september 2007 afspraken gemaakt over de kinderalimentatie en de partneralimentatie. Dit convenant is gehecht aan de echtscheidingsbeschikking en maakt daarvan deel uit. In het convenant zijn onder meer de volgende afspraken opgenomen:

"1.1

Met ingang van 1 augustus 2007 zal de man bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 1.164,- bruto per maand. Dat bedrag zal jaarlijks worden verhoogd met de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst met ingang van 1 januari 2010. Dit tijdstip is gekozen omdat ook het salaris van de man naar verwachting tot die datum niet zal stijgen. (…)

2.1

De ouders blijven na echtscheiding gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen. De administratieve inschrijving van de kinderen zal als volgt plaats vinden: [de minderjarige1] zal zijn ingeschreven op het adres van de vader; [de minderjarige2] zal zijn ingeschreven op het adres van de moeder. Op grond hiervan zullen beide ouders kinderbijslag ontvangen en aanspraak hebben op de fiscale alleenstaande oudertoeslag. (…)

Uiterlijk met ingang van 1 augustus 2007 en zolang de kinderen minderjarig zijn betaalt de vader aan de moeder maandelijks bij vooruitbetaling een kinderalimentatie van € 131,- ten behoeve van de kosten van het levensonderhoud van het niet op zijn adres ingeschreven kind. Deze alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2008. Tevens zal de vader op een daartoe aan te houden "ouderschapsrekening" (1307.75.460 ten name van beide ouders) een bedrag van € 60,- per maand storten, alsmede de door hem voor [de minderjarige1] te ontvangen kinderbijslag.

2.5

Uiterlijk met ingang van 1 augustus 2007 en zolang de kinderen minderjarig zijn betaalt de moeder maandelijks bij vooruitbetaling op de genoemde "ouderschapsrekening" (1307.75.460 ten name van beide ouders) een kinderalimentatie van € 131,- ten behoeve van de kosten van het levensonderhoud van het niet op haar adres ingeschreven minderjarig kind. Deze alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2008. (…) "

3.4

Als gevolg van de wettelijke indexering bedraagt per 1 januari 2013 de kinderalimentatie € 147,92 per maand en de partneralimentatie € 1.237,80 per maand.

3.5

De man heeft wijziging verzocht van de eerder overeengekomen alimentatie voor de vrouw en de kinderen. Hij heeft - op basis van zijn berekende draagkracht - gevraagd de kinderalimentatie te verhogen tot een bedrag van € 207,- per kind per maand en de partneralimentatie te verlagen tot nihil. De vrouw heeft zich hiertegen verweerd en verzocht het verzoek van de man af te wijzen.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige2] en [de minderjarige1] en in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking - op basis van de door haar berekende draagkracht van de man en uitgaande van de wettelijke voorrang van kinder- op partneralimentatie - de bijdrage voor de kinderen met ingang van 8 augustus 2013 vastgesteld op € 342,- per kind per maand en de bijdrage voor de vrouw met ingang van die datum vastgesteld op € 260,- per maand. Daarbij is het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van de te veel betaalde partneralimentatie afgewezen, maar heeft de rechtbank uitdrukkelijk de mogelijkheid opgehouden om de te veel dan wel te weinig betaalde bedragen aan kinder- en partneralimentatie met elkaar te verrekenen.

4.2

De vrouw is met vijf grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van 10 maart 2014 en heeft verzocht de man alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn inleidend verzoek dan wel het inleidend verzoek van de man tot wijziging van de overeengekomen bijdragen alsnog af te wijzen. Haar grieven zien op het inkomen van de man, zowel ten aanzien van de berekening van de behoefte van de kinderen als ten aanzien van de huidige draagkracht van de man.

4.3

De man is op zijn beurt met zes grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. Hij heeft verzocht de door hem aan de vrouw te betalen bijdrage voor [de minderjarige2] en [de minderjarige1] met ingang van 8 augustus 2013 te bepalen op € 301,- per kind per maand en de bijdrage voor de vrouw met ingang van die datum te bepalen op nihil althans op een lager bedrage dan € 260,- per maand met het verzoek om de vrouw te veroordelen om de door hem met ingang van 8 augustus 2013 teveel betaalde partneralimentatie aan hem terug te betalen. Zijn grieven betreffen de behoefte van de kinderen en zijn draagkracht, alsmede de behoefte van de vrouw.

4.4

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

4.5

Nadat de bestreden beschikking is gegeven, zijn de omstandigheden aan de zijde van de man (opnieuw) gewijzigd in die zin dat hij werkloos is geworden en met ingang van 1 mei 2014 is aangewezen op een WW-uitkering. De man heeft daarnaast gesteld dat zijn (samenlevings)relatie met zijn partner, mevrouw [C] (hierna: [C]), is verbroken.

Het hof zal (het bestaan van) deze wijzigingen en de mogelijke gevolgen daarvan bij de beoordeling van de geschilpunten in aanmerking nemen.

5 De motivering van de beslissing

* de wijzigingsgrond

5.1

Tussen partijen is niet in geschil dat zich aan de zijde van de man meerdere relevante wijzigingen van omstandigheden hebben voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW, die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigen van de behoefte van de kinderen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en de vrouw, alsmede van de draagkracht van de man.

* de ingangsdatum

5.2

De rechtbank heeft de ingangsdatum van wijziging van de kinderalimentatie bepaald op 8 augustus 2013, de dag van indiening van het inleidend verzoek door de man. Geen van partijen heeft deze ingangsdatum in hoger beroep ter discussie gesteld, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

DE KINDERALIMENTATIE

* de behoefte van de kinderen

5.3

Partijen zijn verdeeld over de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in het bijzonder ten aanzien van het inkomen van de man dat bij het gezinsinkomen moet worden meegenomen.

