Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:3378

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-05-2015
Datum publicatie
23-07-2015
Zaaknummer
200.152.345
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging partneralimentatie. Ontbreken lotsverbondenheid. Ingangsdatum en terugwerkende kracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2015/122
FJR 2016/41.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.152.345

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 251263)

beschikking van de familiekamer van 12 mei 2015

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P.B. van Eck-Molenaar te Gouda,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.J. van Vliet te Nijmegen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 15 april 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift, ingekomen op 15 juli 2014;

  • -

    het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, ingekomen op 10 september 2014;

  • -

    het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen op 5 november 2014;

  • -

    een journaalbericht van mr. Van Vliet van 6 maart 2015;

  • -

    een journaalbericht van mr. Van Vliet met bijlagen (productie 16-30), ingekomen op 27 maart 2015;

  • -

    een journaalbericht van mr. Van Eck-Molenaar met bijlage (productie 31), ingekomen op 27 maart 2015.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 7 april 2015 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn op 29 oktober 1999 met elkaar gehuwd.

3.2

Zij zijn de ouders van:

  • -

    [kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2000, en

  • -

    [kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2001.

De man en de vrouw oefenen samen het ouderlijk gezag uit over de kinderen.

3.3

Bij beschikking van 19 oktober 2012 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, voor zover hier van belang, echtscheiding tussen partijen uitgesproken, bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben en de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vanaf de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tot 19 oktober 2013 op nihil gesteld en met ingang van 19 oktober 2013 op € 136,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Daarnaast heeft de rechtbank de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand bepaald tot 19 oktober 2013 op nihil en met ingang van 19 oktober 2013 op € 200,- per maand.

3.4

Het huwelijk van partijen is op 15 november 2012 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de vrouw in de kosten van levensonderhoud van de man.

Bij de besteden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 november 2012 in die zin gewijzigd dat de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud wordt vastgesteld op:

  • -

    € 1.664,- per maand van 1 januari 2013 tot 18 maart 2013;

  • -

    € 1.248,- per maand van 18 maart 2013 tot 1 juni 2013;

  • -

    € 1.642,- per maand van 1 juni 2013 tot 19 oktober 2013;

  • -

    € 1.634,- per maand van 19 oktober 2013 tot 1 januari 2014;

  • -

    € 1.628,- per maand met ingang van 1 januari 2014;

in de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen en het meer of anders verzochte afgewezen.

4.2

De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende:

  1. het verzoek van de man tot wijziging van de bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud af te wijzen dan wel de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek;

  2. de partneralimentatieverplichting van de vrouw met ingang van 1 januari 2013, althans met ingang van de datum van het verweerschrift (18 november 2013), althans met ingang van de datum die het hof juist acht te beëindigen dan wel te limiteren in hoogte en tijd, subsidiair te matigen dan wel te limiteren, meer subsidiair op nihil te stellen, dan wel een zodanige uitspraak te doen als het hof juist acht.

De vrouw voert ter onderbouwing van haar verzoek twaalf grieven aan. In haar eerste grief stelt de vrouw dat het gedrag van de man jegens haar dermate grievend is geweest dat de lotsverbondenheid tussen partijen is komen te vervallen. De tweede en derde grief zien op de behoefte en behoeftigheid van de man. In grief IV stelt de vrouw dat de partneralimentatie dient te worden gelimiteerd, zowel in hoogte als in duur. De grieven V, VI, VII en VIII zien op de draagkracht van de vrouw. De grieven IX en X zien op de lasten van de man in het kader van de te maken jusvergelijking. Grief XI ziet op de terugwerkende kracht van de beslissing van de rechtbank. Grief XII mist zelfstandige betekenis en zal daarom niet afzonderlijk besproken worden.

