Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:3360

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-05-2015
Datum publicatie
08-06-2015
Zaaknummer
200.115.670-02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verwijzing van het hof naar de rechtbank naar aanleiding van oordeel Hoge Raad over de rechter die in laatste feitelijke instantie over de zaak heeft geoordeeld als bedoeld in artikel 384 Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1028
NJF 2015/322
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.115.670/02

(zaaknummer rechtbank Arnhem, burgerlijk recht, sector kanton, locatie Tiel 823908)


beschikking van de derde civiele kamer van 12 mei 2015

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [plaatsnaam],

verzoeker,

hierna: [verzoeker],

advocaat: mr. J.P. Snoek,


tegen:


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Tiels Schoonmaakbedrijf B.V.,
gevestigd te Tiel,

verweerster,

hierna: TSB,

advocaat: mr. J.L.J.J. Nelissen.

1 Het verdere verloop van het geding

1.1

Het hof verwijst naar zijn tussenbeschikking van 25 februari 2014. Bij deze beschikking heeft het hof overwogen dat het overweegt een prejudiciële vraag te stellen over de vraag of het hof in een situatie als zich in deze zaak voordoet is te beschouwen als ‘de rechter die in laatste feitelijke instantie over de zaak heeft geoordeeld’ als bedoeld in artikel 384 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Partijen hebben de gelegenheid gekregen zich over het voornemen een prejudiciële vraag te stellen, alsmede over de inhoud van de vraag, uit te laten. Partijen hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt.

1.2

Bij beschikking van 17 juni 2014 heeft het hof de hiervoor onder 1.1 vermelde prejudiciële vraag aan de Hoge Raad gesteld.

1.3

Bij prejudiciële beslissing van 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3536, heeft de Hoge Raad voornoemde vraag beantwoord als volgt:

‘indien ondanks een appelverbod hoger beroep is ingesteld met een beroep op een zogenoemde ‘doorbrekingsgrond’ en het beroep op de doorbrekingsgrond is verworpen, dient de rechter in eerste aanleg en niet de appelrechter te worden beschouwd als ‘de rechter die in laatste feitelijke instantie over de zaak heeft geoordeeld’ als bedoeld in art. 384 Rv’.
2. De motivering van de beslissing
2.1 Het hof volhardt bij hetgeen het in de tussenbeschikkingen van 25 februari 2014 en
17 juni 2014 heeft overwogen.

2.2

In de onderhavige procedure heeft [verzoeker], ondanks een appelverbod, bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de kantonrechter van 14 september 2012 met het beroep op een zogenoemde doorbrekingsgrond. Bij beschikking van 24 september 2013 heeft het hof het beroep op de door [verzoeker] aangevoerde doorbrekingsgrond verworpen. Vervolgens heeft [verzoeker] een verzoek tot herroeping van de beschikking van 14 september 2012 van de kantonrechter en/of de beschikking van 24 september 2013 bij dit hof ingediend. De Hoge Raad heeft naar aanleiding van voornoemde prejudiciële vraag van het hof geoordeeld dat de kantonrechter en niet het hof moet worden beschouwd als de rechter die in laatste feitelijke instantie over de zaak heeft geoordeeld als bedoeld in artikel 384 Rv. Gelet op dit oordeel had het verzoek van [verzoeker] achteraf bezien op grond van artikel 384 lid 1 juncto artikel 391 Rv moeten worden gebracht voor de kantonrechter die in eerste aanleg over de zaak heeft geoordeeld.

2.3

Nu de beschikking in eerste aanleg vóór 1 januari 2013 is gegeven door (de kantonrechter in) de rechtbank Arnhem (locatie Tiel) moet deze op grond van artikel CIV Wet herziening gerechtelijke kaart juncto artikel XIV van de Wet tot wijziging van de Wet op de rechterlijke indeling, de Wet op de rechterlijke organisatie en enige andere wetten in verband met de vorming van de arrondissementen Gelderland en Overijssel worden aangemerkt als een beschikking van (de kantonrechter in) de rechtbank Gelderland (locatie Arnhem). De kantonrechter in die rechtbank is derhalve bevoegd om van het verzoek tot herziening kennis te nemen.

2.4

Het voorgaande brengt mee dat het hof zich onbevoegd zal verklaren van het onderhavige verzoek van [verzoeker] kennis te nemen en de zaak in de stand waarin deze zich thans bevindt naar (de kantonrechter in) de rechtbank Gelderland (locatie Arnhem) zal verwijzen.

3 De beslissing

Het hof, beschikkende:


verklaart zich onbevoegd om van het verzoek van [verzoeker] kennis te nemen;

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich thans bevindt naar (de kantonrechter in) de rechtbank Gelderland (locatie Arnhem).

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, M.F.J.N. van Osch en
W. Duitemeijer en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 12 mei 2015.