Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:3289

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-04-2015
Datum publicatie
11-05-2015
Zaaknummer
21-001689-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:1821, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1024, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van doodslag tot een gevangenisstraf van 7 jaar en tbs met verpleging van overheidswege.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001689-14

Uitspraak d.d.: 30 april 2015

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 19 maart 2014 met parketnummer 05-861911-13 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1981],

thans verblijvende in [detentieadres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 26 augustus 2014 en 16 april 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J.A. Schadd, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair:
hij in of omstreeks de periode van 22 juli 2013 tot en met 23 juli 2013 te [plaats], in elk geval in de gemeente [plaats], althans in Nederland, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, (met kracht) de keel van die [slachtoffer] dicht geknepen en/of (met kracht) de keel van die [slachtoffer] dicht gedrukt en/of (vervolgens) de keel van die [slachtoffer] dicht geknepen en/of dicht gedrukt gehouden en/of een verwurging aangelegd bij die [slachtoffer] en/of (met kracht) de mond en/of de neus van die [slachtoffer] dicht gedrukt en/of (vervolgens) dicht (gedrukt) gehouden en/of anderszins omsnoerend geweld toegepast, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair:
hij in of omstreeks de periode van 22 juli 2013 tot en met 23 juli 2013 te [plaats], in elk geval in de gemeente [plaats], althans in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet (met kracht) de keel van die [slachtoffer] dicht geknepen en/of (met kracht) de keel van die [slachtoffer] dicht gedrukt en/of (vervolgens) de keel van die [slachtoffer] dicht geknepen en/of dicht gedrukt gehouden en/of een verwurging aangelegd bij die [slachtoffer] en/of (met kracht) de mond en/of de neus van die [slachtoffer] dicht gedrukt en/of (vervolgens) dicht (gedrukt) gehouden en/of anderszins omsnoerend geweld toegepast, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof vast dat verdachte in de nacht van 22 op 23 juli 2013 de woning van het slachtoffer is binnengedrongen en haar daar heeft gedood door haar keel dicht te knijpen. De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat dit handelen overeenkomstig het vonnis van de rechtbank als moord dient te worden gekwalificeerd.

De verdachte heeft niet betwist dat hij het slachtoffer opzettelijk heeft gedood. Hij heeft echter wel ontkend dat hij dit met voorbedachte raad heeft gedaan, wat een van de redenen is voor het door hem instelde hoger beroep. De raadsman heeft daarom verzocht om verdachte vrij te spreken van moord.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter er niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad (vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156).

Verdachte heeft steeds ontkend dat hij overeenkomstig een tevoren gemaakt plan heeft gehandeld. Verdachte had geen wapen bij zich toen hij naar slachtoffer ging. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank een aantal omstandigheden genoemd op grond waarvan zij tot het oordeel is gekomen dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Sommige van die omstandigheden deden zich voor vóórdat verdachte in de nacht van 22 op 23 juli 2013 de woning van het slachtoffer ingegaan is. Andere omstandigheden deden zich voor toen verdachte al in de woning van het slachtoffer was.

Als omstandigheden die zich vóór het ten laste gelegde incident hebben voorgedaan, zijn onder meer genoemd:

- vanaf het moment kort na de relatiebreuk tussen verdachte en het slachtoffer (rond 10 juni 2013), verkeerde verdachte in een permanente staat van woede en frustratie in de richting van het slachtoffer;

- in de periode vanaf half juni 2013 heeft verdachte het slachtoffer diverse keren (met de dood) bedreigd;

- op 4 juli 2013 heeft verdachte de kat van het slachtoffer opgehangen;

- op of na 18 juli 2013 is de auto van het slachtoffer onbestuurbaar gemaakt. Er zijn sterke aanwijzingen die in de richting van verdachte wijzen als de dader hiervan;

- op de avond van 22 juli 2013 heeft verdachte diverse keren via Facebook van het slachtoffer gekeken of zij thuis was en verkeerde hij in de veronderstelling dat haar zoontje die avond niet thuis zou zijn;

- tegen zijn vrienden heeft verdachte de bewuste avond gezegd dat hij naar het slachtoffer toe zou gaan en haar kapot zou maken of dat hij haar wat aan zou doen.

