Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:3549

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-05-2015
Datum publicatie
23-07-2015
Zaaknummer
200.142.012
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging bewindvoerder tot het uitkeren van erfdelen aan de kinderen van de rechthebbende. Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0273
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.142.012

(zaaknummers rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, 2193023 en 2193024)

beschikking van de familiekamer van 19 mei 2015

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de bewindvoerder,

advocaat: mr. G.G.W.G. van der Valk-van den Bosch te ’s-Hertogenbosch.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbende 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder te noemen: de rechthebbende,

en

[belanghebbende 2] ,

wonende te [woonplaats] .

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 9 oktober 2014 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- het journaalbericht van mr. Van der Valk-van den Bosch van 3 november 2014 met als bijlage een akte met bijlagen 4 en 5, ingekomen op 5 november 2014;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 15 april 2015;

- de conclusie na enquête van 24 april 2015.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van 9 oktober 2014, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2

In die beschikking heeft het hof de bewindvoerder toegelaten te bewijzen dat het de bedoeling was van de echtgenoot van de rechthebbende om de erfdelen (ook) te laten uitkeren ingeval zijn echtgenote (lees: de rechthebbende) ter voorziening in de kosten van verzorging en verpleging aanspraak maakt op een voorziening van overheidswege waarvoor een vermogenstoets wordt gehanteerd. Dit aangezien het testament van voornoemde echtgenoot van de rechthebbende geen direct aanknopingspunt biedt voor de lezing van de bewindvoerder dat de erflater, in weerwil van de bewoordingen van het testament (inhoudende dat de vorderingen van de kinderen opeisbaar zijn ingeval zijn echtgenote ter voorziening in haar levensonderhoud aanspraak maakt op een voorziening van overheidswege waarvoor een vermogenstoets wordt gehanteerd), de bedoeling had die opeisbaarheid ook te laten gelden ingeval zijn echtgenote ter voorziening in de kosten van verzorging en verpleging aanspraak maakt op een voorziening van overheidswege waarvoor een vermogenstoets wordt gehanteerd (hetgeen, naar ter mondelinge behandeling in hoger beroep is aangevoerd, sinds 1 januari 2013 het geval is bij zorg zoals deze door de rechthebbende in het verzorgingstehuis wordt genoten, waardoor de rechthebbende maandelijks een eigen bijdrage dient te voldoen die is gebaseerd op haar vermogen).

Het hof heeft de bewindvoerder toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:46 lid 1 Burgerlijk Wetboek waaruit de juistheid van zijn lezing volgt.

2.3

De bewindvoerder heeft schriftelijk bewijs aangeboden van zijn stellingen middels het overleggen van twee schriftelijke verklaringen van mr. [B] , advocaat ten kantore van [B] Advocatuur B.V. te ’ [plaats] , verder te noemen: [B] , en mr. [C] , notaris ten kantore van Notariaat [C] te [plaats] , verder te noemen: [C] .

2.4

De schriftelijke verklaring van [B] van 23 oktober 2014 (bijlage 4 bij de hierboven onder 1.2 genoemde akte) houdt onder meer het volgende in:

“(…)

Als goede vriend van de overledene [A] , heb ik gedurende de jaren dat [A] vocht voor zijn leven, vele contacten met hem gehad. [A] vertrouwde mij en heeft met name zorg willen dragen voor zijn kinderen en zijn [belanghebbende 1] , waarmede hij getrouwd was en die op dat moment reeds in een verzorgingstehuis verbleef. [belanghebbende 1] had een hersenbloeding gehad, zat in een rolstoel en had ernstige problemen met communiceren. Indien [belanghebbende 1] dan ook ‘het geld’ nodig had, nadat de verzorging van [belanghebbende 1] door [A] (in het verzorgingstehuis) weggevallen zou zijn wegens zijn overlijden, dan moest [belanghebbende 1] daarover kunnen beschikken.

Ik heb dit op deze wijze gecommuniceerd met de notaris, hetgeen als een nadere uitleg moet worden gezien van hetgeen [A] bij uiterste wil heeft willen regelen, de notaris heeft evenwel in allerijl mijn uitleg aan het papier moeten toevertrouwen en aan het sterfbed van [A] in het ziekenhuis (verkort) moeten voorlezen zonder enige controle vooraf. De emoties bij de aanwezigen liepen natuurlijk hoog op, waarvan ik persoonlijk verslag kan doen, want ook ik stond aan dit bed. [A] heeft willen regelen dat zijn kinderen na zijn overlijden ook de vorderingen konden opeisen als door [belanghebbende 1] aanspraak zou worden gemaakt op een voorziening van overheidswege in verband met verzorging en verpleging. [A] kon en kan het ook niet anders bedoeld hebben, want zijn [belanghebbende 1] zat op dat moment al in een verzorgingstehuis.

