Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:3513

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-05-2015
Datum publicatie
23-11-2016
Zaaknummer
200.109.008
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHARL:2016:6570
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vraag of sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden op het werk dat werkgever hierin als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden in die zin dat voor werknemers niet langer de pensioenovereenkomst met het ABP is voortgezet (waartoe werkgever op grond van de arbeidsovereenkomst in beginsel verplicht was), maar de afgesloten overeenkomst met Zwitserleven is aangegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1349
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Arnhem

Afdeling civiel recht

Zaaknummer gerechtshof 200.109.008

(zaaknummer rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht 747172)

Arrest van de derde kamer van 19 mei 2015

in de zaak van

1 [appellant 1] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

2. [appellant 2],

wonende te [plaatsnaam] ,

3. [appellant 3],

wonende te [plaatsnaam] ,

4. [appellant 4],

wonende te [plaatsnaam] , en

5. [appellant 5],

wonende te [plaatsnaam] ,

appellanten,

advocaat: mr G.J. Knotter,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VEC B.V.,

gevestigd te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, en

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Galliata Holding B.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

geïntimeerden,

advocaat: mr D.G. Veldhuizen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 20 juli 2011 en 21 maart 2012 die de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) tussen de appellanten - verder respectievelijk [appellanten] en gezamenlijk [appellanten] te noemen als eisers en de geïntimeerden - verder VEC en Galliata te noemen als gedaagden heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

[appellanten] hebben bij exploiten van 12 juni 2012 VEC en Galliata aangezegd van het vonnis van 21 maart 2012 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van VEC en Galliata voor dit hof.

2.2

Bij memorie van grieven hebben [appellanten] drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en nieuwe producties in het geding gebracht.

Zij hebben gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de vorderingen van [appellanten] alsnog zal toewijzen, met hoofdelijke veroordeling van VEC en Galliata tot terugbetaling aan hun van de proceskosten van de eerste aanleg en tot veroordeling van hen in de kosten van het hoger beroep.

2.3

Bij memorie van antwoord hebben VEC en Galliata verweer gevoerd en een aantal producties in het geding gebracht. Zij hebben geconcludeerd dat het hof [appellanten] in hun hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren althans de grieven ongegrond zal verklaren, onder bekrachtiging van het bestreden vonnis en met veroordeling van [appellanten] in de kosten van de beide instanties (waarmee kennelijk zijn bedoeld de kosten van het hoger beroep).

2.4

Ter terechtzitting van 24 mei 2013 hebben de partijen de zaak doen bepleiten, [appellanten] door mr G.J. Knotter, advocaat te Utrecht, en VEC en Galliata door mr D.G. Veldhuizen en mr P.F. Doornik, advocaten te Amsterdam. Mrs. Veldhuizen en Doornik hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. Aan VEC en Galliata is daarbij akte verleend van het overleggen van een aantal producties.

2.6

Na afloop van de pleidooien is de zaak naar een roldatum verwezen voor doorhaling of het vragen van arrest, omdat de partijen wilden trachten de zaak in der minne te regelen. Uiteindelijk hebben de partijen, van wie [appellanten] de stukken van de beide instanties hebben overgelegd, arrest gevraagd.

3 De grieven

[appellanten] hebben - zakelijk weergegeven - de volgende grieven aangevoerd.

1. Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat [bedrijf 1] als voorwaarde voor een bij hem af te sluiten pensioenovereenkomst heeft gesteld dat zijn vordering ter zake van achterstallige premies ten belope van € 978.818,88 volledig wordt voldaan en dat is komen vast te staan dat de [bedrijf 2] niet in staat was om aan die voorwaarden te voldoen.

2. Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat het faillissement van [bedrijf 2] , gevolgd door de beëindiging van de aansluitingsovereenkomst en het voorwaardelijk aanbod van het [bedrijf 1] , dienen te worden beschouwd als zodanige omstandigheden dat een beroep van [appellanten] op ongewijzigde instandhouding van de [bedrijf 1] -pensioenregeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

3. Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat de pensioenregeling bij [bedrijf 3] in het licht van alle omstandigheden van het geval dient te worden aangemerkt als een redelijk alternatief voor de pensioenregeling bij het [bedrijf 1] .