5.4

Het hof hanteert voor de vaststelling van de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] de tabel "Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen" voor 2007 - het jaar dat partijen uiteen zijn gegaan - die behoort bij het rapport Alimentatienormen van de Werkgroep Alimentatienormen van dat jaar. Uitgangspunt voor de bepaling van de behoefte van een kind is de aanbeveling van de Werkgroep Alimentatienormen om uit te gaan van het gezinsinkomen van de ouders ten tijde van de laatste jaren van het huwelijk dan wel het latere inkomen van de onderhoudsplichtige ouder als dat hoger is.

het inkomen van de man

5.5

Mede gelet op de beschikbare gegevens, zal het hof voor de berekening van het aandeel van de man in het gezinsinkomen de jaaropgave over 2007 tot uitgangspunt nemen. In deze jaaropgave is rekening gehouden met de omstandigheid dat de man met ingang van 1 oktober 2007 tijdelijk, in verband met ouderschapsverlof, minder is gaan werken en dientengevolge met ingang van die datum - en aldus in 2007 gedurende drie maanden - slechts 90 % van zijn gebruikelijke inkomen heeft ontvangen. Deze vermindering van inkomsten heeft zich eerst voorgedaan na het (feitelijk) uiteengaan van partijen en heeft aldus geen (negatieve) invloed gehad op het inkomen van de man tijdens het huwelijk, zodat er, anders dan de man meent, geen reden is om zijn inkomen te berekenen aan (alleen) deze mindere inkomsten. Omgekeerd ziet het hof onvoldoende reden om de mindere inkomsten gedurende deze drie maanden 90 % in plaats van 100 % - volledig buiten beschouwing te laten. Met deze mindere inkomsten acht het hof verdisconteerd dat het uurloon van de man in de jaren voor 2007 lager is geweest.

5.6

Uit de jaaropgave 2007 blijkt een bruto-inkomen van € 81.817,-. In dit brutoloon is het fiscaal relevante inkomen opgenomen dat de man in 2007 heeft ontvangen, waaronder de door de vrouw genoemde dertiende maand, het vakantiegeld en een door de man ontvangen bonus. Uit de beschikbare gegevens, waaronder een brief van de werkgever van 6 juni 2011, blijkt dat de man in de jaren 2007 tot en met 2010 jaarlijks een bonus heeft ontvangen en het hof houdt het ervoor dat de man ook tijdens de laatste jaren van het huwelijk jaarlijks een bonus heeft ontvangen. Dat partijen in 2007 bij de overeengekomen door de man aan de vrouw te betalen alimentatiebedragen mogelijk geen rekening hebben gehouden met de variabele bonussen, zoals de man heeft gesteld, betekent niet dat daarmee ook op dit moment, nu de berekening van de behoefte van de kinderen opnieuw voorligt, geen rekening dient te worden gehouden. De bonussen, waarvan niet gesteld of gebleken is dat deze in de jaren voor 2007 niet werden uitgekeerd, hebben immers bijgedragen aan het gezinsinkomen en daarmee aan de welstand waarin (ook) de kinderen hebben geleefd.

5.7

De bonus die in 2007 is uitbetaald, is hoger geweest dan de bonussen die zijn uitbetaald in de daaropvolgende jaren, zo blijkt uit de bedragen die in de brief van de werkgever van 6 juni 2011 worden genoemd. Uit deze brief en de daarop door de man gegeven toelichting blijkt verder dat de bonusbedragen jaarlijks werden berekend en niet gegarandeerd waren. Onder deze omstandigheden acht het hof de bonus ten bedrage van € 9.191,- die in 2007 is ontvangen niet zonder meer representatief voor de eerdere jaren. Wat betreft de omvang van de bonus zal het hof daarom, bij gebreke van gegevens over de jaren vóór 2007, uitgaan van het gemiddelde van de bonus over de jaren 2007 tot en met 2010 zoals deze in de genoemde brief van de werkgever worden genoemd. In deze jaren heeft de bonus gemiddeld € 7.919,- per jaar bedragen. Het loon opgenomen in de jaaropgave over 2007 - waarin een bonus van € 9.191,- is begrepen - dient dan ook verminderd te worden met een bedrag van € 1.272,-.

5.8

Overeenkomstig de stelling van de man zal het hof, evenals de rechtbank, daarnaast rekening houden met een vermeerdering van € 613,- inzake de spaarloonregeling waar de man aan deel nam.

5.9

Volgens de gebruikelijke alimentatierichtlijnen (trema) dient geen rekening te worden gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigenwoningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente) en de bijtelling vanwege een auto van de zaak. Dit betekent dat het loon van de jaaropgave dient te worden verminderd met de daarin - sinds 2006 - opgenomen bijtelling vanwege de auto van de zaak ten bedrage van afgerond € 7.795,-. Het hof ziet, anders dan de rechtbank, geen aanleiding om deze bijtelling te corrigeren met de eigen bijdrage voor de auto die de man volgens de salarisspecificaties uit zijn netto-inkomen aan zijn werkgever heeft betaald.

5.10

Alles in ogenschouw nemende stelt het hof het inkomen van de man op een bedrag van € 73.364,- bruto per jaar (€ 81.817,- minus € 1.271,- plus € 613,- minus € 7.795,-), neerkomende op een inkomen van € 3.790,- netto per maand. Hierop dient de inkomensafhankelijke zorgpremie van € 1.990,- per jaar ofwel € 166,- per maand in mindering te worden gebracht, zodat het aandeel van de man in het gezinsinkomen kan worden gesteld op € 3.624,- netto per maand.

het inkomen van de vrouw

5.11

De rechtbank heeft als aandeel van de vrouw een inkomen van netto € 540,- per maand in aanmerking genomen. Het hof sluit hierbij aan nu partijen dit inkomen in hoger beroep niet ter discussie hebben gesteld.

de conclusie

5.12

Het hof stelt het gezamenlijk netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk dan ook op € 4.164,- netto per maand (€ 3.624,- + € 540,-). Op basis van de tabel 2007 berekent het hof op basis van 10 kinderbijslagpunten de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] aan een bijdrage van de ouders op € 983,- per maand. Geïndexeerd naar 2013, de ingangsdatum van de gewijzigde alimentatie, bedraagt deze behoefte € 1.110,- per maand.

