Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:3320

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-05-2015
Datum publicatie
12-05-2015
Zaaknummer
200.162.765-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek onderbewindstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.162.765/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 3190409 AZ VERZ 14-8347)

beschikking van de familiekamer van 7 mei 2015

inzake

[verzoekster],

wonende te [A],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoekster],

advocaat: mr. J.P.J. Wessels, kantoorhoudend te Hardenberg,

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [de moeder],

wonende te [B],

hierna te noemen: de moeder,

2. [C],

wonende te [E],

hierna te noemen: [C],

3. [D],

wonende te [E],

hierna te noemen: [D],

4. [F],

wonende te [G],

hierna te noemen: [F],

advocaat van de moeder, [C], [D] en [F]: mr. A.A.M. Kroon-Jongbloed, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 14 oktober 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 13 januari 2015, is [verzoekster] in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. [verzoekster] verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en alsnog het verzoek toe te wijzen om de moeder onder bewind te stellen met benoeming van [H] B.V. tot bewindvoerder.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 25 februari 2015, heeft de moeder het verzoek in hoger beroep van [verzoekster] bestreden en verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van [verzoekster] niet-ontvankelijk te verklaren c.q. af te wijzen.

2.3

Ter griffie van het hof zijn voorts binnengekomen:

- op 2 februari 2015 het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de kantonrechter;

- op 3 april 2015 een journaalbericht met bijlage d.d. 2 april 2015 van mr. Wessels;

- op 3 april 2015 een journaalbericht met bijlagen d.d. 2 april 2015 van mr. Kroon-Jongbloed;

- op 9 april 2015 een journaalbericht met bijlage d.d. 8 april 2015 van mr. Kroon-Jongbloed.

2.4

Het journaalbericht met bijlage van mr. Kroon-Jongbloed van 8 april 2015 is door het hof ontvangen met overschrijding van de termijn die in artikel 1.4.4. van het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven wordt genoemd. Mr. Wessels heeft om die reden bezwaar gemaakt tegen kennisname van de bijlage door het hof. Na een korte schorsing heeft het hof beslist om de bijlage wel bij de beoordeling te betrekken, nu de bijlage van recente datum is en bovendien eenvoudig van aard en gemakkelijk te doorgronden.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 14 april 2015 plaatsgevonden. Verschenen is
[verzoekster], bijgestaan door mr. Wessels. Voorts zijn verschenen de moeder, [C], [D] en [F], bijgestaan door mr. Kroon-Jongbloed. De echtgenoot van [verzoekster] heeft als toehoorder de zitting bijgewoond. Mr. Kroon-Jongbloed heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van een door haar overgelegde pleitnotitie.

3 De vaststaande feiten

3.1

De moeder is geboren [in] 1937 en is gehuwd geweest met de heer [I], die [in] 2009 is overleden. Uit dit huwelijk zijn vier kinderen geboren, te weten [C], [verzoekster], [D] en [F].

3.2

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 26 juni 2014, heeft [verzoekster], voor zover te dezen van belang, verzocht om alle goederen die aan de moeder als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren onder bewind te stellen als bedoeld in titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

3.3

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, dit verzoek afgewezen.

4 De motivering van de beslissing

4.1

[verzoekster] is ingevolge het bepaalde in artikel 1:432 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bevoegd tot het doen van het onderhavige verzoek.

4.2

Indien een meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van:

a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel

b. verkwisting of het hebben van problematische schulden,

of indien te verwachten is dat de rechthebbende binnen afzienbare tijd in deze toestand zal verkeren, kan de kantonrechter ingevolge het bepaalde in artikel 1:431 BW een bewind instellen over één of meer van de goederen, die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.

4.3

Op grond van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van dit artikel. In het dossier bevinden zich geen stukken waaruit kan worden opgemaakt dat de moeder tijdelijk of duurzaam niet in staat zou zijn om ten volle haar vermogensrechtelijke belangen waar te nemen. De door [verzoekster] aangehaalde citaten uit e-mails van haar broers [D] en [C] bieden daartoe onvoldoende aanknopingspunten. Door de moeder is weliswaar erkend dat zij ten tijde van het overlijden van haar echtgenoot enkele dagen opgenomen is geweest in een psychiatrische kliniek, en dat zij nog altijd onder behandeling staat van een psycholoog, maar niet gebleken is dat zij als gevolg hiervan niet in staat zou zijn om haar vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk te behartigen. Ter zitting heeft de moeder verklaard dat haar behandelend psycholoog tevreden is over haar huidige psychische toestand en het hof heeft geen aanleiding om de juistheid hiervan in twijfel te trekken.

4.4

Het hof heeft ter zitting, door middel van eigen waarneming en gerichte vragen, ook zelf de indruk gekregen dat de moeder in staat moet worden geacht haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk te behartigen. Het hof neemt bij dit oordeel in aanmerking dat de moeder naar voren heeft gebracht dat zij zelfstandig geld pint en dat zij, omdat zij niet over internetbankieren beschikt, elk overschrijvingsformulier en elke acceptgiro zelf tekent, vóór deze de deur uitgaat. Dat ze bij haar financiële administratie wordt bijgestaan door haar zoons [D] en [C] doet hier niet aan af. De stelling van
[verzoekster] dat de moeder door [D] wordt beperkt in haar uitgaven, acht het hof onvoldoende aannemelijk geworden, mede gelet op de verklaring van de moeder ter zitting dat zij zelf over haar aankopen beslist en dat [D] haar juist stimuleert om meer geld aan zichzelf te besteden.

4.5

Daarenboven heeft de moeder, voor het geval zij in de toekomst niet meer in staat zou zijn om, ten gevolge van een lichamelijke of geestelijke oorzaak, haar belangen te behartigen, op 19 oktober 2011 een algemene (notariële) volmacht verleend aan [C] en [D], die blijkens de tekst van die akte juist is bedoeld om bewind, mentorschap en curatele te voorkomen. Gesteld noch gebleken is dat de moeder niet wilsbekwaam was ten tijde van het verlenen van deze volmacht. Het feit dat, zoals door de moeder is gesteld en door [verzoekster] niet is betwist, tot op heden geen gebruik is gemaakt van deze volmacht, draagt bij aan de overtuiging van het hof dat de moeder zelf ten volle in staat is om haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen.

4.6

Dat de moeder grote sommen geld heeft uitgekeerd aan haar zoons wordt door haar niet betwist. Uit de stukken blijkt echter dat de moeder de intentie had om ook aan [verzoekster] een dergelijk bedrag uit te keren, maar dat de onderhavige aanvraag tot onderbewindstelling haar daarvan heeft weerhouden. Het staat de moeder vrij om deze keuze te maken. Het hof heeft de indruk gekregen dat het onderhavige verzoek tot onderbewindstelling door [verzoekster] is ingegeven door onenigheid met de moeder en haar broers omtrent de afwikkeling van de nalatenschap van haar vader. Het aanvragen van een onderbewindstelling is evenwel niet de geëigende weg om een dergelijk conflict op te lossen.

4.7

Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd en ook anderszins niet aannemelijk is geworden dat de gronden zoals vermeld in artikel 1:431 BW aanwezig zijn. Voor het gelasten van een deskundigenonderzoek, zoals door [verzoekster] verzocht, ziet het hof daarom geen aanleiding.
De slotsom

4.8

Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de bestreden beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 14 oktober 2014.

Deze beschikking is gegeven door mr. W. Foppen, mr. A.W. Beversluis en mr. G.K. Schipmölder en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 7 mei 2015 in bijzijn van de griffier.