4 De vaststaande feiten

Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties de navolgende feiten vast.

4.1

VEC houdt zich bezig met arbo- en verzuimdienstverlening, alsmede met de interne

en externe re-integratie van arbeidsongeschikte werknemers.

4.2

In december 2005 werd [bedrijf 2] enig aandeelhouder van zowel VEC als [bedrijf 4] .

Op dat moment hield [bedrijf 2] tevens de aandelen in zes andere vennootschappen, waaronder [bedrijf 5] . en [bedrijf 6]

Tezamen met de zes vennootschappen vormden VEC en [bedrijf 9] de " [bedrijf 2] ".

4.3

In april 2007 heeft [bedrijf 2] de aandelen in VEC overgedragen aan [bedrijf 7] .

De aandelen in [bedrijf 7] werden gehouden door aandeelhouders van [bedrijf 8] .

[bedrijf 2] is op 19 september 2007 failliet verklaard.

Na de faillietverklaring heeft [bedrijf 8] de door [bedrijf 2] gehouden aandelen in het kapitaal van onder meer [bedrijf 5] ., [bedrijf 6] en [bedrijf 9] gekocht.

Op 27 februari 2009 heeft [bedrijf 8] haar aandelenkapitaal in de vennootschappen van [bedrijf 2] en [bedrijf 7] (inclusief VEC) verkocht aan Galliata. Deze groep van vennootschappen wordt aangeduid als de " [bedrijf 10] ".

[bedrijf 5] . en [bedrijf 6] zijn op 21 september 2010 failliet verklaard.

4.4

[appellant 1] is vanaf 1 juli 2006 tot heden in dienst van VEC.

Van 1 februari 1992 tot 1 juli 2006 was [appellant 1] in dienst van [bedrijf 2] c.q. diens rechtsvoorgangers.

4.5

[appellant 2] is vanaf 1 mei 2008 tot heden in dienst van VEC.

Vanaf 1 februari 1992 was zij achtereenvolgens in dienst van [bedrijf 2] c.q. diens rechtsvoorgangers (tot 1 juli 2006), [bedrijf 11] (tot 1 maart 2007) en [bedrijf 12] (tot 1 mei 2008).

4.6

[appellant 3] is op 1 maart 2009 in dienst getreden van [bedrijf 5] ., welk

dienstverband is geëindigd als gevolg van opzegging door de curator per 7 december 2010. [appellant 3] was in de daaraan voorafgaande periode in dienst van [bedrijf 2] c.q. diens rechtsvoorgangers (van 1977 tot 1 juli 2006), van [bedrijf 11] (tot 1 maart 2007) en van VEC (van 1 maart 2007 tot 1 maart 2009).

4.7

[appellant 4] is vanaf 1 juli 2006 tot heden in dienst van VEC.

Van 29 juli 1977 tot 1 juli 2006 was [appellant 4] in dienst van [bedrijf 2] c.q. haar rechtsvoorgangers.

4.8

[appellant 5] is vanaf 1 mei 2009 tot heden in dienst van VEC.

Vanaf 2 augustus 1980 was [appellant 5] achtereenvolgens in dienst van [bedrijf 2] c.q. diens rechtsvoorgangers (tot 1 juli 2006), VEC (tot 1 maart 2009) en [bedrijf 5] . (tot 1 mei 2009).