5.13

Tussen partijen is niet in geschil dat de aldus berekende behoefte dient te worden verminderd met het kindgebondenbudget waarop de vrouw aanspraak kan maken, zijnde een bedrag van € 148,- per maand tot 1 januari 2015. Het aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen bedraagt alsdan € 962,- per maand voor beide kinderen gezamenlijk, zijnde € 481,- per kind per maand.

5.14

Het hof overweegt dat beide ouders, indien mogelijk, naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen. Het hof zal dan ook ieders draagkracht vaststellen.

* de draagkracht van de man

het inkomen

5.15

De man was sinds 1 december 2000 in dienst bij [D] BV (hierna: [D]), laatstelijk in de functie van Senior Manager, Change Projects. Met ingang van 16 augustus 2013 is de omvang van het dienstverband teruggebracht naar 50 % van de oorspronkelijke fulltime betrekking. De dienstbetrekking is vervolgens met ingang van 1 mei 2014 beëindigd met wederzijds goedvinden, waarbij de man een beëindigingsvergoeding heeft ontvangen van € 35.539,41 bruto. De man ontvangt sinds 1 mei 2014 een maximale WW-uitkering, uitgaande van een voormalig dienstverband van 20 uur per week.

5.16

Partijen strijden over de vraag of en zo ja, in hoeverre rekening moet worden gehouden met het verlies aan inkomsten dat het gevolg is van enerzijds de halvering van de omvang van het dienstverband en anderzijds het daaropvolgende einde van het dienstverband. De kern van het geschil betreft de vraag naar (de verwijtbaarheid van) de gedragingen van de man bij de halvering en het einde van zijn dienstverband, en zijn mogelijkheden om het oorspronkelijke inkomen te herstellen.

5.17

Volgens vaste rechtspraak geldt dat indien de onderhoudsplichtige zelf een vermindering van zijn inkomen heeft teweeggebracht, die vermindering onder omstandigheden buiten beschouwing moet worden gelaten bij het bepalen van zijn draagkracht. Dat is in de eerste plaats het geval als de onderhoudsplichtige redelijkerwijs in staat moet worden geacht opnieuw het oorspronkelijke inkomen te verwerven en de onderhoudsgerechtigde dit ook van hem kan vergen. Dat kan onder omstandigheden ook het geval zijn als de onderhoudsplichtige daartoe geheel of ten dele niet in staat is. Bij de beantwoording van de vraag of een door de onderhoudsplichtige zelf teweeggebrachte, maar niet voor herstel vatbare inkomensvermindering in aanmerking moet worden genomen, zal in het bijzonder moeten worden bezien of de onderhoudsplichtige zich uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot de inkomensvermindering hebben geleid. Bij een bevestigende beantwoording van deze vraag kan die inkomensvermindering ten dele of zelfs in het geheel buiten beschouwing worden gelaten. Niettemin dient in het oog te worden gehouden dat het uitgaan van een fictief inkomen in beginsel niet mag leiden tot het resultaat dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn berekende fictieve draagkracht bij voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn eigen bestaan te voorzien, en in geen geval tot het resultaat dat zijn totale inkomen zakt tot beneden het niveau van 90 % van de op hem toepasselijke bijstandsnorm.

5.18

Ter onderbouwing van de gang van zaken die heeft geleid tot de halvering en het einde van zijn dienstverband heeft de man twee brieven en een mailbericht van zijn werkgever overgelegd. In de brief van 30 juli 2013 heeft de werkgever aan de man, in aansluiting op het gesprek dat onlangs met hem is gevoerd, de overeengekomen aanpassing op de arbeidsovereenkomst - de omvang van het aantal uren - bevestigd. In de brief van 20 december 2013 heeft de werkgever voorts aan de man medegedeeld dat de organisatiewijziging tot gevolg heeft dat zijn huidige functie met ingang van 1 april 2014 zal vervallen, dat er op dit moment en in de nabije toekomst geen passende functies beschikbaar zijn en dat overgegaan zal worden tot externe plaatsing waarover begin januari 2014 de gesprekken zullen plaatsvinden. Daarbij is aangegeven dat de wijze van begeleiding mede gebaseerd zal zijn op de afspraken die eerder ten behoeve van de organisatiewijziging met de vakorganisaties zijn gemaakt. In het mailbericht van 15 januari 2014 geeft de werkgever nader aan dat er in juli 2013 meerdere gesprekken zijn geweest met de man over zijn rol in de organisatie, omdat een herinrichting van de organisatie werd overwogen die zou leiden tot een vermindering van het aantal arbeidsplaatsen waarin mogelijk ook de functie van de man zou worden betrokken. In dit mailbericht wordt verder aangegeven dat de werkgever dat tijdens één van deze gesprekken de man een nieuwe omvang van zijn rol heeft aangeboden en dat er toentertijd geen alternatieven waren binnen de organisatie.