Het hof is van oordeel dat met onvoldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die de auto van het slachtoffer onbestuurbaar heeft gemaakt. Daarvoor bevindt zich in het dossier te weinig bewijs.

Wel is vast komen te staan dat verdachte boos was op het slachtoffer, dat hij haar meermalen heeft bedreigd, dat hij haar kat heeft opgehangen, dat verdachte tegen een vriend heeft gezegd dat hij haar kapot zou maken en dat hij is nagegaan of het slachtoffer die avond thuis was en haar zoontje juist niet.

Die omstandigheden zijn echter ontoereikend om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat verdachte in de nacht van 22 op 23 juli 2013 het slachtoffer met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd. Het hof heeft niet de overtuiging gekregen dat het gaat om uitingen van een (voorgenomen) besluit om het slachtoffer van het leven te beroven. Boos, teleurgesteld en gefrustreerd als verdachte was kunnen het telkens impulsieve, emotionele uitingen zijn geweest. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat – zoals uit de hieronder vermelde gedragskundige rapportages blijkt – verdachte lijdende was aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens.

Ook op grond van hetgeen in de woning van het slachtoffer heeft plaatsgevonden, kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Verdachte zelf heeft – zij het niet eenduidig – verklaard dat er een worsteling tussen hem het slachtoffer heeft plaatsgevonden (waarvan de vele kwetsuren op haar lichaam ook getuigen) en dat hij haar meermalen bij de keel heeft gepakt. Er waren geen getuigen aanwezig. Weliswaar heeft een aantal buren een verklaring afgelegd, maar op grond daarvan kan naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld hoe lang verdachte in de woning is geweest en wat er exact is gebeurd. Daarvoor zijn de waarnemingen te verschillend of onduidelijk. Ook de aangetroffen sporen geven daarover geen uitsluitsel. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de oordeelsvorming van verdachte min of meer ernstig kan zijn beïnvloed door het gebruik van cocaïne en alcohol korte tijd daarvóór.

Het hof acht aan de andere kant niet zonder meer aannemelijk dat verdachte uitsluitend naar de woning van het slachtoffer toe is gegaan om daar spullen op te halen, zoals hij heeft verklaard. In dat geval zou het immers niet van belang zijn geweest dat het slachtoffer wél en haar zoontje niét thuis zou zijn. Een andere contra-indicatie voor het aannemen van het scenario dat het hem uitsluitend om spullen te doen zou zijn geweest, vormt ook het gegeven dat in het door verdachte gebruikte voertuig niet of nauwelijks ruimte over was om spullen te vervoeren. Maar uit de omstandigheid dat het verhaal van verdachte niet aannemelijk is, kan niet zonder meer worden afgeleid dat verdachte het slachtoffer iets aan te doen. En zelfs als hij haar iets aan wilde doen, wil dat nog niet zeggen dat hij van te voren het plan heeft gehad/gemaakt of het besluit heeft genomen haar te doden.

Hierbij merkt het hof nog op dat de verklaring van verdachte dat [slachtoffer] met een mes op hem af is gekomen nadat ze hem in haar woning had ontdekt waartegen hij zich heeft verweerd, niet aannemelijk is geworden, alleen al niet omdat verdachte met die lezing van de gebeurtenissen pas in een zeer laat stadium is gekomen.

