Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:3125

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-05-2015
Datum publicatie
01-05-2015
Zaaknummer
21-000650-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft een tussenarrest gewezen om nog nader onderzoek te laten doen naar de psychische gesteldheid en mogelijke invloed medicijngebruik van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000650-14

Uitspraak d.d.: 1 mei 2015

TEGENSPRAAK

Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 28 januari 2014 met parketnummer 19-830337-12 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende en ingeschreven in de FPA Transfore, Gebouw Westerdok, Havennoordzijde 45, 7607 ES Almelo.

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

De stand van het onderzoek in hoger beroep

Het door het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep richt zich tegen de aan verdachte in eerste aanleg opgelegde maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van een jaar, zoals bedoeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht, na een vordering van de officier van justitie tot oplegging van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging. De advocaat-generaal is voornemens overeenkomstig te vorderen.

Zijdens de verdediging is aangekondigd dat – evenals in eerste aanleg – het verweer zal worden gevoerd dat het opzet op het verdachte ten laste gelegde levensdelict alsmede de poging daartoe niet kan worden bewezen, omdat verdachte als gevolg van de haar voorgeschreven medicatie acathisie zou hebben ontwikkeld en daardoor verstoken was van ieder inzicht in de draagwijdte van haar gedragingen. Verdachte zou daarom vrijgesproken moeten worden van het haar ten laste gelegde, aldus de raadsman van verdachte,

mr. J.A.W. Knoester.

Het hof beschikt thans over de navolgende in voornoemd kader relevante stukken:

a.

De rapportage van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, van 12 juni 2013, opgemaakt door A.C. Bruijns, psychiater, en B.H. Boer, klinisch psycholoog.

De conclusie daarvan luidt dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis, bestaande uit een sensitiviteit voor het ontwikkelen van psychoses, geclassificeerd als een psychotische stoornis niet anderszins omschreven. Daarnaast is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, bestaande uit persoonlijkheids-problematiek. Verdachte heeft een kwetsbare, zwak gestructureerde persoonlijkheid, die niet goed bestand is tegen spanningen, hetgeen zich in stressvolle omstandigheden kan uiten in stemmingswisselingen en woede-uitbarstingen. Ook de realiteitstoetsing komt dan sterk onder druk te staan, wat kan leiden tot dissociatie en psychose. Het is niet met zekerheid te stellen, maar beslist niet uit te sluiten dat een acute verhoging van de dosering van het middel venlafaxine de psychische toestand kan hebben beïnvloed en dat de psychotische vertekening, de sterke onrust en het agressieve gedrag deels te verklaren zijn als gevolg van een overdosering venlafaxine. Ook los van een eventuele invloed van het medicatiegebruik op verdachtes psychische toestand is haar eerdergenoemde psychotische- en persoonlijk-heidsproblematiek van doorslaggevende invloed geweest op haar functioneren ten tijde van de ten laste gelegde feiten.

Een gedwongen psychiatrische opname voor de duur van maximaal een jaar in het kader van een artikel 37-maatregel is van een te korte duur om te verwachten dat deze interventie het recidivegevaar voldoende kan beperken. Dat maakt dat een tbs-behandeling noodzakelijk wordt geacht. Het beperkte probleeminzicht van verdachte en de façade van normaliteit, waardoor zij onbewust behandelaars op een verkeerd spoor kan zetten, staan een behandeling in een voorwaardelijk kader in de weg.

Het Pieter Baan Centrum adviseert de rechtbank om verdachte volledig ontoerekenings-vatbaar de achten voor de ten laste gelegde feiten en haar de maatregel van terbeschikking-stelling met bevel tot verpleging op te leggen.

b.

De rapportages van drs. A. de Jong, gz-psycholoog, en dr. T.W.D.P van Os, psychiater en psychoanalyticus, van 24 oktober 2013 respectievelijk 28 oktober 2013, waarin de vraag diende te worden beantwoord of kon worden volstaan met een minder zware maatregel dan door het Pieter Baan Centrum was geadviseerd.