4.9

Tussen [bedrijf 2] en ABVAKABO FNV bestond een ondernemings-cao met

een looptijd van 1 juli 2006 tot 1 januari 2008. Deze cao was van toepassing verklaard op alle medewerkers in dienst van de vennootschappen behorende tot de [bedrijf 2] . Artikel 8 lid 1 van die cao luidt: De werkgever is op basis van een vrijwillige aansluiting aangesloten bij de Stichting Pensioenfonds [bedrijf 1] . De werkgever zorgt dat alle werknemers per 1-7-2006 worden aangemeld bij het [bedrijf 1] en eventueel andere hierbij relevante stichtingen. Alle nieuwe medewerkers, bij indiensttreding, aangemeld worden bij het [bedrijf 1] . Het pensioenreglement van de Stichting [bedrijf 1] is van toepassing.

Deze regeling betreft een middelloonregeling. Het [bedrijf 1] kent tevens een FPU-regeling.

4.10

Als gevolg van het faillissement van [bedrijf 2] heeft het [bedrijf 1] de

aansluitingsovereenkomst per 19 september 2007 beëindigd.

Het [bedrijf 1] heeft aan de niet gefailleerde werkmaatschappijen behorende tot de [bedrijf 2] een nieuw aansluitingscontract aangeboden. Van dit aanbod heeft de (nieuwe) aandeelhouder in deze vennootschappen, [bedrijf 8] , geen gebruik gemaakt.

4.11

Begin 2008 heeft de directie van [bedrijf 2] na een pensioenvergelijkend onderzoek in overleg met de ondernemingsraad en ABVAKABO FNV vier grote pensioenverzekeraars geselecteerd. [bedrijf 2] heeft uiteindelijk voor de pensioenregeling van [bedrijf 3] gekozen en op 21 februari 2008 een formele instemmingsaanvraag bij de ondernemingsraad ingediend. Deze procedure is niet afgerond, omdat de ondernemingsraad tussentijds is opgestapt.

4.12

[bedrijf 2] heeft vervolgens met terugwerkende kracht een collectief pensioencontract afgesloten met [bedrijf 3] met ingang van 19 september 2007. Deze regeling betreft een beschikbare premieregeling, waarin het eindresultaat op de

pensioendatum afhankelijk is van de stand van de beleggingen.

De nieuwe pensioenregeling van [bedrijf 3] voorziet niet in een FPU-regeling.

5 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1

Tussen partijen is in geschil in hoeverre VEC in 2007 gerechtigd was om de voor [appellanten] op grond van artikel 8 van de bedrijfscao geldende (middelloon) pensioenregeling bij het [bedrijf 1] eenzijdig te wijzigen in een beschikbare premieregeling bij [bedrijf 3] .

5.2

De meest verstrekkende stelling van [appellanten] is dat de nieuwe pensioenregeling vernietigbaar is op grond van artikel 12 Wet cao, daarbij stellend dat de cao nooit is geëindigd en dat er ingevolge artikel 8 van die cao aansluiting bij [bedrijf 1] moet zijn.

[appellanten] hebben deze stelling geponeerd in hun conclusie van repliek en herhaald bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep.

De kantonrechter heeft geen oordeel over deze stelling overwogen en evenmin hebben [appellanten] een grief te dezer zake aangevoerd.

Nu het een beroep op een (in artikel 12 Wet cao vastgelegde) nietigheid betreft, dient het hof ook ambtshalve te onderzoeken of hier sprake is van een nietig beding in de zin van dat wetsartikel.

5.3

Artikel 12 Wet cao heeft slechts betrekking op arbeidsovereenkomsten tussen een werkgever en een werknemer die beiden aan de cao gebonden zijn door middel van de onderhavige arbeidsovereenkomsten.

Dat een of meer van de appellanten lid was van ABVAKABO FNV en aldus gebonden is aan de onderhavige cao, is gesteld noch gebleken.

Nu onvoldoende is gesteld om nietigheid op grond van artikel 12 Wet cao aan te nemen, moet het beroep daarop worden verworpen.

5.4

Tussen de partijen is niet in geschil dat de cao is geïncorporeerd in de individuele arbeidsovereenkomsten van [appellanten] .