4.3

De man is in incidenteel hoger beroep gekomen. Hij verzoekt het hof:

  • -

    het verzoek in hoger beroep van de vrouw af te wijzen;

  • -

    de partneralimentatie met ingang van 1 januari 2013 toe te wijzen zonder de matiging na 18 maart 2013;

  • -

    bij de vaststelling van de draagkracht geen rekening te houden met haar advocaatkosten, anders ook rekening te houden met de advocaatkosten van de man;

  • -

    bij de vaststelling van de draagkracht van de man rekening te houden met een aflossing op zijn schuld en rente aan de [werkgever] van € 1.000,- per maand in plaats van € 500,- per maand;

  • -

    bij de vaststelling van het voordeling spaarpotbedrag minimaal uit te gaan in het eerste jaar van € 337,50 netto per maand in plaats van € 160,- per maand,

- kosten rechtens.

De man voert hiertoe vier grieven aan. De eerst grief ziet op de matiging van de onderhoudsbijdrage door de rechtbank. Grief II en IV zien op de draagkracht van de vrouw. De derde grief ziet op de schulden van de man waarvan de man stelt dat daar in het kader van de jusvergelijking rekening mee dient te worden gehouden.

4.4

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

Ten aanzien van de lotsverbondenheid

5.1

De vrouw stelt in haar eerste grief dat de man zich jegens haar dusdanig grievend heeft gedragen dat daardoor de lotsverbondenheid tussen hen is verbroken. Met ingang van 1 januari 2013 werkt de vrouw als woordvoerder voor [werkgever] Nederland, onder meer voor de Raad van Bestuur. Zij wordt in deze functie beoordeeld op eigenschappen als geloofwaardigheid, betrouwbaarheid, openheid en integriteit. De man heeft zich niet alleen jegens [werkgever] [plaats], waarmee hij stelt een zakelijk geschil te hebben, maar ook jegens [werkgever] Nederland, zonder enige noodzaak grievend en kwetsend over de vrouw uitgelaten in een door hem opgestelde samenvatting van vele pagina’s (productie 2 verweerschrift in eerste aanleg, tevens zelfstandig verzoek). De vrouw heeft zich hiervoor bij herhaling bij verschillende functionarissen binnen [werkgever] Nederland moeten verantwoorden. Na het inbrengen van deze stukken in eerste aanleg heeft man zich bovendien nog gewend tot de afdeling klachtenprocedure van [werkgever] Nederland met een klacht richting de directeur communicatie, met een kopie naar de leden van de Raad van Bestuur. Dit is extra belastend voor de positie van de vrouw omdat daardoor ook collega’s van de vrouw direct worden geconfronteerd met de belastende verklaringen jegens de vrouw. Bovendien heeft de man gedreigd een voor de vrouw kwetsende brief aan de kinderen van partijen te laten lezen (productie 4 bij het verweerschrift in eerste aanleg, tevens zelfstandig verzoek).

5.2

De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd weersproken. De man stelt dat [werkgever] [plaats] informatie over zijn zakelijke conflict over een bedrijfskrediet ten onrechte heeft doorgespeeld aan de vrouw. De man is hierover gerechtvaardigd verontwaardigd, omdat zijn privacy hierdoor is geschonden. Daarbij komt volgens de man nog dat een procedure van [werkgever] [plaats] jegens hem niet noodzakelijk was geweest indien de vrouw in deze alimentatieprocedure hem direct de financiële informatie had verstrekt die nodig was om een draagkrachtberekening kunnen te maken. De vrouw wist immers al eerder dat zij alimentatieplichtig was jegens de man. Doordat de vrouw deze medewerking niet heeft verleend, is de kwestie tussen de [werkgever] [plaats] en de man geëscaleerd. De man heeft sterk het vermoeden dat de vrouw haar bijzondere positie binnen [werkgever] Nederland heeft aangewend om een zakelijk afkoopvoorstel van de man te beïnvloeden en te laten afwijzen.

Na jarenlange negatieve gedragingen van de vrouw verdient het gedrag van de man weliswaar geen schoonheidsprijs, maar dit gedrag is in de gegevens omstandigheden wel begrijpelijk en moet worden beschouwd een reactie op het gedrag van de vrouw. De absolute oorzaak van het probleem ligt immers bij de vrouw. De man was met zijn acties nooit uit op het ontslag van de vrouw. Hij heeft letterlijk in zijn correspondentie met de [werkgever] geschreven dat hij het professionele en zakelijke functioneren van de vrouw niet ter discussie stelt. Dat de vrouw goed functioneert blijkt ook wel uit het feit dat zij uiteindelijk een vast contract heeft gekregen. De man heeft zich niet doelbewust gewend tot directe collega’s of de leidinggevende van de vrouw; de man wilde slechts zijn zakelijke conflict oplossen.