In deze rapportages wordt geconcludeerd dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis der geestvermogens, te weten een psychotische stoornis NAO blijkens haar gevoeligheid voor het ontwikkelen van psychoses. Er zijn geen aanwijzingen voor chronisch aanwezige psychotische fenomenen, zoals bij schizofrenie. Het is zeker niet uit te sluiten dat de psychotische fenomenen en gedragsmatige ontregeling samenhangen met een postpartum-depressie/psychose of een onderliggende bipolaire stoornis, waarvan het beloop nog onduidelijk is. Het is evenmin uit te sluiten dat de psychose versterkt is door het gebruik van venlafaxine. Er zijn geen aanknopingspunten gevonden voor het kunnen vaststellen van een persoonlijkheidsstoornis. Onderzoekers achten het risico van herhaling van een delict zoals het haar ten laste gelegde wel aanwezig, toegespitst op gevaar voor eigen kinderen (maar een kinderwens is afwezig) en suïcidegevaar, maar achten opname in een psychiatrisch ziekenhuis in het kader van een artikel 37-maatregel afdoende om het verlies van haar zoon te verwerken, een delictscenario op te stellen en een terugvalpreventieplan te maken. Indien nodig kan nadien een (ambulante) behandeling in een vrijwillig kader worden vervolgd.

Het vonnis van de rechtbank van 28 januari 2014 is (mede) gebaseerd op vorenstaande rapportages. Het advies van drs. A. de Jong en dr. T.W.D.P. van Os werd overgenomen.

Ter regiezitting van 29 augustus 2014 heeft het hof het verzoek van de verdediging toegewezen om drs. S.J.M. Eikelenboom-Schieveld, gehoord op die terechtzitting, als forensisch-medisch deskundige te laten rapporteren. Voorts achtte het hof aanvullende rapportage van de hiervoor reeds genoemde deskundigen A.C. Bruijns, B.H. Boer,

T.W.D.P van Os en A. de Jong noodzakelijk, nu de door hen opgemaakte rapportages inmiddels ouder dan één jaar waren.

Ter nadere regiezitting van het hof van 17 april 2015 zijn de navolgende stukken aan de orde gekomen.

c.

De brief van 6 maart 2015 van drs. B.H. Boer en dr. P.K.J. Ronhaar, als psycholoog respectievelijk psychiater verbonden aan het Pieter Baan Centrum, aan de raadsheer-commissaris in strafzaken van dit hof, waaruit blijkt dat aanvullende gedragskundige rapportage niet mogelijk was, omdat verdachte haar medewerking daaraan weigerde.

In dit verband is nog van belang te melden dat A.C. Bruijns, psychiater en mederapporteur in het onderzoek van het Pieter Baan Centrum van 12 juni 2013, inmiddels gepensioneerd is en P.K.J. Ronhaar in deze zaak in zijn plaats is getreden. Ronhaar heeft destijds ‘meegelezen’ en is daardoor bekend met de zaak.

d.

De brief van dr. T.W.D.P. van Os aan de raadsheer-commissaris in strafzaken van dit hof van 13 januari 2015, waarin deze de opdracht van het hof om aanvullend te rapporteren teruggeeft. De opgegeven reden daarvoor is – kort samengevat – dat er bij onderzoeker vragen zijn gerezen over de uitkomsten van het onderzoek van drs. S.J.M. Eikelenboom-Schieveld, met name over (de datering van) de door haar gebruikte bloedmonsters en de kennelijk niet eensluidende bevindingen van het Erasmus Medisch Centrum. Verdachte heeft evenwel geen toestemming aan onderzoeker gegeven om contact op te nemen met Eikelenboom voornoemd. Van Os stelt dat, nu hij niet kan verifiëren waarop Eikelenboom haar bevindingen heeft gebaseerd en hij met haar diagnostiek rekening dient te houden bij de beantwoording van de gebruikelijke vraagstelling, hij niet in staat is om aan de opdracht van het hof te voldoen.

Voorts meldt Van Os in zijn brief dat in de gesprekken die hij met verdachte heeft gehad op 23 oktober 2013 en 16 december 2014 naar voren komt “dat onderzochte meer dan een jaar zonder medicatie binnen detentie goed heeft gefunctioneerd maar dat ze in december 2014 opnieuw dusdanig ontregelde dat ze in samenspraak met de psychiater werd ingesteld op een antipsychoticum”.

Uit de brief van mederapporteur, drs. A. de Jong, aan de raadsheer-commissaris in strafzaken van 23 februari 2015 komt naar voren dat verdachte weliswaar te kennen heeft gegeven medewerking te willen verlenen aan (aanvullend) psychologisch onderzoek, maar dat zij geen toestemming gaf voor het opvragen van informatie bij het medisch/

psychologisch personeel van de PIV te Zwolle, noch om een gesprek met haar ouders en haar partner te voeren. Voorts stelt De Jong afhankelijk te zijn van mederapporteur Van Os en diens bevindingen ten aanzien van de specifieke medische en farmaceutische problematiek in deze zaak. Nu Van Os zijn opdracht heeft teruggegeven, is De Jong evenmin in staat om te rapporteren. Ook De Jong maakt melding van verdachtes terugval in december 2014.

e.