Het hof is daarom van oordeel dat op basis van de voorhanden bewijsmiddelen niet buiten redelijke twijfel bewezen kan worden verklaard dat verdachte het slachtoffer met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd. Verdachte zal daarom van de primair ten laste gelegde moord worden vrijgesproken. Het zal verdachte wel veroordelen ter zake van de subsidiair ten laste gelegde doodslag.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in of omstreeks de periode van 22 juli 2013 tot en met 23 juli 2013 te [plaats], in elk geval in de gemeente [plaats], althans in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet (met kracht) de keel van die [slachtoffer] dicht geknepen en/of (met kracht) de keel van die [slachtoffer] dicht gedrukt en/of (vervolgens) de keel van die [slachtoffer] dicht geknepen en/of dicht gedrukt gehouden en/of een verwurging aangelegd bij die [slachtoffer] en/of (met kracht) de mond en/of de neus van die [slachtoffer] dicht gedrukt en/of (vervolgens) dicht (gedrukt) gehouden en/of anderszins omsnoerend geweld toegepast, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft verdachte ter zake van moord veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaren en terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

In hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat verdachte overeenkomstig het vonnis van de rechtbank wordt veroordeeld.

Straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in de nacht van 22 op 23 juli 2013 zijn destijds dertigjarige ex-vriendin [slachtoffer] gedood. Hij is haar woning binnengedrongen en heeft haar in de slaapkamer herhaaldelijk de keel dichtgeknepen. De laatste keer heeft hij net zo lang geknepen tot zij niet meer leefde. De volgende ochtend is zij levenloos en liggend in een plas bloed gevonden door haar toen zevenjarige zoontje.

Het beëindigen van hun relatie lijkt de (enige) aanleiding voor verdachte te zijn geweest om haar van het leven te beroven. Verdachte heeft een van de ernstigste levensmisdrijven gepleegd die ons Wetboek van Strafrecht kent. Uit wat door de nabestaanden ter terechtzitting naar voren is gebracht, blijkt dat aan de naaste familie onnoemelijk veel en onherstelbaar leed is toegebracht. Met name voor het zoontje van het slachtoffer betreft het een bijzonder traumatische ervaring die zijn verdere leven zal beïnvloeden. Dit feit heeft bovendien de rechtsorde geschokt en zorgt voor gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de maatschappij.

Gezien de ernst van het feit is oplegging van een zeer langdurige gevangenisstraf gerechtvaardigd. Nu het hof is gekomen tot bewezenverklaring van doodslag en niet – zoals de rechtbank – van moord zal de straf minder hoog zijn dan die welke de rechtbank heeft opgelegd.

Bij de strafoplegging houdt het hof er verder rekening mee dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit verminderd toerekeningsvatbaar was.

Over verdachte zijn door M.C. Overduin, psycholoog en M.D. van Ekeren, psychiater, rapportages uitgebracht. Deze deskundigen hebben in hun rapportages uit 2013 het volgende geconcludeerd.

Bij verdachte is sprake van een gemengde persoonlijkheidsstoornis met borderline-, antisociale en paranoïde trekken. Voorts is sprake van zwakbegaafdheid en alcohol- en cocaïnemisbruik, thans in remissie. Hiervan was ook sprake ten tijde van het ten laste gelegde en dit beïnvloedde de gedragskeuzes en gedraging van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde in die zin dat wordt geadviseerd verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten. De kans op herhaling op de langere termijn van een feit als het onderhavige is bij een uitblijven van behandeling en wanneer verdachte opnieuw een relatie aan zou gaan, aanzienlijk. Verdachte zal niet uit zichzelf de hulpverlening opzoeken. Het basale wantrouwen en de inadequate stresscoping die verdachte door zijn levensmoeilijkheden heeft meegekregen, vergroten de kans op afhaken in een behandeling. Daarin is een gedwongen behandelkader de enige optie om recidive te voorkomen.

In 2015 hebben de beide deskundigen aanvullend gerapporteerd. In die rapportages hebben zij geconcludeerd dat er bij verdachte thans tevens sprake is van een depressie en PTSS met suïcidale intenties. Die problematiek is ontstaan na het gepleegde feit.