De notaris heeft enkel, zonder controle door [A] , zijn kinderen of mij, onder die bijzondere omstandigheden algemene standaard bewoordingen opgetekend, die nadere uitleg verdienen.

Het voormelde wil ik volgaarne onder ede verklaren, zodat de uiterste wil van vriend [A] recht wordt gedaan.

(…)”

2.5

De schriftelijke verklaring van [C] van 30 oktober 2014 (bijlage 5 bij de hierboven onder 1.2 genoemde akte) houdt onder meer het volgende in:

“(…)

Ik heb de heer [A] destijds persoonlijk gesproken en ben bij hem in het ziekenhuis geweest om zijn testament te ondertekenen.

Erg belangrijk voor de heer [A] was om zijn echtgenote verzorgd achter te laten. Daarnaast vond hij het zeker zo belangrijk om ook vermogen aan zijn kinderen na te laten, daarom ook de bepaling in het testament die aangeeft dat zijn kinderen hun erfdeel op kunnen eisen zodra moeder haar vermogen “op moet gaan eten”.

De AWBZ regeling is mijns inziens zeker een vergelijkbare regeling als die in het testament genoemd wordt. Beide regelingen hebben als gevolg dat op het eigen vermogen moet worden ingeteerd en dat was zeker niet de bedoeling van de heer [A] .

(…)”

2.6

De bewindvoerder heeft in het voornoemde journaalbericht van 3 november 2014 aanvullend aangevoerd dat hij middels het overleggen van de voornoemde verklaringen voldoende bewijs meent te hebben geleverd van zijn stelling dat het de bedoeling was van de echtgenoot van de rechthebbende om de erfdelen (ook) te laten uitkeren ingeval zijn echtgenote (lees: de rechthebbende) ter voorziening in de kosten van verzorging en verpleging aanspraak maakt op een voorziening van overheidswege waarvoor een vermogenstoets wordt overgelegd.

De echtgenoot van de rechthebbende zou gewild hebben dat de erfdelen van zijn kinderen uitgekeerd zouden worden na zijn overlijden, en niet dat door zijn overlijden zijn nalatenschap (vrijwel volledig) opgesoupeerd zou worden door de overheid als gevolg van het feit dat de rechthebbende gebruik maakt van een voorziening in de kosten van verzorging en verpleging, hetgeen voor de echtgenoot van de rechthebbende kon worden gelijkgesteld aan een voorziening in de kosten van levensonderhoud. De bewindvoerder heeft het hof derhalve verzocht een machtiging te verlenen aan de bewindvoerder tot het mogen uitkeren van de erfdelen groot € 52.617,- aan ieder kind, dan wel een nader door het hof te bepalen bedrag, zoals verzocht bij verzoekschrift in eerste aanleg.

2.7

Het hof heeft een getuigenverhoor gelast teneinde te kunnen beoordelen of de in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen als voldoende overtuigend kunnen worden beschouwd. Uit de schriftelijke verklaring van de getuige [B] is namelijk op te maken dat het testament aan het sterfbed van de echtgenoot van de rechthebbende tot stand is gekomen, te weten 4 augustus 2009, terwijl betrokkene veel later, op 15 april 2012, is overleden.

2.8

[B] heeft als getuige op 15 april 2015 onder meer als volgt verklaard:

“(…)

Ongeveer een tweetal jaar voor zijn overlijden belde dhr. [A] , ik zal hem verder ook [A] noemen, mij op. Hij had de uitslag van een medische onderzoek gekregen en die was uiterst slecht. Hij had longkanker met uitzaaiingen.

(…)

Er was (…) vermogen en [A] wilde dat dat in elk geval in de familie bleef in het bijzonder bij zijn echtgenote.

(…)

Ik heb gezegd dat als je iets wil regelen voor na je overlijden je een testament moet opmaken. En zoals dat bij iedereen in Kerkdriel ten opzichte van mij gaat zei [A] dus ‘ [B] regel dat maar’. Ik heb dat gedaan.