5.19

Het hof stelt voorop dat de man een zwaarwegende onderhoudsverplichting heeft jegens zijn kinderen en de vrouw die, gelet op de tussen partijen gemaakte afspraken in het echtscheidingsconvenant, in belangrijke mate afhankelijk waren en zijn van de bijdrage van de man in hun kosten van levensonderhoud. Gelet op deze onderhoudsverplichting acht het hof niet acceptabel dat de man in juli 2013 akkoord is gegaan met een overeenkomst waardoor de omvang van zijn dienstbetrekking is teruggebracht tot de helft, met een drastische inkomensdaling tot gevolg. De man heeft niet aangetoond dat zijn werkgever hem - in het kader van een reeds aangevangen of aanstaande organisatiewijziging - de keuze voor urenvermindering of ontslag heeft voorgehouden en hem aldus tot instemming heeft gedwongen, terwijl evenmin aannemelijk is geworden dat de instemming anderszins noodzakelijk is geweest. De brief van 30 juli 2013 is een weergave van de overeengekomen afspraken over het aantal uren terwijl in het mailbericht van 15 januari 2014 slechts wordt aangegeven dat er gesprekken met de man zijn geweest omdat een herinrichting van de organisatie werd overwogen die zou leiden tot een vermindering van het aantal arbeidsplaatsen waarin mogelijk ook de functie van de man zou worden betrokken. Hiermee staat onvoldoende vast dat de man in juli 2013 redelijkerwijs geen andere keuze heeft gehad dan het accepteren van het voorstel van zijn werkgever om de omvang van zijn dienstverband aan te passen met een forse inkomensdaling tot gevolg. Evenmin is gebleken dat er op dat moment geen mogelijkheden zijn geweest om van zijn werkgever een vergoeding te bedingen voor het forse inkomensverlies. Dat de man, gelet op de hoogte van zijn (resterende) inkomen, ook niet in aanmerking is gekomen voor een aanvullende WW-uitkering dient voor zijn rekening en risico te blijven. De man heeft evenmin aangetoond dat voornoemde halvering van zijn dienstverband de enige mogelijkheid is geweest om zijn inkomen op dat moment zeker te stellen. Hij heeft geen stukken overgelegd van (het ontbreken van) andere mogelijkheden om bij [D] dan wel elders een fulltime betrekking te verwerven: bewijsstukken van intensief solliciteren op fulltime functies binnen of buiten [D] ontbreken. De enkele mededeling van zijn werkgever, in de brief van 20 december 2013 en in het mailbericht van 15 januari 2014, dat er op dat moment voor de man geen passende functies binnen de organisatie zijn alsmede de enkele mededeling van de man dat hij zijn netwerk heeft aangesproken, acht het hof hiervoor onvoldoende. Ieder inzicht in de inspanningen van de man en zijn de werkgever, ook ten aanzien van een externe plaatsing, ontbreekt. De door de man overgelegde algemene informatie over de reorganisaties bij [D] geeft verder geen enkele duidelijkheid over de specifieke situatie van de man. Het in die informatie genoemde Sociaal Plan dat mogelijk hierover enige duidelijkheid had kunnen verschaffen, ontbreekt. Het hof gaat, gelet op het stadium waarin de procedure zich bevindt, voorbij aan het aanbod van de man om in dezen alsnog bewijsstukken van zijn voormalig werkgever over te leggen. De man had dit reeds eerder kunnen doen.

5.20

Het vorenstaande betekent echter niet dat het hof zal (blijven) uitgaan van het inkomen dat de man in zijn dienstbetrekking bij [D] heeft ontvangen. Het hof acht op basis van de informatie van de werkgever en de door de man gegeven toelichting wel voldoende aannemelijk geworden dat de man een unieke functie bekleedde bij [D] en dat deze functie uiteindelijk is komen te vervallen waardoor hij werkloos is geworden. Evenzeer acht het hof, mede gelet op de toelichting van de man, aannemelijk geworden dat aan deze functie een hoog salaris was gekoppeld en dat hij dit hoge salaris - gelet op zijn opleiding en werkervaring en de omstandigheid dat hij bij [D] in zijn functie is gegroeid - niet elders binnen of buiten [D] zou kunnen verwerven. Naar het oordeel van het hof had de man echter, gelet op de zijn opleiding en werkervaring, een salaris van € 4.000,- bruto per maand in redelijkheid wel moeten kunnen behouden/verwerven. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat het inkomensverlies van de man - als gevolg van zijn urenvermindering en het verlies van zijn baan - voor een bedrag van € 4.000,- bruto per maand voor herstel vatbaar moet worden geacht. Voor de berekening van de draagkracht van de man zal het hof dan ook van dit bedrag, te vermeerderen met 8 % vakantiegeld, uitgaan. Het hof stelt het voor herstel vatbaar inkomen van de man op € 51.840,- bruto per jaar.

5.21

Uitgaande van een voor herstel vatbaar inkomen van € 51.840,- bruto per jaar zal het hof voorbijgaan aan de omstandigheid dat de man sinds 1 mei 2014 een WW-uitkering ontvangt van € 35.992,- bruto per jaar en de vraag of en in hoeverre de beëindigingsvergoeding die de man heeft ontvangen in redelijkheid door hem dient/diende te worden gebruikt voor een aanvulling van zijn inkomen tot het oorspronkelijke niveau. Ook het geschilpunt of en in hoeverre de man betrokken is bij de verschillende ondernemingen van [C] en binnen deze ondernemingen al dan niet werkzaamheden verricht die op geld waardeerbaar zijn, behoeft geen nadere bespreking. Het daartoe strekkende bewijsaanbod van de man is niet ter zake dienend en het hof zal daaraan voorbijgaan. Voor zover de man zich op het standpunt stelt dat hij thans vanwege arbeidsongeschiktheid niet in staat is inkomen te genereren, overweegt het hof dat hij dat, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd.

de draagkracht

5.22

Uitgaande van een bruto-inkomen van € 51.840,- per jaar kan het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man (naar de tarieven van 2014) worden berekend op € 2.859,- per maand. Vervolgens kan aan de hand van de formule 70 % [NBI - (0,3 NBI + 860)] de draagkracht van de man worden berekend op € 799,- per maand. Ter toelichting en verduidelijking merkt het hof op dat hierbij rekening is gehouden met forfaitaire woonlasten van de man van € 858,- (0,3 x 2.859) bedragen en het forfait overige kosten van € 860,- neerkomende op een draagkrachtloos inkomen van € 1.718,- per maand. Bij een inkomen van € 2.859,- netto per maand bedraagt de draagkrachtruimte dan € 1.141,- per maand (2.859 minus 1.718) waarvan 70 % zijnde een bedrag van € 799,- per maand beschikbaar is voor alimentatie.