De man heeft de samenvatting daarnaast gedeeld met de broers van de vrouw, maar dit heeft geen negatieve gevolgen gehad voor de vrouw. In het belang van de kinderen heeft de man de kinderen nooit iets inhoudelijks verteld over de strijd tussen de ouders.

5.3

Het hof stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of aan de man nog altijd een uitkering voor zijn levensonderhoud moet worden toegekend en zo ja, tot welk bedrag, rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Hieronder zijn ook te verstaan niet-financiële factoren, zoals gedragingen van de man. Daarbij geldt als criterium of voldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken, die maken dat van de vrouw in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd in het levensonderhoud van de man te voorzien. Lotsverbondenheid is een van de voornaamste gronden voor de alimentatieplicht. Niet het mogelijke wangedrag op zichzelf, maar het bij dergelijk gedrag vorderen van steun kan in dat geval een zo kwetsende bejegening van de aangesprokene opleveren, dat van deze laatste betaling van onderhoud moreel niet of niet ten volle kan worden gevergd.

5.4

Voor de beoordeling van de vraag of de lotsverbondenheid tussen partijen is komen te vervallen verwijst het hof allereerst naar rechtsoverwegingen 2.1, 2.2 en 4.5.1 tot en met 4.5.8 van de bestreden beschikking.

Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank als bedoeld onder 4.5.4 tot en met 4.5.7 over en maakt het daarin besloten oordeel tot het zijne.

5.5

Anders dan de rechtbank heeft overwogen in rechtsoverweging 4.5.8 en in aanvulling daarop oordeelt het hof evenwel als volgt. De vrouw heeft - door overlegging van de diverse door de man opgestelde samenvattingen - voldoende heeft aangetoond dat de man met de correspondentie die hij voert richting zowel [werkgever] [plaats] als [werkgever] Nederland de vrouw onnodig en op onaanvaardbare wijze heeft aangetast in haar reputatie, eer en goede naam. De man spreekt in die stukken, onder andere, over de vrouw als een “notoir ontkennende workaholische vrouw,”, “MORALITEIT van een CDA’ster”, “de wormen en maden van een CDA’ster” en “WAT EEN ONTZETTEND GROOT ….. IS DIE “MRS – X” !!! JA NU WEET IK HET ECHT ZOOOO ONGELOOFLIJK ZEKER EN IEDEREEN DIE ER ZELF BIJ MIJ OM VRAAGT ZAL HET GAAN WETEN, MET BEWIJSBARE DETAILS EN INHOUD DESGEWENST!!!” Voor het overige wijst het hof op de door de rechtbank in rechtsoverweging 4.5.4 aangehaalde passages uit de door de man geschreven stukken.