(…)

Ik heb bij de notaris aangegeven dat er iets geregeld moest worden voor de stomerij, het bedrijfspand en dat goed gezorgd moest kunnen worden voor tante [belanghebbende 1] (de rechthebbende, hof). Vervolgens heeft de notaris een concept testament opgemaakt. Ik heb dat concept bekeken en zag daarin terug wat de wens van [A] was. Op een gegeven moment lag [A] in het ziekenhuis. Een wederzijdse vriend belde mij dat het met [A] niet goed ging. De volgende ochtend werd ik gebeld of ik naar het ziekenhuis wilde komen. Ik heb mevrouw [C] , de notaris gebeld en ik heb haar in het ziekenhuis ontvangen.

(…)

Het was een drama want het ging erg slecht met [A] . Het concept is heel verkort voorgedragen aan [A] daar was ik bij en de notaris ook.

(…)

U houdt mij voor wat ik op bladzijde twee van mijn verklaring van 23 oktober 2014 heb geschreven, u vraagt mij dat nog eens uit te leggen. Met deze zinnen heb ik willen aangeven dat als ik het testament later teruglees ik constateer dat er met standaard teksten is gewerkt.

(…)

De bepaling waar het in deze procedure, artikel I sub c, om gaat is een bepaling die je in die tijd wel vaker zag. [A] had mij duidelijk gemaakt: ‘moet je je eigen vermogen opvreten dan moet het naar de familie’. Ik vond de strekking van de bepaling I lid c in het testament voldoende voor de in die tijd bestaande regelingen”

en

“Het klopt dat na het drama in het ziekenhuis dhr. [A] nog bijna drie jaar heeft geleefd. Wij hebben toen niet meer naar de inhoud van het testament gekeken.

(…)”

2.9

[C] heeft als getuige op 15 april 2015 onder meer als volgt verklaard:

“(…)

Voor het testament heb ik een model gebruikt wat wij normaliter altijd gebruiken. Dat komt van de koninklijke notariële beroepsorganisatie.

(…)

De bepaling in het testament onder I sub c kwam ook uit dat model. Niemand had er rekening mee gehouden dat er mogelijk ooit nog eens een eigen bijdrage zou komen zoals voorheen in de wet op de bejaardenoorden had gegolden. U vraagt mij nog een keer duidelijk naar voren te brengen wat de strekking van artikel I lid c in het testament was in relatie met dhr. [A] . Ik kan u daarop zeggen dat dhr. [A] een ondernemer was. Hij wilde alles voor zijn vrouw goed achterlaten. Hij had een broertje dood aan belasting betalen en overheidsbemoeienis. Als er andere voorzieningen zijn moet je niet op je eigen vermogen interen.

(…)

Toen ik bij hem in het ziekenhuis was ter ondertekening van het testament had ik niet het idee dat hij binnen een paar dagen zou sterven. De vooruitzichten waren toen wel heel slecht. De situatie was wel een beetje stressvol maar we zijn later niet op het testament teruggekomen. De betreffende bepaling in het testament is door de notariële beroepsorganisatie inmiddels wel aangepast in die zin dat zowel (het hof leest: in geval van) inkomenstoetsen als vermogenstoetsen als die aan de orde zijn dat (het hof leest: de) kindsdelen opeisbaar worden”.

2.10

De bewindvoerder heeft als partijgetuige onder meer verklaard dat zijn vader na het ondertekenen van het testament in het ziekenhuis nog bijna drie jaar heeft geleefd.

2.11

Het hof oordeelt als volgt. De echtgenoot van de rechthebbende heeft zijn uiterste wil in zijn testament van 4 augustus 2009 laten vastleggen. Hij heeft zijn echtgenote en kinderen tot zijn enige erfgenamen benoemd en bepaald dat alle tot zijn nalatenschap behorende goederen door zijn echtgenote worden verkregen en dat ieder van zijn overige erfgenamen een geldvordering ten laste van zijn echtgenote verkrijgt ter grootte van de waarde van zijn erfdeel. Voor deze verdeling geldt volgens het testament, in afwijking van het dienaangaande in de wet bepaalde, dat de vorderingen van de kinderen onder meer opeisbaar zijn ingeval de echtgenote ter voorziening in haar levensonderhoud aanspraak maakt op een voorziening van overheidswege waarvoor een vermogenstoets wordt gehanteerd.

