Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:3532

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-05-2015
Datum publicatie
22-05-2015
Zaaknummer
14-01007
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:3342, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de Inspecteur het verzamelinkomen bij zijn uitspraak op het juiste bedrag heeft vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1098
V-N 2015/38.15.18
FutD 2015-1273
NTFR 2015/1716
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

nummer 14/01007

uitspraakdatum: 19 mei 2015

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 augustus 2014, nummer AWB 14/1015, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Zwolle (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een verzamelinkomen van € 91.246 en een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. Bij beschikking is een bedrag van € 91.246 aan ondernemingsverlies verrekend.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar het verzamelinkomen nader vastgesteld op € 82.950 en het belastbare inkomen uit werk en woning wederom op nihil gesteld. Bij beschikking is een bedrag van € 82.950 aan ondernemingsverlies verrekend.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 12 augustus 2014 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2015 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord [A] als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [B] namens de Inspecteur.

1.7

De gemachtigde van belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende heeft voor het jaar 2011 aangifte in de IB/PVV gedaan naar een verzamelinkomen van € 91.246. Dit verzamelinkomen bestaat uit:

Winst uit onderneming (volgens eigen aangifte)

€ 91.491

Af: stakingsaftrek

€ 3.630

Af: MKB-winstvrijstelling

€ 10.544

Belastbare winst uit onderneming

€ 77.317

Bij: inkomsten uit vroegere arbeid

€ 13.291

Bij: inkomsten uit vroegere arbeid

€ 638

Verzamelinkomen

€ 91.246

2.2

De aan belanghebbende opgelegde aanslag in de IB/PVV voor 2011 is als volgt vastgesteld:

Inkomen uit werk en woning

€ 91.246

Af: te verrekenen verliezen

€ 91.246

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€ 0

Daarbij is de stand van de nog te verrekenen verliezen per 31 december 2011 als volgt berekend:

Stand nog te verrekenen verliezen per

31 december 2010

€ 124.795

Af: inkomen uit werk en woning 2011/dit jaar verrekend

Stand nog te verrekenen verliezen per

€ 91.246

31 december 2011

€ 33.549

2.3

Bij uitspraak op bezwaar van 24 januari 2014 heeft de Inspecteur het verzamelinkomen berekend op € 82.950. Het nog te verrekenen ondernemingsverlies per 31 december 2011 is door de Inspecteur vastgesteld op € 41.845.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de Inspecteur het verzamelinkomen bij zijn uitspraak op het juiste bedrag heeft vastgesteld, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

3.2

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het verzamelinkomen dient te worden vastgesteld na verliesverrekening. Voorts stelt belanghebbende dat de Rechtbank de feiten onjuist heeft vastgesteld doordat zij uitgaat van een verzamelinkomen van € 91.426.

3.3

De Inspecteur stelt dat hij, door de verliesverrekening uitsluitend in aanmerking te nemen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit werk en woning en het verzamelinkomen te bepalen zonder toepassing van verliesverrekening, de aanslag heeft vastgesteld overeenkomstig de wettelijke regeling dienaangaande. Bij de aanslagregeling is het door belanghebbende aangegeven bedrag van € 91.246 gevolgd.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vaststelling van het verzamelinkomen op nihil.

3.6

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) is het verzamelinkomen het gezamenlijke bedrag van:

a. het inkomen uit werk en woning;

b. het inkomen uit aanmerkelijk belang en

c. het belastbare inkomen uit sparen en beleggen,

verminderd met daarin begrepen te conserveren inkomen.

4.2

In evenvermeld artikel is niet opgenomen - en evenmin in enig ander artikel van de Wet - dat het verzamelinkomen wordt bepaald na vermindering van het inkomen uit werk en woning met te verrekenen verliezen uit andere jaren. Verliesverrekening vindt, op grond van artikel 3.1 van de Wet, plaats bij de bepaling van het belastbare inkomen uit werk en woning, doch niet ter vaststelling van het verzamelinkomen.

4.3

De Rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat belanghebbendes stelling, inhoudende dat het verzamelinkomen het inkomen is na verrekening van verliezen, geen steun vindt in het recht.

4.4

Aan het door belanghebbende ter zitting overgelegde W-biljet kan geen argument worden ontleend voor een andersluidend oordeel. Het onderdeel van dat biljet waarop belanghebbende zich beroept, heeft geen betrekking op de bepaling van het verzamelinkomen, maar op de bepaling van het maximumverlies voor een medegerechtigde in een onderneming.

4.5

Het aangiftebiljet heeft wellicht verwarring gewekt bij de gemachtigde van belanghebbende, maar dat doet er niet aan af dat de Inspecteur de wettelijke bepalingen juist heeft toegepast. De onjuiste lezing van de wettekst door de gemachtigde van belanghebbende komt voor rekening van belanghebbende.

4.6

Belanghebbendes bezwaar tegen de overweging van de Rechtbank dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is geweest dat voor het toetsingsinkomen voor toeslagen en het bijdrage-inkomen voor de ZVW wordt uitgegaan van het inkomen voor verliesverrekening, kan hem niet baten. Dat ten overvloede gegeven oordeel is niet dragend voor de beslissing van de Rechtbank en voor het overige juist.

4.7

De Rechtbank heeft, zoals belanghebbende terecht heeft gesteld, bij de vaststelling van de feiten het bedrag van het aangegeven verzamelinkomen onjuist vermeld. Het Hof heeft deze kennelijke tikfout bij het vaststellen van de feiten hersteld. Die tikfout heeft geen gevolg gehad voor de beoordeling van het geschil door de Rechtbank, reeds omdat aan die beoordeling het door de Inspecteur bij zijn uitspraak op bezwaar nader vastgestelde verzamelinkomen ten bedrage van € 82.950 ten grondslag ligt. Belanghebbendes stelling kan derhalve niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.8

De Inspecteur heeft de stand per 31 december 2011 van de nog te verrekenen verliezen op de juiste wijze en naar de juiste bedragen bijgehouden. Ook is het bedrag van het over 2011 verrekende verlies juist vastgesteld.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, voorzitter, mr. B. van Walderveen en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 19 mei 2015 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(K. de Jong-Braaksma )

(J.W. van Knobelsdorff)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 20 mei 2015

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.