5.23

Uitgaande van een bruto-inkomen van € 51.840,- per jaar kan het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man (naar de tarieven van 2015) worden berekend op € 2.896,- per maand. Vervolgens kan aan de hand van de formule 70 % [NBI - (0,3 NBI + 875)] de draagkracht van de man worden berekend op € 806,- per maand. Bij een inkomen van € 2.896,- netto per maand bedraagt de draagkrachtruimte dan € 1.152,- per maand (2.896 minus 1.744) waarvan 70 % zijnde een bedrag van € 806,- per maand beschikbaar is voor alimentatie.

de verdeling van de draagkracht

5.24

De man is niet alleen onderhoudsplichtig voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] maar ook voor [E], geboren uit de (latere) relatie van de man met [C], zodat zijn draagkracht in beginsel verdeeld dient te worden over drie kinderen. Het hof zal, evenals de rechtbank, (ook) voor de behoefte van [E] uitgaan van het bedrag dat als behoefte van [de minderjarige2] en [de minderjarige1] is berekend. Het hof acht onvoldoende aannemelijk geworden dat de behoefte van [E] hoger is, zoals de man heeft gesteld. De man heeft ter onderbouwing van die stelling immers slechts beperkte (financiële) gegevens overgelegd van hem en [C], te weten de jaaropgaven 2013. De consequentie die de vrouw daaraan echter verbindt, namelijk dat in het geheel geen rekening moet worden gehouden met enige onderhoudsverplichting van de man jegens [E], acht het hof anderzijds evenmin reëel. Voorts heeft de man weliswaar onweersproken gesteld dat [C] nog onderhoudsplichtig is jegens haar andere kinderen [F] en [G] maar daarbij is onduidelijk of, en in hoeverre de vader van deze kinderen ook in hun kosten bijdraagt. Het hof acht het redelijk de behoefte van [E] gelijk te stellen aan de behoefte van [de minderjarige2] en [de minderjarige1] waarbij het hof er vanuit gaat dat de man en/of [C] niet in aanmerking komen voor een kindgebondenbudget. Door het ontbreken van voldoende inzicht in het inkomen van [C] en haar kosten voor [F] en [G], gaat het hof er verder vanuit dat beide ouders ieder voor de helft dient bij te dragen in de kosten van [E] van € 555,- per maand.

5.25

Tot 1 januari 2015 heeft de man een draagkracht van € 799,- per maand, te vermeerderen met het fiscaal voordeel van € 75,- per maand dat hij tot 1 januari 2015 heeft kunnen ontvangen over zijn bijdragen ten behoeve van [de minderjarige2] en [de minderjarige1]. Tot 1 januari 2015 heeft de man dan ook een totale draagkracht van € 874,- per maand. Met ingang van 1 januari 2015 heeft de man een draagkracht van € 806,- per maand. De draagkracht van de man is steeds beschikbaar voor drie kinderen waarbij het hof voor de verdeling daarvan er rekening mee houdt dat de helft van de behoefte van [E] voor rekening van zijn moeder komt. Tot 1 januari 2015 is in dat geval voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] een bedrag van € 350,- per kind per maand beschikbaar. Vanaf 1 januari 2015 is voor hen een bedrag van € 323,- per kind per maand beschikbaar. Voor [E] is telkens de helft daarvan beschikbaar, tot 1 januari 2015 een bedrag van € 175,- per maand en vanaf 1 januari 2015 een bedrag van € 162,- per maand.

de zorgkorting

5.26

Bij de richtlijnen voor vaststelling kinderalimentatie worden de kosten van de verdeling van de zorg in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg (omgang) waarbij in beginsel wordt uitgegaan van 15%. Deze zorgkorting vermindert in beginsel de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie, omdat de man in natura voorziet in de behoefte van de kinderen in de periode dat de kinderen bij hem verblijven.

5.27

Tussen partijen is niet in geschil dat ook in het onderhavige geval dient te worden uitgegaan van de minimale zorgkorting van 15 % (van € 962,-) neerkomende op een bedrag van € 144,- per maand. Deze zorgkorting kan enkel volledig worden verzilverd, dat wil zeggen in mindering worden gebracht op het aandeel van de man in de kosten van de kinderen, indien de draagkracht van de man tezamen met de draagkracht van de vrouw voldoende is om in de volledig behoefte van de kinderen te voorzien. In het geval sprake is van een tekort aan (gezamenlijke) draagkracht, moet het tekort bij helfte worden verdeeld over de ouders en voor dat deel is verzilvering van de zorgkorting niet mogelijk.

5.28

De behoefte van de kinderen bedraagt € 962,- per maand. De vrouw kan, zoals in hoger beroep onweersproken is komen vast te staan, hierin bijdragen met een bedrag van € 50,- per maand. De man kan bijdragen met een bedrag van € 700,- per maand tot 1 januari 2015 en € 646,- per maand vanaf 1 januari 2015. Het tekort van partijen gezamenlijk bedraagt alsdan € 212,- per maand tot 1 januari 2015 en € 266,- per maand vanaf 1 januari 2015. Dit tekort wordt gelijkelijk aan beide ouders toegerekend, dat wil zeggen dat ieder van hen voor zijn of haar rekening dient te nemen een bedrag van € 106,- per maand tot 1 januari 2015 en € 133,- per maand vanaf 1 januari 2015.

5.29

Het deel van het tekort dat de man voor zijn rekening dient te nemen kan hij niet door middel van zorgkorting verdisconteren. Van de hiervoor berekende zorgkorting van € 144,- per maand kan de man in mindering brengen op zijn bijdrage een bedrag (144 - 106) € 38,- per maand tot 1 januari 2015 en (144 - 133) € 11,- per maand vanaf 1 januari 2015.

de onderhoudsbijdrage van de man

5.30

Het vorenstaande betekent dat de man beschikbaar heeft om bij te dragen in de kosten van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] tot 1 januari 2015 een bedrag van € 662,- (700 - 38) per maand, zijnde € 331,- per kind per maand en vanaf 1 januari 2015 € 635,- (646 - 11) per maand, zijnde afgerond € 318,- per kind per maand.