Wat betreft de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen volgt zowel uit de door [C] en [B] afgelegde getuigenverklaringen als uit hun hierboven onder 2.4 respectievelijk 2.5 weergegeven schriftelijke verklaringen dat de echtgenoot van de rechthebbende alles voor de rechthebbende goed wilde achterlaten, dat hij een broertje dood had aan belasting betalen, dat hij van mening was dat je niet op je eigen vermogen moet interen als er andere voorzieningen zijn, dat het aanwezige vermogen in de familie moest blijven, in het bijzonder bij de rechthebbende, dat het zeker niet de bedoeling was dat er geld naar de overheid zou gaan en dat als “je je eigen vermogen (moet) opvreten (…) het naar de familie” moet.

Tot de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt is naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval te rekenen de uit voornoemde verklaringen volgende omstandigheid dat de echtgenoot van de rechthebbende zijn testament destijds heeft gemaakt op het moment dat de rechthebbende reeds ruim drie jaar was opgenomen in een verzorgingstehuis zonder het vooruitzicht weer naar huis terug te kunnen keren. Ter mondelinge behandeling van het hof is toegelicht dat de echtgenoot van de rechthebbende haar de eerste jaren van haar ziekte thuis heeft verzorgd. Doordat haar lichamelijke situatie steeds verder achteruitging werd zij na verloop van tijd volledig afhankelijk van zorg. Sinds 2005 verblijft zij dan ook volledig in het verzorgingstehuis [D] in [plaats] .

Op grond van hetgeen ter mondelinge behandeling in hoger beroep naar voren is gekomen, hetgeen uit de stukken blijkt en de ter zitting van 15 april 2015 afgelegde getuigenverklaringen - is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de uiterste wil van de echtgenoot van de rechthebbende - gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt - beoogt te bewerkstelligen dat de vorderingen van de kinderen ook opeisbaar zijn ingeval de rechthebbende ter voorziening in de kosten van verzorging en verpleging - en derhalve anders dan het testament vermeldt: “ter voorziening in haar levensonderhoud” - aanspraak maakt op een voorziening van overheidswege waarvoor een vermogenstoets wordt gehanteerd. In dit verband acht het hof van belang dat, zoals [C] heeft verklaard, bij het opmaken van het testament van een standaardmodel van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie gebruik is gemaakt en dat de desbetreffende bepaling inmiddels is aangepast in die zin dat kindsdelen opeisbaar worden als inkomenstoetsen en vermogenstoetsen worden gehanteerd.

Met betrekking tot de getuigenverklaring van [B] overweegt het hof nog dat deze, anders dan zijn schriftelijke verklaring van 23 oktober 2014 (zie hierboven onder 2.7), aansluit bij de vaststaande feiten, inhoudende dat het testament van de echtgenoot van de rechthebbende op 4 augustus 2009 en dus niet aan het sterfbed van de echtgenoot van de rechthebbende, die pas op 15 april 2012 is overleden, tot stand is gekomen. De partijgetuigenverklaring van de bewindvoerder, inhoudende dat zijn vader na het ondertekenen van het testament in het ziekenhuis nog bijna drie jaar heeft geleefd, wordt gelet op het voorgaande in voldoende sterke mate en op de essentiële punten ondersteund door de verklaring van [B] .

Tot slot volgt uit de door de bewindvoerder ter mondelinge behandeling in hoger beroep overgelegde bankafschriften dat de rechthebbende thans beschikt over een vermogen van ongeveer € 169.000,-. Op grond van het verhandelde ter mondelinge behandeling is de rechthebbende, naar het oordeel van het hof, ook na uitkering van de erfdelen van de kinderen, nog voldoende in staat om in haar levensonderhoud te voorzien.

3 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt het hoger beroep. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 6 december 2013, voor zover in die beschikking het meer of anders verzochte is afgewezen, en (in zoverre) opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de bewindvoerder toe en verleent machtiging aan de bewindvoerder tot het uitkeren van de erfdelen groot € 52.617,- aan de kinderen van de rechthebbende:

  • -

    [verzoeker] , wonende te [woonplaats] ,

  • -

    [belanghebbende 2] , wonende te [woonplaats] ;

verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mrs. B.F. Keulen, H.L. van der Beek en R. Krijger, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. R. Krijger en is op 19 mei 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.