Naar het oordeel van het hof heeft de man met zijn woordkeuze in al deze stukken de in het maatschappelijk verkeer in acht te nemen zorgvuldigheid en betamelijkheid ver overschreden. Het hof acht het voldoende aannemelijk dat het toezenden van dergelijke uitlatingen van de man aan functionarissen binnen de organisatie van de werkgever van de vrouw, de (inkomens)positie van de vrouw - tegen de achtergrond bezien van haar (destijds nog) tijdelijke dienstverband - ernstig in gevaar hebben gebracht. Dat de vrouw, nadat de man de uitlatingen over de vrouw had gedaan, niettemin een vast contract bij [werkgever] Nederland heeft gekregen, doet daaraan niet af. De vrouw is werkzaam als woordvoerder voor [werkgever] Nederland en wordt, naar de vrouw onbetwist heeft gesteld, in deze functie beoordeeld op eigenschappen als geloofwaardigheid, betrouwbaarheid, openheid en integriteit. Naar zij verder voldoende gemotiveerd ter zitting heeft toegelicht, is het schadelijk voor haar reputatie indien haar integriteit door schriftelijke uitlatingen van de man aan haar werkgever voortdurend ter discussie is en wordt gesteld, en kan dit ook in de toekomst haar verdere (doorgroei)-mogelijkheden binnen de organisatie in gevaar brengen. Het hof acht het daarbij van belang dat de man na het geven van de bestreden beschikking niet is gestopt met het doen van deze voor de vrouw schadelijke uitingen, maar dat hij - hoewel de rechtbank de man in die beschikking op niet mis te verstane wijze heeft opgedragen onmiddellijk te stoppen met negatieve uitlatingen over de vrouw jegens derden en de vrouw en zijn zakelijk geschillen met de [werkgever] niet meer in verband te brengen met zijn privé-geschillen met de vrouw - toch op 24 september 2014 een (nieuwe) melding heeft gedaan bij het Meldpunt Kindermishandeling van Bureau Jeugdzorg te Gouda, wederom onder toezending van negatieve uitlatingen over de vrouw.

Het hof acht voorts van belang dat de man met zijn gedragingen welbewust het risico heeft genomen dat het inkomen van de vrouw in gevaar zou komen. Wel wenst de man uit dit inkomen een bijdrage in zijn levensonderhoud te ontvangen. Of anders gezegd: “de man bijt de hand die hem voedt.” Dat de man, zoals door hem ter mondelinge behandeling is betoogd, na het wijzen van de bestreden beschikking niet langer de werkgever van de vrouw heeft aangeschreven doet hieraan niet af, nu de man met zijn eerdere correspondentie reeds de grenzen van het zorgvuldige en betamelijke ver heeft overschreden.

Onder deze omstandigheden, waarbij de man bewust de vrouw heeft aangetast in haar eer en goede naam en het inkomen van de vrouw in gevaar heeft gebracht, levert naar het oordeel van het hof het bij dergelijk gedrag vorderen van financiële steun een zo kwetsende bejegening van de vrouw op, dat van haar betaling in het onderhoud van de man niet langer kan worden gevergd. Het hof is van oordeel dat de lotsverbondenheid tussen partijen op 18 maart 2013 is komen te vervallen, de dag waarop de man de ‘samenvatting’ nogmaals heeft verstuurd naar [werkgever] Nederland.

5.6

Aan het voorgaande doet niet af de - door de vrouw bestreden - stelling van de man dat zijn gedragingen zijn voortgekomen uit de omstandigheid dat de vrouw niet met de door de man gewenste voortvarendheid stukken heeft overgelegd over haar nieuwe functie en inkomenspositie. Ook indien wordt uitgegaan van de juistheid van deze stelling, acht het hof hierin onvoldoende rechtvaardiging gelegen voor de verregaand onzorgvuldige en onbetamelijke handelwijze van de man jegens de vrouw. De hiervoor genoemde stelling van de man, indien al juist, kan in de gegeven omstandigheden evenmin leiden tot gedeeltelijke handhaving van de onderhoudsbijdrage aan de man. Grief I in het principaal hoger beroep slaagt.

5.6

Gelet op het voorgaande is de grondslag aan de betalingsverplichting van de vrouw jegens de man met ingang van 18 maart 2013 komen te vervallen. Dit leidt tot het oordeel dat de man hetgeen door de vrouw aan hem te veel is betaald dient terug te betalen.

Het hof acht weliswaar betreurenswaardig dat de man is getroffen door een herseninfarct, zoals door hem bericht bij journaalbericht van 7 mei 2015, maar gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan dit niet leiden tot een ander oordeel.

Ten aanzien van de ingangsdatum

5.7

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking 1 januari 2013 als ingangsdatum van de gewijzigde onderhoudsverplichting van de vrouw jegens de man bepaald, omdat de vrouw op die datum in dienst is getreden bij de [werkgever] Nederland en de vrouw vanaf dat moment een hoger inkomen had en dus rekening kon houden met een hogere bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de man.