5.31

Anders dan de rechtbank ziet het hof, gelet op de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep, ondanks de wettelijke voorrangsregel voor kinderalimentatie ten opzichte van partneralimentatie, geen mogelijkheid de hiervoor genoemde bedragen ook als alimentatieverplichting vast te leggen. De man heeft immers verzocht de destijds tussen partijen in het convenant overeengekomen bijdrage voor de kinderen te wijzigen: in eerste aanleg te verhogen tot een bedrag van € 207,- per kind per maand en in hoger beroep tot een bedrag van € 301,- per kind per maand. De vrouw heeft zowel bij de rechtbank als het hof verzocht het verzoek van de man tot wijziging van de afspraken van het convenant (zowel op het punt van de kinder- als de partneralimentatie) af te wijzen en geen zelfstandig verzoek tot verhoging van de kinderalimentatie ingediend. Tegen de achtergrond van deze verzoeken kan het hof de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage voor [de minderjarige2] en [de minderjarige1] vaststellen op ten hoogste € 301,- per kind per maand. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.

DE PARTNERALIMENTATIE

* de behoefte van de vrouw

5.32

De rechtbank heeft geen beslissing gegeven over de omvang van de behoefte van de vrouw, afgemeten naar de welstand tijdens het huwelijk. Het hof zal hiertoe wel overgaan aangezien de behoefte van de vrouw van belang is voor de beoordeling van de door de man opgeworpen vraag of de vrouw door middel van eigen inkomsten in haar levensonderhoud kan voorzien.

5.33

De hoogte van de behoefte van de vrouw is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven geven immers een aanwijzing voor het niveau waarop de onderhoudsgerechtigde na de beëindiging van het huwelijk wat de kosten van levensonderhoud betreft in redelijkheid aanspraak kan maken. Ook (de mogelijkheid van) vermogensvorming zal in beginsel - afhankelijk van de omstandigheden - bijdragen tot het oordeel dat echtelieden in een bepaalde welstand hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald. In hoeverre de vaste lasten en de overige, globaal te schatten, uitgaven of reserveringen voor te verwachten lasten van de onderhoudsgerechtigde redelijk zijn, zal mede beoordeeld moeten worden naar de mate van welstand zoals deze door de rechter op vorenbedoelde wijze is vastgesteld.

5.34

Het gezamenlijk gezinsinkomen aan het einde van het huwelijk dat door beide partijen werd verdiend - ongeveer € 4.164,- netto per maand inclusief vakantietoeslag, 13e maand en bonus - geeft een aanwijzing voor die welstand. Bij gebreke van gegevens omtrent het uitgavenpatroon van partijen tijdens het huwelijk, zal het hof dit gezinsinkomen ook voor de berekening van de behoefte van de vrouw als uitgangspunt nemen. Dit inkomen dient verminderd te worden met de kosten van de kinderen van € 983,- per maand, zodat € 3.181,- per maand resteert voor partijen samen. Omdat een huishouding van een alleenstaande relatief duurder is dan van iemand die samenwoont, kan de behoefte van de vrouw gesteld worden op 60 % van dit bedrag, ofwel € 1.908,- netto per maand in 2007. Rekening houdend met de indexering bedraagt deze behoefte in 2013 € 2.154,- per maand.

5.35

Tussen partijen is in geschil of de vrouw redelijkerwijs in staat is geheel in de hiervoor genoemde behoefte te voorzien door uitbreiding van haar werkzaamheden. De vrouw stelt dat sprake is van medische beperkingen, die aan uitbreiding in de weg staan. De man betwist de gestelde beperkingen.

5.36

Niet in geschil is dat de vrouw al geruime tijd, ook tijdens de laatste jaren van het huwelijk, op parttime basis - eerder tien uur en thans vier tot zes per week - werkzaamheden binnen de thuiszorg verricht en daaruit eigen inkomsten uit arbeid heeft. Uit de jaaropgave 2012 blijkt een inkomen uit arbeid van € 7.191,- bruto per jaar, welk inkomen neerkomt op afgerond € 600,- netto per maand als rekening wordt gehouden met de heffingskortingen waarop de vrouw aanspraak kan maken. Uit de specificatie over de maand november 2013 blijkt een (totaal) loon voor loonheffing inkomen van € 4.250,- bruto, wat neerkomt op ruim € 350,- netto per maand. Uit de beschikbare meest recente salarisspecificatie over de maand september 2014 blijkt een (totaal) loon voor loonheffing inkomen van afgerond € 4.629,- bruto wat neerkomt op ruim € 460,- netto per maand. Gemiddeld genomen heeft het inkomen van de vrouw in de afgelopen jaren, wanneer over 2013 en 2014 ook rekening worden gehouden met de uit de specificaties blijkende eindejaarsuitkering die gebruikelijk in december wordt uitbetaald, afgerond € 500,- netto per maand bedragen.

5.37

Het hof is het eens met de man dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij zich inspant om haar verdiencapaciteit zo goed mogelijk te benutten waarbij het hof onderkent dat haar mogelijkheden op de huidige arbeidsmarkt niet onverdeeld gunstig zijn, gezien haar leeftijd (zij is thans 42 jaar oud), haar beperkte opleidingsniveau (zij is verzorgende), haar werkervaring (zij werkt binnen de thuiszorg) en haar medische beperkingen. Dit neemt echter niet weg dat de vrouw zich naar behoren dient in te spannen om zich een betere positie op de arbeidsmarkt te verwerven en zij daartoe zo nodig activiteiten dient te ontplooien als sollicitaties en/of bij- of herscholingstrajecten. Dat de vrouw zich deze inspanningen ook heeft getroost, is niet gebleken terwijl onvoldoende is aangetoond dat de vrouw daartoe in het bijzonder door haar medische beperkingen en de zorg voor de kinderen - thans 12 en 15 jaar oud - niet in staat is geweest. De medische gegevens van de vrouw zijn van oudere datum en hoewel het hof aanneemt dat de contact-allergie niet zal genezen, is daarmee onvoldoende komen vast te staan dat er geen (andere) werkzaamheden zijn die de vrouw, al dan niet na om/bijscholing, zou kunnen verrichten.