Aan de rapportage van mevrouw Overduin ontleent het hof het volgende (p. 15 en 16):

“Aldus groeide betrokkene op tot een man die structureel door voor hem belangrijke personen werd afgewezen en ontkend en die moest leven in een voor hem bedreigende, grillige en vijandige wereld. De suïcide van moeder toen betrokkene 9 jaar oud was moet uiterst traumatiserend zijn geweest. Daarnaast waren er in de jeugdjaren geen stabiele personen, die ook als identificatiefiguur konden dienen. Betrokkene is aldus niet in staat geweest zich te ontwikkelen tot een evenwichtige persoonlijkheid met een eigen identiteit en een stabiel zelfbeeld. Tekenend voor zijn ontwikkeling is de afwijzende vader en de ultieme verlating door de moeder, die maken dat de kinderjaren van betrokkene getekend zijn door schaamte en besef van afwijzing. Hieruit voortkomende woede is niet bespreekbaar, wordt niet geïntegreerd als van zichzelf maar slechts uitgeageerd naar de omgeving. In relaties die nabijheid impliceren, ontstaat al snel actualisatie van de traumatische ervaring van afwijzing en afstand, met als gevolg afwisseling in schaamte, angst en worde. Onderliggend is er sprake van een borderline organisatie.”

“De inadequate wijze waarop betrokkene met de relatiebreuk is omgegaan, past binnen de problematiek in die zin dat hij slechts vanuit de eigen krenking en frustratie heeft getracht een complex probleem op te lossen.”

Het hof verenigt zich met de conclusies van de gedragskundigen en maakt die tot de zijne. Dat betekent dat het hof verdachte verminderd toerekeningsvatbaar acht.

Op grond van het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat in de eerste plaats een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar passend en geboden is.

Daarnaast acht het hof de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege noodzakelijk.

Een verdachte bij wie tijdens het begaan van een feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, kan op last van de rechter ter beschikking worden gesteld indien het door hem begane feit een misdrijf is dat wordt genoemd in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1º van het Wetboek van Strafrecht en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat aan deze voorwaarden is voldaan.

De rapporteurs en de raadsman hebben een voorkeur uitgesproken voor de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden. Deze maatregel kan echter slechts worden opgelegd in combinatie met een gevangenisstraf van maximaal vijf jaren. Het hof komt echter tot een hogere gevangenisstraf dan die vijf jaar. Deze maatregel kan derhalve alleen al om die reden niet worden opgelegd.

Het hof is daarom van oordeel dat terbeschikkingstelling met dwangverpleging de enige optie is waarbij de veiligheid van personen kan worden gewaarborgd en verdachte voldoende behandeld kan worden.

Aangezien het hier een bewezen en strafbaar verklaard misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, bij verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens bestond en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de oplegging van die maatregel eist, is aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege voldaan.

Het bewezenverklaarde feit is een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon in de zin van artikel 359, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Gezien de ernst van de bij verdachte geconstateerde problematiek – die ten dele pas is ontstaan in detentie – acht het hof het aangewezen dat verdachte eerder wordt behandeld dan na ommekomst van twee derde deel van de straf. Het hof zal daarom adviseren dat de terbeschikkingstelling zal ingaan nadat verdachte de helft van zijn gevangenisstraf heeft uitgezeten.

Vorderingen van de benadeelde partijen

In artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering is bepaald welke personen zich als benadeelde partij kunnen voegen. De leden 1 en 2 luiden als volgt:

1. Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.

2. Indien de in het eerste lid bedoelde persoon ten gevolge van het strafbare feit is overleden, kunnen zich voegen diens erfgenamen terzake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen, bedoeld in artikel 108, eerste en tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek terzake van de daar bedoelde vorderingen.

Art. 6:108 eerste en tweede lid van het Burgerlijk Wetboek luiden als volgt:

1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, is die ander verplicht tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud:

a. aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner en de minderjarige kinderen van de overledene, tot ten minste het bedrag van het hun krachtens de wet verschuldigde levensonderhoud;

b. aan andere bloed- of aanverwanten van de overledene, mits deze reeds ten tijde van het overlijden geheel of ten dele in hun levensonderhoud voorzag of daartoe krachtens rechterlijke uitspraak verplicht was;

c. aan degenen die reeds vóór de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, met de overledene in gezinsverband samenwoonden en in wier levensonderhoud hij geheel of voor een groot deel voorzag, voor zover aannemelijk is dat een en ander zonder het overlijden zou zijn voortgezet en zij redelijkerwijze niet voldoende in hun levensonderhoud kunnen voorzien;

d. aan degene die met de overledene in gezinsverband samenwoonde en in wiens levensonderhoud de overledene bijdroeg door het doen van de gemeenschappelijke huishouding, voor zover hij schade lijdt doordat na het overlijden op andere wijze in de gang van deze huishouding moet worden voorzien.

