Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:3322

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-05-2015
Datum publicatie
12-05-2015
Zaaknummer
200.165.111-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling. Opvoedingsomgeving bij de vader onvoldoende gewaarborgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.165.111/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/136880/ FJ RK 14-919)

beschikking van de familiekamer van 7 mei 2015

inzake

[verzoeker],

wonende te [A],

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. G.J.P.M. Grijmans, kantoorhoudend te Bolsward,

tegen

de gecertificeerde instelling: Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,

kantoorhoudend te Leeuwarden,

voorheen genaamd: Bureau Jeugdzorg Friesland,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de moeder] ,

wonende te [B],

hierna te noemen: de moeder.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden (verder te noemen: de rechtbank), van 19 november 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 18 februari 2015, is de vader in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vader verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende te beslissen dat het verzoek tot (het hof begrijpt: verlenging van de) ondertoezichtstelling van [de minderjarige] niet-ontvankelijk is dan wel dit verzoek af te wijzen als zijnde niet gegrond dan wel niet juist.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 16 maart 2015, heeft de GI het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden en verzocht het verzoek in hoger beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met inachtneming van de artikelen 3 en 4 IVRK.

2.3

Ter griffie van het hof is voorts binnengekomen:

- een journaalbericht met bijlagen van 20 maart 2015 van mr. Grijmans;

- een brief met bijlagen van 2 april 2015 van de GI.

2.4

[de minderjarige] is op 14 april 2015, voorafgaand aan de zitting, gehoord door een raadsheer-commissaris.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op dinsdag 14 april 2015 plaatsgevonden. Namens de vader is mr. Grijmans verschenen. Namens de GI zijn verschenen mevrouw [C] (gezinsvoogd) en mevrouw mr. [D] (jurist). Voorts is de moeder verschenen. Mr. [D] heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van door haar overgelegde pleitnotities.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van de ouders is [in] 2000 te [E] geboren de minderjarige [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige]). De ouders zijn gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] belast. [de minderjarige] had haar hoofdverblijfplaats tot 1 april 2015 bij de vader.

3.2

Bij beschikking van de rechtbank van 20 november 2013 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI.

3.3

Bij inleidend verzoekschrift van 8 september 2014 heeft de GI verzocht de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.

3.4

Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank de termijn van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] met ingang van 20 november 2014 verlengd tot 20 november 2015.

3.5

Bij beschikking van de rechtbank van 1 april 2015 is op verzoek van de GI om [de minderjarige] met spoed uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, (spoed)machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 1 april 2015, voor de duur van vier weken en is de beslissing voor het overige aangehouden.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Een minderjarige kan ingevolge artikel 1:254 lid 1 BW (oud) onder toezicht worden gesteld indien hij zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. Ingevolge artikel 1:256 lid 2 BW (oud) kan de duur van de ondertoezichtstelling telkens worden verlengd voor ten hoogste een jaar.

4.2

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] nog steeds aanwezig zijn.

4.3

Het hof is van oordeel dat [de minderjarige], ook los van de heftige echtscheidingsstrijd tussen de ouders, als gevolg waarvan bij [de minderjarige] volgens kindertherapeute mevrouw [F] een forse loyaliteitsproblematiek is ontstaan, ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd.

4.4

Deze ernstige bedreiging bestaat uit de onvoldoende gewaarborgde emotionele en fysieke veiligheid van [de minderjarige] in de opvoedingsomgeving bij de vader.

4.5

Vast staat dat [de minderjarige] sinds 3 april 2015 op grond van een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing in het gezin van haar oom en tante (vaderszijde) in [G] verblijft. De machtiging tot uithuisplaatsing is verleend, omdat de vader bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 31 maart 2015 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, wegens poging tot verleiding van een minderjarig meisje in Tadzjikistan.

4.6

Uit het vonnis van 31 maart 2015 komt naar voren dat de vader een grote emotionele druk heeft gelegd op zijn slachtoffer en dat hij misbruik heeft gemaakt van de afhankelijkheidspositie van het slachtoffer ten opzichte van hem. Het hof deelt in dit verband de zorgen die de GI heeft over de relatie tussen de vader en [de minderjarige] in sociaal-emotionele zin. [de minderjarige] is immers ook afhankelijk van de vader en ook in het verleden is gebleken dat de vader op een te gelijkwaardige manier met [de minderjarige] is omgegaan, waarbij parentificatie in de hand is gewerkt. Ter zitting is namens de vader nadrukkelijk naar voren gebracht dat hij hoger beroep heeft ingesteld van het vonnis van 31 maart 2015 en dat de veroordeling daarom nog niet in kracht van gewijsde is gegaan. Niettemin is het hof van oordeel dat op dit moment van deze veroordeling als feit dient te worden uitgegaan en moet worden vastgesteld dat deze veroordeling een zodanig ernstig strafbaar feit betreft, niet alleen in absolute zin maar met name ook in relatie tot [de minderjarige], dat op dit moment geoordeeld moet worden dat haar emotionele veiligheid onvoldoende is gewaarborgd.

4.7

Ook de fysieke veiligheid van [de minderjarige] wordt in de opvoedingsomgeving bij de vader naar het oordeel van het hof onvoldoende gewaarborgd. Het hof acht bij dit oordeel met name van belang dat de vader [de minderjarige] in december 2014 heeft meegenomen naar Tadzjikistan, terwijl zijn verzoek tot vervangende toestemming voor deze reis door de voorzieningenrechter bij vonnis van 17 december 2014 was afgewezen. De veiligheid van [de minderjarige] kon naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende worden gegarandeerd, gelet op de verdenkingen jegens de vader, die ook in Tadzjikistan bekend waren geworden. Door [de minderjarige] toch mee te nemen naar Tadzjikistan heeft de vader de fysieke veiligheid van [de minderjarige] bewust in gevaar gebracht.

4.8

Het hof is van oordeel dat andere middelen ter afwending van de hiervoor omschreven ontwikkelingsbedreigingen hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. Ter zitting is gebleken dat [de minderjarige] op korte termijn vanuit de GI psychodiagnostisch zal worden onderzocht door een BIG-geregistreerde gedragswetenschapper en dat op basis daarvan gekeken zal worden bij welke hulpverlening zij het meest gebaat is. Het hof heeft er op basis van de overgelegde stukken onvoldoende vertrouwen in dat de vader verder onderzoek en behandeling van [de minderjarige] voldoende zal ondersteunen. Daartoe neemt het hof in aanmerking dat uit de overgelegde stukken is gebleken dat de vader de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] ontkent en dat hij zich niet wil conformeren aan adviezen, afspraken en kennelijk ook niet aan een rechterlijke uitspraak als hij het daar niet mee eens is. Hij bepaalt in dat geval zijn eigen koers en staat daarbij niet open voor een behandeling gericht op gedragsverandering.

4.9

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat aan de gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] is voldaan. De bestreden beschikking zal dan ook worden bekrachtigd.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de bestreden beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 19 november 2014.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.W. Beversluis, mr. W. Foppen en mr. G.K. Schipm├Âlder en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 7 mei 2015 in bijzijn van de griffier.