5.38

Anders dan de man, acht het hof tegen de hiervoor geschetste mogelijkheden echter niet aannemelijk dat de vrouw op dit moment dan wel binnen afzienbare tijd in staat zal zijn haar werkzaamheden in zodanige mate uit te breiden dat zij volledig in haar eigen behoefte van ruim € 2.150,- netto per maand kan voorzien. Het hof acht wel aannemelijk dat de vrouw, indien zij daartoe de komende maanden de nodige inspanningen verricht, een eigen inkomen moet kunnen verdienen op iets meer dan bijstandsniveau. Het hof zal daarom per 1november 2015 uitgaan van eigen inkomsten van € 1.000,- netto per maand. Deze eigen inkomsten verminderen de behoefte aan een bijdrage van de man.

5.39

Tot 1 november 2015 heeft de vrouw behoefte aan een bijdrage van de man van € 1.654,- netto per maand (€ 2.154,- minus € 500,-). Vanaf 1 november 2015 daalt de behoefte aan een bijdrage van de man tot € 1.154,- netto per maand (€ 2.154,- minus € 1.000,-).

* de draagkracht van de man ten behoeve van partneralimentatie

5.40

Ten aanzien van de berekening van de draagkracht van de man met het oog op partneralimentatie is tussen partijen in geschil de kosten van rechtsbijstand, de kosten van woon-werkverkeer en zijn woonlasten.

de kosten van rechtsbijstand

5.41

In het algemeen worden advocaatkosten in het kader van een familierechtelijke procedure niet beschouwd als een noodzakelijke last die voorrang heeft boven de onderhoudsverplichting van de man jegens vrouw en kinderen. Indien partneralimentatie wordt vastgesteld kan daarover onder bijzondere omstandigheden anders worden geoordeeld, onder meer wanneer sprake is van een inkomen boven de grens voor gefinancierde rechtshulp alsmede van een beperkte vrije ruimte voor de onderhoudsplichtige zelf. Indien aantoonbaar advocaatkosten zijn gemaakt en er geen liquide middelen zijn of binnen afzienbare termijn te verwachten zijn, kan rekening worden gehouden met een bedrag voor noodzakelijke en redelijke kosten voor rechtshulp in de betreffende procedure van maximaal € 1.368,- met een maandlast van maximaal € 114,- gedurende ten hoogste een jaar.

5.42

Het hof acht voldoende aangetoond dat advocaatkosten zijn gemaakt, maar het hof zal geen rekening houden met enige last ter zake. De man heeft verklaard dat hij voor de kosten van rechtsbijstand een lening is aangegaan bij zijn ouders en dat hij deze lening heeft terugbetaald uit de beëindigingsvergoeding die hij in mei 2014 van zijn werkgever heeft ontvangen. Aldus heeft de man voldoende liquide middelen beschikbaar gehad/gekregen om de advocaatkosten te betalen en is er geen grond meer voor het meenemen van enige last op dit punt.

de kosten van woon-werkverkeer

5.43

Met reëel gemaakte kosten woon-werkverkeer wordt, indien gereisd wordt met openbaar vervoer, volledig rekening gehouden, onder aftrek van eventueel door de werkgever verstrekte vergoedingen. Indien gebruik moet worden gemaakt van de eigen auto wordt gerekend met 12,5 eurocent per kilometer (€ 0,25 per retourkilometer) eveneens onder aftrek van eventueel door de werkgever verstrekte vergoedingen.

5.44

De door de man in het verleden ontvangen reiskostenvergoeding - uit de salarisspecificaties van september tot en met december 2013 blijkt een onbelaste vergoeding van € 101,65 per maand en een belaste vergoeding van € 406,95 per maand - is nagenoeg kostendekkend geweest. Het hof gaat er in redelijkheid vanuit dat de man, uitgaande van zijn verdiencapaciteit zoals hiervoor weergegeven, ook alsdan een kostendekkende reiskostenvergoeding zou (hebben) ontvangen, zodat er geen aanleiding is bij de bepaling van zijn draagkracht rekening te houden met een bedrag aan kosten woon-werkverkeer.

de woonlasten

5.45

In hoger beroep is duidelijk geworden dat de woning die door de man en [C] wordt bewoond bestaat uit twee afzonderlijke woningen met een verbinding/doorgang tussen de beide woongedeelten waarbij de woningen - en daarmee ook de man en [C] - (voorlopig) het eigen adres hebben behouden. De hypothecaire leningen voor deze panden zijn aangegaan door de man en [C] tezamen.

5.46

Partijen hebben in hoger beroep de woonlasten die de rechtbank in aanmerking heeft genomen op zichzelf niet ter discussie gesteld. Ook het hof zal daarom uitgaan van het eigenwoningforfait van € 2.364,- en de hypotheekrente van € 12.780,- per jaar.