5.5

Het hof overweegt voorts dat niet gesteld of gebleken is dat de cao (in elk geval niet vóór of in 2008) is opgezegd of dat de (in de arbeidsovereenkomsten geïncorporeerde) bepaling van artikel 8 van de cao is vervangen door die van een andere cao of enige arbeidsvoorwaardenregeling die in de arbeidsovereenkomsten is geïncorporeerd. De cao had weliswaar een looptijd tot 1 januari 2008, maar deze is, nu in de cao niet is bepaald dat verlenging ervan is uitgesloten, op grond van artikel 19 Wet cao verlengd.

Zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen, is de cao niet door het faillissement van [bedrijf 2] geëindigd.

Dit brengt mede dat VEC ook na 19 september 2007 in beginsel verplicht was zorg te dragen voor de nakoming van de pensioenregeling bij het [bedrijf 1] .

5.6

Vast staat dat in de onderhavige arbeidsovereenkomsten niet een eenzijdig wijzigingsbeding, zoals bedoeld in artikel 7:613 Burgerlijk Wetboek en artikel 19 Pensioenwet, is opgenomen.

5.7

Voorts staat vast dat [bedrijf 2] , de voormalige aandeelhoudster van VEC, op 19 september 2007 in staat van faillissement is verklaard en dat het [bedrijf 1] met ingang van die dag de aansluitingsovereenkomst als geëindigd heeft beschouwd.

5.8

Bij een in eerste aanleg overgelegde brief van (het kantoor van) de curator in het faillissement van [bedrijf 2] aan ( [persoon 1] en [persoon 2] van) [bedrijf 2] van 30 november 2007 heeft deze medegedeeld dat het [bedrijf 1] een vordering op [bedrijf 2] ten belope van € 978.818,88 heeft, grotendeels toe te rekenen aan de diverse werkmaatschappijen van de gefailleerde vennootschap. Voorts is namens de curator geschreven: Het [bedrijf 1] heeft te kennen gegeven bereid te zijn een nieuwe eventueel tijdelijke aansluiting voor de werkmaatschappijen te realiseren. Dit onder de voorwaarde dat de hiervoor genoemde vordering van € 978.818,88 geheel of gedeeltelijk wordt voldaan. Mocht u geïnteresseerd zijn in nieuwe aansluitingen bij het [bedrijf 1] , dan kunt u rechtstreeks contact opnemen met [persoon 3] van het [bedrijf 1] .

Ook staat vast dat [persoon 3] namens het [bedrijf 1] bij e-mailbericht van 21 december 2007 naar aanleiding van een vraag van een voormalige medewerker van [bedrijf 2] of de volledige schuld moest worden voldaan (met de opmerking Het kan toch niet zo zijn dat het [bedrijf 1] de vordering gebruikt om aansluiting van de genoemde werkmaatschappijen te blokkeren) heeft medegedeeld dat voorwaarde voor aansluiting is dat alle achterstallige premies voor die werknemers worden voldaan. Deze eis vinden wij wel redelijk.

Bij een eveneens in eerste aanleg overgelegd e-mailbericht van 18 januari 2008 heeft [persoon 3] van het [bedrijf 1] aan [persoon 1] van [bedrijf 2] (onder meer) bericht: De curator heeft het aanbod van [bedrijf 1] bekend gemaakt en [persoon 2] heeft dit aanbod in beraad genomen. ... Overigens heeft een van uw werknemers geïnformeerd naar de mogelijkheid om per werkmaatschappij vrijwillig aan te sluiten en een betalingsregeling te treffen. Dit zou voor [bedrijf 1] geen optie zijn geweest.

5.9

Uit deze correspondentie blijkt dat het [bedrijf 1] voor voortzetting van de pensioenregeling als voorwaarde heeft gesteld dat die zou gelden voor de werknemers van alle werkmaatschappijen van [bedrijf 2] en dat bovendien de achterstallige premies met betrekking tot al die werknemers zou worden voldaan.