5.8

In haar elfde grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte met terugwerkende kracht een hogere partneralimentatie heeft vastgesteld. Zij voert hiertoe aan dat de man nauwelijks lasten heeft en dat hij in staat is zichzelf een goed inkomen te verwerven. Bovendien is de vrouw niet in staat geweest een financiële buffer aan te legen door alle kosten waarmee zij zich geconfronteerd zag ten gevolge van de echtscheiding. De vrouw verzoekt het hof dan ook om een gewijzigde partneralimentatieverplichting op te leggen met ingang van de datum van de beschikking van het hof, dan wel met ingang van de datum van de beschikking van de rechtbank, dan wel met ingang van een datum als het hof juist acht.

5.9

De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd weersproken. De man voert hiertoe aan dat het inkomen van de vrouw met ingang van 1 januari 2013 fors is gewijzigd, maar dat de vrouw ondanks vele verzoeken van de man en diens advocaat, lang niet heeft meegewerkt aan het verstrekken van financiële informatie die nodig was om een draagkrachtberekening op te stellen. De vrouw kon dus al met ingang van 1 januari 2013 rekening houden met een wijziging van de partneralimentatie. Dat de vrouw geen financiële buffer heeft opgebouwd, leidt niet tot het oordeel dat haar liquiditeitsprobleem op de man mag worden afgeschoven.

5.10

Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.

De rechter dient van zijn bevoegdheid tot vaststelling van een bijdrage over een periode in het verleden een behoedzaam gebruik te maken. De rechter zal moeten beoordelen of van de onderhoudsgerechtigde in redelijkheid kan worden verlangd dat deze gehouden is tot terugbetaling van hetgeen in overeenstemming met haar behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven. Een dergelijke beslissing vraagt in het bijzonder om een toereikende motivering als het verweer is gevoerd dat een aanzienlijk bedrag moet worden terugbetaald en de onderhoudsgerechtigde daartoe niet in staat is.

De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen een behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een voor zijn uitspraak gelegen datum, in het bijzonder indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald. Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een voor zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de eerste rechter vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot hetzelfde gevolg. Dit brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met zijn/haar behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven en, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap moeten geven in de motivering (HR 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4757).

5.11

Het hof hanteert als ingangsdatum van de wijziging van de onderhoudsbijdrage, indien deze op dat moment nog zou hebben bestaan, de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 23 september 2013, nu de vrouw vanaf die datum daadwerkelijk rekening ermee kon houden dat de op haar rustende onderhoudsverplichting in rechte kon worden gewijzigd. Door de man zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven van deze hoofdregel af te wijken. Dat de vrouw, zoals door de man gesteld maar door de vrouw is bestreden, wellicht niet direct de door de man gewenste inkomensgegevens aan de man heeft verstrekt, leidt niet tot een ander oordeel. Het had immers op de weg van de man gelegen op een eerder moment dan hij heeft gedaan een verzoekschrift tot wijziging van de onderhoudsbijdrage in te dienen. Grief XI in het principaal hoger beroep slaagt in zoverre. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in verband met grief I, betekent dit dat de vrouw ook over de periode van 1 januari 2013 tot 18 maart 2013 geen onderhoudsbijdrage aan de man is verschuldigd.

5.12

De man heeft niet gesteld dat - indien het hof mocht oordelen dat een te hoge onderhoudsbijdrage is vastgesteld - het teveel betaalde niet behoeft te worden terugbetaald. Gelet hierop en op de overige omstandigheden van het geval ziet het hof geen reden om te bepalen dat terugbetaling van het teveel betaalde aan de vrouw achterwege dient te blijven.

6 De slotsom

in het principaal hoger beroep

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven I en XI. De grieven II tot en met X en XII behoeven bij deze stand van zaken geen bespreking meer. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

in het incidenteel hoger beroep

6.2

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, behoeven de grieven van de man geen bespreking meer. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

6.3

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de man betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 15 april 2014;

bepaalt dat de verplichting van de vrouw tot het leveren van een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de man is geëindigd op 18 maart 2013;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, C.J. Laurentius-Kooter en D.J. Buijs, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 12 mei 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.