5.47

[C] kan in eigen levensonderhoud voorzien en daarom zal het hof, zoals gebruikelijk, de woonlasten verdelen tussen haar en de man in die zin ieder de helft voor zijn/haar rekening neemt. Het hof gaat voorbij aan het pleidooi van de man tot een andere verdeling, 60 % voor hem en 40 % voor [C], omdat zij bij de aankoop eigen vermogen in de woning(en) zou hebben geïnvesteerd en/of het deel dat zij gebruikt slechts een derde deel van de totale woonruimte betreft. Het hof zal verder, evenals de rechtbank, de premie overlijdensrisicoverzekering van € 84,- per maand bij helfte verdelen. Anders dan de rechtbank zal het hof voor de man het gehele woonlastenforfait van € 95,- per maand - en niet de helft daarvan - in de berekening betrekken nu de woningen hun eigen adres hebben behouden en om die reden zowel de man als [C] door onder meer de gemeente afzonderlijk worden aangeslagen.

de ziektekosten

5.48

De rechtbank heeft rekening gehouden met een bedrag van € 133,- per maand ter zake van de basisverzekering en aanvullende ziektekosten alsmede een bedrag van € 29,- per maand ter zake van het verplicht eigen risico. Het hof zal dezelfde bedragen in de berekening van de draagkracht van de man meenemen nu geen van partijen de omvang van deze lasten in hoger beroep ter discussie heeft gesteld.

de berekening van de draagkracht

5.49

Voor de periode tot 1 januari 2015 heeft het hof de draagkracht van de man berekend. Uit de door het hof opgestelde berekening van de draagkracht van de man - waarvan een gewaarmerkt exemplaar aan deze beschikking is gehecht en daarvan deel uit maakt - blijkt tot 1 januari 2015 een draagkrachtruimte van € 1.532,- per maand. Hiervan is 60 % zijnde € 919,- per maand in beginsel beschikbaar voor alimentatie voor de vrouw. Hiervoor heeft het hof evenwel vastgesteld dat de man dient te betalen een bedrag van € 175,- per maand voor [E], een bedrag van € 301,- per kind per maand voor [de minderjarige2] en [de minderjarige1] terwijl de zorgkorting € 144,- per maand bedraagt. Dit betekent dat de man ten behoeve van de kinderen een bedrag van € 921,- per maand betaalt. Hij ontvangt € 75,- per maand aan fiscaal voordeel voor de bijdragen ten behoeve van [de minderjarige2] en [de minderjarige1] zodat de man voor de vrouw beschikbaar heeft (919 - 921 + 75) € 73,- netto per maand ofwel € 125,- bruto per maand.

5.50

Voor de periode vanaf 1 januari 2015 heeft de man een draagkrachtruimte van € 1.561,- per maand uitgaande van het gewaarmerkt exemplaar van de berekening dat aan deze beschikking is gehecht en daarvan deel uit maakt. Hiervan is 60 % zijnde € 937,- per maand in beginsel beschikbaar voor alimentatie voor de vrouw. De man dient te betalen een bedrag van € 162,- per maand voor [E], een bedrag van € 301,- per kind per maand voor [de minderjarige2] en [de minderjarige1] terwijl de zorgkorting € 144,- per maand bedraagt. Dit betekent dat de man ten behoeve van de kinderen een bedrag van € 908,-,- per maand betaald. Hij ontvangt geen fiscaal voordeel meer voor de bijdragen ten behoeve van [de minderjarige2] en [de minderjarige1], zodat hij voor de vrouw beschikbaar heeft (937 - 908) € 29,- netto per maand ofwel € 50,- bruto per maand.

5.51

Het hof constateert dat de bijdrage die de man op grond van zijn draagkracht kan betalen aan de vrouw in geen van de onderscheiden perioden de behoefte van de vrouw overstijgt terwijl de vrouw bij betaling van de hiervoor berekende bijdragen niet in een gunstigere positie komt te verkeren dan de man. Het hof zal daarom de partneralimentatie bepalen op € 125,- per maand tot 1 januari 2015 en vanaf 1 januari 2015 op € 50,- per maand.

De terugbetalingsverplichting

5.52

Het hof constateert dat de rechtbank hogere bedragen voor kinder- en partneralimentatie heeft vastgesteld dan het hof zal doen. Voor zover de beslissing van het hof ertoe leidt dat de vrouw eventueel te veel ontvangen kinderalimentatie en/of partneralimentatie als onverschuldigd betaald aan de man zou moeten terugbetalen, is het hof van oordeel dat de vrouw, gezien het consumptief karakter van de bijdragen en mede gelet op haar financiële situatie niet tot terugbetaling gehouden is. Het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen tot terugbetaling zal worden afgewezen.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven ten dele. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

6.2

Partijen zijn gewezen echtgenoten en er is onvoldoende aanleiding om af te wijken van het gebruikelijke uitgangspunt om in een dergelijk geval de proceskosten te compenseren. Het hof zal dan ook, overeenkomstig de rechtbank wat betreft de proceskosten in eerste aanleg, bepalen dat ieder van partijen de eigen kosten draagt van het geding in hoger beroep.

6.3

Het hof merkt tot slot op dat de (eventuele) gevolgen van de hervorming van de kindregelingen per 1 januari 2015, in het bijzonder de stijging van het kindgebondenbudget dat de vrouw als alleenstaande ouder zal ontvangen, ter zitting niet aan de orde is gesteld. Het hof gaat er van uit dat partijen zich hierover met elkaar zullen verstaan waarbij het hof aantekent dat een lagere door de man te betalen kinderalimentatie zal leiden tot een hogere resterende draagkracht voor partneralimentatie.

7 De beslissing

Het gerechtshof:

in principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 10 maart 2014;

wijzigt de beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 24 oktober 2008 en het daarin opgenomen door de man en de vrouw op 21 september 2007 ondertekende echtscheidingsconvenant voor zover het de afspraken over de kinder- en partneralimentatie betreft;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 8 augustus 2013 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1], geboren [in] 1999, en [de minderjarige2], geboren [in] 2002, een bedrag van € 301,- per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man aan de vrouw voor de periode met ingang van 8 augustus 2013 tot 1 januari 2015 als uitkering in de kosten haar levensonderhoud een bedrag van € 125,- per maand zal betalen en met ingang van 1 januari 2015 een bedrag van € 50,- per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat ieder van partijen de eigen kosten draagt van het geding in beide instanties;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Idsardi, mr. G. Jonkman en mr. S. Rezel, in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 19 mei 2015.