Het forensisch medisch onderzoek van drs. S.J.M. Eikelenboom-Schieveld, arts en forensisch medisch onderzoeker, verbonden aan Independent Forensic Services, van

12 april 2015.

In het rapport staat de vraag centraal of er bij verdachte sprake is van genetische afwijkingen, die de omzetting en afvoer van onder meer benzodiazepines (waaronder temazepam) en SSRI’s (waaronder venlafaxine) vertragen, waardoor de medicatie in het lichaam gaat ‘stapelen’ en toxische verschijnselen veroorzaakt.

Geconcludeerd wordt dat in de onderhavige zaak zeer veel steun is voor de hypothese dat betrokkene handelde in een staat van acathisie als uiting van een toxische psychose en weinig steun voor de hypothese dat zij handelde onder invloed van een psychose op basis van een psychiatrische stoornis.

f.

De rapportage van drs. J.M. Oudejans, psycholoog, van 15 april 2015, opgemaakt in opdracht van de verdediging en ter kennis gekomen van het hof op 17 april 2015, de dag waarop de nadere regiezitting plaatsvond.

De conclusie daarvan luidt dat verdachte niet lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Ten tijde van het ten laste gelegde is er evenwel sprake geweest van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een ernstige verwardheidstoestand, die kan worden geclassificeerd als een psychotische stoornis NAO en waarbij, mede gelet op de afwezigheid van aannemelijk alternatieve verklaringen, plausibel is dat die veroorzaakt is door een venlafaxine-intoxicatie. Bij afwezigheid van een chronische psychotische stoornis, een psychotische kwetsbaarheid en pathologie op het vlak van de persoonlijkheid, in samenhang met de overweging dat de kans nihil lijkt dat verdachte ooit nog antidepressiva of andere medicatie zal nemen die het risico van toxische effecten mee kan brengen, alsmede de overweging dat verdachte geen kinderwens heeft en kan terugvallen op een steunende partner en ouders, acht Oudejans het gevaar voor herhaling klein tot zeer klein. Er zijn daarom geen gronden om een advies voor begeleiding of behandeling in een strafrechtelijk kader uit te brengen.

Het hof stelt vast dat drs. J.M. Oudejans zijn bevindingen heeft gebaseerd op gesprekken met verdachte, die in augustus en oktober 2014, derhalve vóór haar terugval in december 2014, hebben plaatsgevonden.

Het hof stelt tevens vast dat de door de verdediging aangevraagde rapportage van de mederapporteur, dr. J.M.J.F. Offermans, psychiater, nog niet voorhanden is. Blijkens informatie van de raadsman van verdachte en hetgeen daaromtrent in de rapportage van Oudejans is opgenomen, zouden de bevindingen van Offermans in overeenstemming zijn met die van Oudejans. Ook Offermans zou blijkens hierover door de verdediging ter zitting van het hof van 17 april 2015 gedane mededeling voor zijn onderzoek verdachte hebben gesproken vóór haar terugval in december 2014.

De hiervoor gememoreerde terugval van verdachte in december 2014 is ter terechtzitting van 17 april 2015 met verdachte besproken en door haar toegelicht, een en ander zoals opgenomen in het proces-verbaal van die terechtzitting. Voorts is naar voren gekomen dat verdachte op 18 maart 2015 vanuit de Penitentiaire Inrichting voor Vrouwen te Zwolle is overgeplaatst naar de FPA Transfore te Almelo.

De verdere voortgang van de procedure in hoger beroep

Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof van 17 april 2015 alsnog haar ongeclausuleerde medewerking aan de totstandkoming van aanvullende rapportage uitgesproken, daaronder tevens begrepen haar toestemming aan de hierna te noemen rapporteurs om ten behoeve daarvan een ieder te benaderen, die de rapporteurs in dat verband wenselijk of noodzakelijk achten. Gelet op de veelheid aan reeds voorliggende onderzoeken, het bewaken van de overzichtelijkheid van de informatie en uit het oogpunt van efficiency zal het hof de opdracht tot het opmaken van aanvullende rapportages beperken tot dr. T.W.D.P van Os, psychiater, en drs. A. de Jong, psycholoog.

Die rapportages zullen, naast de beantwoording van de gebruikelijke vraagstelling, in elk geval een beschouwing dienen te bevatten over verdachtes functioneren in de periode na de datum van de eerdere rapportages van 24 en 28 oktober 2013 tot heden, daaronder tevens begrepen de medicamenteuze aspecten en de overwegingen die ten grondslag hebben gelegen aan de recente overplaatsing van verdachte naar de FPA Transfore te Almelo.