2. Bovendien is de aansprakelijke verplicht aan degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen, deze kosten te vergoeden, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 25.901,30. De benadeelde is in deze vordering door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Gelet op de bovenstaande algemene overweging kan de benadeelde partij niet in zijn vordering worden ontvangen omdat deze niet een persoon is zoals bedoeld in het hierboven aangehaalde artikel 108, eerste en tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.986,34. De benadeelde is in deze vordering door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Gelet op de bovenstaande algemene overweging kan de benadeelde partij niet in haar vordering worden ontvangen omdat deze niet een persoon is, zoals bedoeld in het hierboven aangehaalde artikel 108, eerste en tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 15.491,80. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.166,38. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 5.166,38 ter zake van de gemaakte begrafeniskosten. Gelet op artikel 108, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek is verdachte verplicht om deze kosten te vergoeden. De vordering zal daarom tot dat bedrag worden toegewezen.

De benadeelde partij is niet een persoon zoals bedoeld in het hierboven aangehaalde artikel 108, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. In zoverre is zij niet-ontvankelijk in de vordering.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 11.469,-. De benadeelde is in deze vordering door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 330,- ter zake van de gemaakte begrafeniskosten. Gelet op artikel 108, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek is verdachte verplicht om deze kosten te vergoeden. De vordering zal daarom tot dat bedrag worden toegewezen.

De benadeelde partij is niet een persoon zoals bedoeld in het hierboven aangehaalde artikel 108, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. In zoverre is zij niet-ontvankelijk in de vordering.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 7.343,52. De benadeelde is in deze vordering door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 255,- ter zake van de gemaakte begrafeniskosten. Gelet op artikel 108, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek is verdachte verplicht om deze kosten te vergoeden. De vordering zal daarom tot dat bedrag worden toegewezen.

De benadeelde partij is niet een persoon zoals bedoeld in het hierboven aangehaalde artikel 108, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. In zoverre is zij niet-ontvankelijk in de vordering.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 28.393,-. De benadeelde is in deze vordering door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De benadeelde partij heeft € 7.500,- aan smartengeld gevorderd. In de artikelen 51f van het Wetboek van Strafrecht en artikel 108, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat zogenaamde ‘affectieschade’ niet toewijsbaar is. Voor zover deze post daar op ziet, zal het hof de benadeelde partij in dat deel van de vordering om die reden niet-ontvankelijk verklaren.

Voor zover deze post (ook) ziet op zogenaamde ‘shockschade’, is het hof van oordeel

dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, ook nog nadat de vordering met stukken nader is onderbouwd. Datzelfde geldt voor de gevorderde materiële schade.

De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Adviseert dat de terbeschikkingstelling aanvangt nadat verdachte 3 jaren en

6 maanden van de gevangenisstraf heeft ondergaan.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.082,70 (vierduizend tweeëntachtig euro en zeventig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 2.429,82 (tweeduizend vierhonderdnegenentwintig euro en tweeëntachtig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3], ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 4.082,70 (vierduizend tweeëntachtig euro en zeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 330,00 (driehonderddertig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4], ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 330,00 (driehonderddertig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 5] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 255,00 (tweehonderdvijfenvijftig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 5], ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 255,00 (tweehonderdvijfenvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 6] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door

mr. J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels en mr. R.H. Koning, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. W.B. Kok, griffier,

en op 30 april 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 30 april 2015.

Tegenwoordig:

mr. J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr. M. van Leent, advocaat-generaal,

G. Heeres, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.