Feiten of omstandigheden waaruit volgt dat het [bedrijf 1] de pensioenregeling voor de onderhavige werknemers zou hebben hervat wanneer niet volledig aan de voornoemde voorwaarden zou zijn voldaan, zijn niet gesteld of gebleken.

De mededeling van de curator dat de vordering geheel of gedeeltelijk moet worden voldaan kan niet tot een ander oordeel leiden, nu uit de (latere) voornoemde mededelingen van het [bedrijf 1] blijkt dat het [bedrijf 1] de voornoemde voorwaarden wel duidelijk heeft gesteld.

5.10

VEC en Galliata hebben gesteld dat het de [bedrijf 2] in economisch opzicht slecht is gegaan, dat de aandeelhoudster [bedrijf 2] in staat van faillissement is verklaard, dat het [bedrijf 1] daarop de aansluitingsovereenkomst met [bedrijf 2] heeft beëindigd en slechts een nieuwe aansluitingsovereenkomst wilde sluiten onder de voorwaarde dat de opgelopen voornoemde vordering van het [bedrijf 1] jegens de [bedrijf 2] geheel zou worden voldaan en dat alle ondernemingen van die groep zich opnieuw dienden aan te sluiten.

De vraag is in de eerste plaats of hier sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden op het werk dat VEC (en haar aandeelhouder Galliata als rechtsopvolger van de toenmalige aandeelhouder(s)) hierin als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden in die zin dat voor [appellanten] niet langer de pensioenovereenkomst met het [bedrijf 1] is voortgezet (waartoe VEC op grond van de arbeidsovereenkomst in beginsel verplicht was), maar de afgesloten overeenkomst met [bedrijf 3] is aangegaan.

5.11

Uit de overgelegde financiële stukken met betrekking tot de [bedrijf 2] is voldoende gebleken dat die in de loop der jaren in zware financiële problemen is geraakt: zij had een negatief groepsvermogen van enige miljoenen euro's en aanzienlijke schulden, waaronder een schuld jegens het [bedrijf 1] wegens achterstallige pensioenpremies ten belope van

€ 978.818,88. Op 19 september 2007 is [bedrijf 2] in staat van faillissement verklaard.

Ook [bedrijf 7] , die met ingang van april 2007 de aandeelhoudster van VEC was, en haar aandeelhoudster [bedrijf 8] hadden destijds een zwakke financiële positie: het negatieve eigen vermogen van [bedrijf 7] beliep in 2007 € 6.449.475,-- en dat van [bedrijf 8] € 1.361.242,--, terwijl deze vennootschappen in 2007 verliezen leden.

5.12

Tevens staat vast, zoals hiervoor is overwogen, dat het [bedrijf 1] de aansluitingsovereenkomst door het faillissement van [bedrijf 2] heeft beëindigd en slechts een nieuwe aansluitingsovereenkomst voor de onderhavige werknemers wilde sluiten onder de voorwaarden dat zijn gehele vordering op de [bedrijf 2] ten belope van € 978.818,88 zou worden voldaan èn dat alle ondernemingen van die groep zich opnieuw zouden aansluiten.

5.13

Het hof overweegt dat VEC alleen niet in staat was om aan die voorwaarden van het [bedrijf 1] te voldoen, nu zij een met een eigen resultaat van niet meer dan € 1.717.237,-- in 2007 en van € 709.434,-- in 2008 niet of zeer moeilijk in staat was de hoge vordering van het [bedrijf 1] te voldoen en bovendien geen zeggenschap had over de andere ondernemingen van de [bedrijf 2] en derhalve niet kon beslissen over hun vernieuwde aansluiting bij het [bedrijf 1] .

Ook de toenmalige aandeelhoudster [bedrijf 7] en haar aandeelhoudster [bedrijf 8] leden, zoals hiervoor is overwogen, verliezen en kampten met een negatief eigen vermogen, zodat ook zij niet konden voldoen aan de eis van het [bedrijf 1] tot voldoening van de aanzienlijke schuld van de [bedrijf 2] jegens het [bedrijf 1] .

