Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:3539

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-05-2015
Datum publicatie
20-05-2015
Zaaknummer
200.101.796-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vergoeding reële proceskosten? Toepassing HR 29 juni 2007, NJ 2007/353 en HR 6 april 2012, RvdW 2012/541.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/326
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.101.796/01

(zaaknummer rechtbank Leeuwarden 360490 / CV EXPL 11-3110)

arrest van de eerste kamer van 19 mei 2015

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats 1],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. A.J. Welvering, kantoorhoudend te Leek,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. S. Maakal, kantoorhoudend te Heerenveen.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 18 november 2014 hier over.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

In dit tussenarrest heeft het hof [appellant] toegelaten te bewijzen dat hij de auto, de telefoon, het data-abonnement en het geldbedrag van € 4.000,- in het kader van de oprichting van [bedrijf] BV aan het samenwerkingsverband ‘[appellant], [geïntimeerde] en [X]’ ter beschikking heeft gesteld en dat hij met [geïntimeerde] de afspraak heeft gemaakt dat ‘de inbreng terug zou komen en dat de door [appellant] gemaakte kosten zouden worden vergoed’ na oprichting van [bedrijf] BV.

1.2

Bij brief van zijn advocaat van 11 februari 2015 heeft [appellant] laten weten van bewijslevering af te zien. Vervolgens heeft [geïntimeerde] een akte inhoudende overlegging producties genomen waarop [appellant] bij antwoordakte heeft gereageerd.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De verdere beoordeling

3.1

[appellant] heeft ervan afgezien bewijs te leveren van zijn in rov. 1.1 genoemde stellingen. De juistheid van die stellingen is derhalve niet komen vast te staan, en daarmee realiseert zich het op [appellant] rustende bewijsrisico. Dat betekent dat deze (primaire) grondslag van de vorderingen van [appellant] faalt. Met betrekking tot hetgeen [appellant] als subsidiaire grondslag heeft aangevoerd is reeds bij het tussenarrest van 18 november 2014 (rov. 4.11) beslist, en dat geldt ook voor hetgeen [appellant] in de memorie van grieven onder 27 heeft betoogd (rov. 4.12 van het tussenarrest van 18 november 2014).

3.2

Als meer subsidiaire grondslag van zijn vordering heeft [appellant] aangevoerd dat sprake is van onverschuldigde betaling en/of ongerechtvaardigde verrijking. Daartoe voert hij aan dat wanneer er geen afspraak is gemaakt met [geïntimeerde] over het ter beschikking stellen van de auto en de telefoon en het terugbetalen van de kosten, [appellant] deze kosten zonder rechtsgrond aan [geïntimeerde] heeft voldaan, althans dat [geïntimeerde] in dat geval ongerechtvaardigd is verrijkt. Immers, aldus [appellant], nu [geïntimeerde] het bedrijf alleen is gestart, is hij verrijkt door het kosteloos aan hem ter beschikking stellen van de auto, de telefoon en het geldbedrag van € 4.000,-. Wanneer [appellant] zulks niet allemaal voor [geïntimeerde] zou hebben betaald, zou [geïntimeerde] niet zo eenvoudig, althans met zo weinig kosten, het bedrijf hebben kunnen starten, aldus [appellant]. De verrijking bestaat uit het voordeel dat [geïntimeerde] heeft gehad van de inbreng door [appellant] en het door [appellant] betalen van de genoemde kosten.

3.3

Nu [appellant] heeft afgezien van bewijslevering ten aanzien van zijn in rov. 1.1 genoemde stellingen ter zake van de primaire grondslag van zijn vordering, is niet alleen de gestelde afspraak met [geïntimeerde] niet komen vast te staan, maar is evenmin komen vast te staan dat [appellant] de auto, de telefoon, het data-abonnement en het geldbedrag van € 4.000,- in het kader van de oprichting van [bedrijf] BV aan het samenwerkingsverband ‘[appellant], [geïntimeerde] en [X]’ ter beschikking heeft gesteld. Reeds daarop moet de meer subsidiaire grondslag van de vordering stranden.

3.4

Op grond van het voorgaande faalt ook grief II. Grief III, die betrekking heeft op de vordering ter zake van de buitengerechtelijke kosten en de rente, deel het lot van de beide andere grieven.

3.5

De grieven falen. Het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd.

3.6

[geïntimeerde] heeft het hof ter gelegenheid van de comparitie van partijen op
8 maart 2013 verzocht om in het geval van een bekrachtiging van het bestreden vonnis, [appellant] in de ‘reële proceskosten van [geïntimeerde]’ te veroordelen (proces-verbaal van comparitie van partijen van 8 maart 2013, p. 2). In zijn akte uitlating van 14 januari 2014 heeft hij dat bedrag nog vastgesteld op € 7.500,- inclusief BTW en in de akte van 24 februari 2015 heeft hij die kosten van rechtsbijstand becijferd op een bedrag van € 9.289,47 en heeft hij geconcludeerd:

‘dat het voor [appellant] van meet af aan, en in ieder geval vanaf 5 december 2012, evident duidelijk had moeten zijn dat de ingestelde vorderingen in deze procedure nimmer voor toewijzing in aanmerking zouden kunnen komen, zodat het in de rede ligt om [appellant] bij wijze van uitzondering op de hoofdregel te veroordelen in de reële kosten van rechtsbijstand, zoals die in deze procedure bij uw Hof zijn gemaakt. Een en ander tot een bedrag van € 9.289,47 (inclusief BTW).’

Volgens [geïntimeerde] bestaat daartoe alle reden omdat, gelet op de maatstaf van
HR 29 juni 2007, NJ 2007/353 en herhaald in HR 6 april 2012, RvdW 2012/541 [appellant] ‘zijn vorderingen feitelijk van meet af aan (heeft) gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen en/of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze (verder) geen kans van slagen (meer) hadden, waarbij het met name gaat om de onmogelijkheid om kosten te verhalen op [geïntimeerde] privé.’

3.7

Uit de door [geïntimeerde] genoemde rechtspraak volgt dat een vordering strekkende tot vergoeding van de reële kosten van rechtsbijstand alleen toewijsbaar is in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen, waarvan pas sprake is als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Daarvan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.

3.8

Zonder concrete onderbouwing – die niet wordt gegeven – kan het hof niet inzien dat [appellant] zijn vordering tegen [geïntimeerde] heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen, of op stellingen waarvan hij op voorhand moet begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. De enkele omstandigheid dat [appellant] heeft afgezien van het leveren van bewijs van zijn hiervoor in rov. 1.1 genoemde stellingen rechtvaardigt, mede gelet op de tot terughoudendheid nopende maatstaf, nog niet dat [appellant] met het instellen van zijn vordering tegen [geïntimeerde] misbruik van procesrecht heeft gemaakt dan wel jegens [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld. Ook om die reden kan de vordering van [geïntimeerde] tot vergoeding van de reële proceskosten niet slagen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, conform het liquidatietarief te stellen op 2,5 punt tarief III.

De beslissing

Het gerechtshof, recht doende in hoger beroep,

bekrachtigt het vonnis van de (toenmalige) rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Heerenveen van 2 november 2011,

veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 666,- voor verschotten en op € 2.895,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief.

Dit arrest is gewezen door mr. R.A. van der Pol, mr. L. Janse en mr. M.W. Zandbergen en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 19 mei 2015.