Daarnaast dient in de rapportage te worden gereageerd, voor zover dat binnen de deskundigheid van de rapporteur valt, op de bevindingen van drs. S.J.M. Eikelenboom-Schieveld, zoals neergelegd in haar onderzoeksrapport van 12 april 2015, ook en met name waar het gaat om de reeds door Van Os gesignaleerde mogelijke inconsistenties in de thans voorhanden zijnde gegevens met betrekking tot het DNA-onderzoek en de gebruikte bloedmonsters.

Op de terechtzitting van het hof, waarop de inhoudelijke behandeling zal plaatsvinden, wenst het hof de navolgende deskundigen te horen:

  • -

    drs. S.J.M. Eikelenboom-Schieveld, verbonden aan Independent Forensic Services;

  • -

    dr. T.W.D.P. van Os, psychiater;

  • -

    dr. J.M.J.F. Offermans, psychiater;

  • -

    drs. B.H. Boer, psycholoog, verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht.

Het hof heeft zich bij deze keuze laten leiden door het evidente belang van de medische en medicamenteuze aspecten in deze zaak en derhalve de voorkeur gegeven aan het - voor zover mogelijk - ter terechtzitting horen van de betrokken psychiaters.

Met betrekking tot de onderzoekers van het Pieter Baan Centrum merkt het hof het volgende op. Het hof heeft psychiater dr. P.K.J. Ronhaar niet opgeroepen. Weliswaar heeft hij meegelezen ten tijde van het onderzoek, maar verdachte is niet door hemzelf onderzocht. Nu het horen van de eertijds betrokken psychiater dr. A.C. Bruijns vanwege zijn pensionering niet meer mogelijk is, acht het hof het het meest aangewezen om van de bij het onderzoek door het Pieter Baan Centrum betrokken deskundigen drs. B.H. de Boer te horen, nu zij verdachte zelf heeft onderzocht en één van de opstellers van het indertijd opgemaakte rapport is.

Het vorenstaande brengt voorts mee dat het hof het verzoek van de advocaat-generaal om een niet betrokken gedragsdeskundige, zoals dr. F. Koerselman of drs. H.J. Hummelen, te horen zal afwijzen. Dat geldt eveneens voor het verzoek van de raadsman om drs. J.M. Oudejans ter terechtzitting te horen. De noodzaak daarvan is het hof niet gebleken.

Het hof zal via de raadsheer-commissaris bij dit hof er zorg voor dragen dat alle betrokkenen tijdig vóór de inhoudelijke behandeling van de zaak over alle rapportages beschikken. Op de betreffende terechtzitting kan de inhoud daarvan worden toegelicht en er over en weer worden gereageerd.

BESLISSING

Het hof:

Heropent het onderzoek onder gelijktijdige schorsing daarvan.

Om de klemmende redenen dat het zittingsrooster van het hof een eerdere behandeling van de zaak niet toelaat en de onderzoekshandelingen naar verwachting niet binnen een maand zullen zijn voltooid, zal het onderzoek langer dan een maand, maar niet langer dan drie maanden worden geschorst.

Stelt de stukken in handen van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof teneinde opdracht te geven aan de gedragsdeskundigen:

- dr. T.W.D.P. van Os, en

- drs. A. de Jong

tot het opmaken van aanvullende rapportages, met inachtneming van hetgeen daaromtrent door het hof is overwogen.

Bepaalt dat het onderzoek zal worden hervat tegen een nog nader te bepalen terechtzitting.

Bepaalt dat op de terechtzitting waarop de inhoudelijke behandeling zal plaatsvinden de navolgende deskundigen zullen worden opgeroepen:

- drs. S.J.M. Eikelenboom-Schieveld, verbonden aan Independent Forensic Services;

- dr. T.W.D.P. van Os, psychiater;

- dr. J.M.J.F. Offermans, psychiater;

- drs. B.H. Boer, psycholoog, verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht.

Beveelt de oproeping van verdachte tegen het nog nader te bepalen tijdstip.

Beveelt dat daarvan schriftelijk mededeling zal worden gedaan aan de raadsman van verdachte en aan de nabestaanden.

Aldus gewezen door

mr. G.M. Meijer-Campfens, voorzitter,

mr. A.J. Rietveld en mr. T.M.L. Wolters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel, griffier,

en op 1 mei 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.