5.14

Bovendien kon van VEC niet gevergd worden - nog afgezien van het feit dat zij daartoe alleen niet in staat was - dat zij de achterstallige schuld van de gehele [bedrijf 2] jegens het [bedrijf 1] zou voldoen, nu deze schuld ook werknemers betrof die niet bij VEC in dienst waren en waarmee VEC geen bemoeienis had.

5.15

De onder 5.11 tot en met 5.14 genoemde omstandigheden vormen een zodanige wijziging van omstandigheden dat VEC daarin als goed werkgever (in de zin van artikel 7:611 BW) aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een redelijk voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden in die zin dat niet langer zou worden voldaan aan de bepaling in de arbeidsovereenkomsten dat de werknemers aangemeld blijven bij het [bedrijf 1] .

5.16

Vast staat voorts dat de directie van de [bedrijf 2] na een vergelijkend onderzoek inzake pensioenverzekeringen in overleg met de ondernemingsraad en ABVA KABO FNV vier grote pensioenverzekeraars heeft geselecteerd en uiteindelijk heeft gekozen voor de pensioenregeling van [bedrijf 3] , met welk alternatief volgens VEC en Galliata 90% van de werknemers heeft ingestemd.

5.17

[appellanten] hebben in hun toelichting op grief 3 aangevoerd dat in ogenschouw moet worden genomen de vraag of de pensioenregeling bij [bedrijf 3] het enige redelijke alternatief was.

In het bijzonder hebben [appellanten] erop gewezen dat de pensioenen volgens de pensioenregeling bij [bedrijf 3] afhankelijk zijn van de stand van de beleggingen en dat de regeling bij [bedrijf 3] niet voorziet in een FPU-regeling.

Zij hebben gesteld dat het voor de hand liggende alternatief een verzekerde middelloonregeling zou zijn geweest en dat naar een alternatief (of compensatie) ter vervanging van de FPU-regeling had kunnen worden gezocht.

5.18

Alvorens de vraag te beantwoorden of de aangeboden pensioenregeling bij [bedrijf 3] als een redelijk voorstel tot wijziging van de arbeidsovereenkomsten moet worden aangemerkt en of de aanvaarding daarvan van [appellanten] gevergd had kunnen worden, wenst het hof nadere inlichtingen te verkrijgen omtrent de destijds aanwezige mogelijkheden voor een andere pensioenregeling ter vervanging van de aansluiting bij het [bedrijf 1] .

In het bijzonder wenst het hof te worden geïnformeerd over de vraag of er mogelijkheden waren tot het treffen van een pensioenregeling die meer dan de gepresenteerde regeling bij [bedrijf 3] overeenkwam met de aansluiting bij het [bedrijf 1] , met name ook waar het de onafhankelijkheid van de stand van de beleggingen en het bestaan van een regeling vergelijkbaar met die van de FPU-regeling betreft en welke premies en/of andere lasten aan dergelijke regelingen zouden zijn verbonden (in vergelijking met zowel de aansluiting bij het [bedrijf 1] als met de gepresenteerde regeling bij [bedrijf 3] ).

VEC en Galliata dienen de destijds verkregen offertes van de door hen benaderde pensioenverzekeraars over te leggen, duidelijk te maken welke alternatieven er bestonden en waarom de keuze is gemaakt voor de onderhavige regeling bij [bedrijf 3] .

5.19

Opdat VEC en Galliata de hiervoor bedoelde stukken kunnen overleggen en inlichtingen kunnen verschaffen, zal de zaak naar de in het dictum te noemen roldatum worden verwezen voor het vragen van een akte door VEC en Galliata.

[appellanten] zullen daarop vervolgens bij akte mogen reageren.

5.20

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

1. verwijst de zaak naar de roldatum 16 juni 2015 voor het vragen van een akte door VEC en Galliata;

2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs H. van Loo, W. Duitemeijer en R.S. de Vries en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 19 mei 2015.