Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:3041

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-04-2015
Datum publicatie
29-04-2015
Zaaknummer
24-000853-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

economische strafzaak

artikel 10.45 Wet milieubeheer

Partiële nietigheid dagvaarding m.b.t. gevaarlijke afvalstoffen (onvoldoende feitelijk omschreven)

Wat wordt verstaan onder "bedrijfsafvalstoffen" en "inzameling" van die stoffen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2016/6402
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 24-000853-11

Uitspraak d.d.: 29 april 2015

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de economische kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 11 april 2011 met parketnummer 07-994513-10 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [woonadres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 15 april 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en veroordeling ter zake van het ten laste gelegde tot een werkstraf voor de duur van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis, met aftrek. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. J.W.C. Bruins, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2008 tot en met 2 maart 2009 in de gemeente [gemeente] en/of (elders) in Nederland, al dan niet opzettelijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, bedrijfsafvalstoffen en/of gevaarlijke afvalstoffen, te weten afgedankt wit- en/of bruingoed, heeft ingezameld zonder vermelding op de VIHB-lijst van inzamelaars.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Partiële nietigheid

Het hof is van oordeel dat het ten laste gelegde voor zover betrekking hebbende op "gevaarlijke afvalstoffen" niet voldoet aan de in artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde vereisten. Immers, is niet vermeld op welke gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer juncto het destijds vigerende artikel 3 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst, opgenomen in de lijst van afvalstoffen, zoals gepubliceerd in de Staatscourant van 28 maart 2002, nr. 62, bladzijde 22, wegens een fout opnieuw gepubliceerd in de Staatscourant van 19 april 2002, nr. 76, pagina 9, de tenlastelegging het oog heeft. Hierdoor is het ten laste gelegde op dit punt onvoldoende feitelijk omschreven. Op grond hiervan zal het hof de dagvaarding in zoverre nietig verklaren.

Nadere bewijsoverweging

Ten tijde van het ten laste gelegde omschreef de Wet milieubeheer in artikel 1.1 het begrip bedrijfsafvalstoffen als: afvalstoffen, niet zijnde huishoudelijke afvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

Ten tijde van het ten laste gelegde omschreef de Wet milieubeheer in artikel 1.1. het begrip afvalstoffen als: alle stoffen, preparaten of producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

In artikel 1 van die richtlijn wordt het begrip 'afvalstof' als volgt omschreven: elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Indien een afvalstof niet valt onder de in genoemde bijlage I genoemde categorieën Q1 tot en met Q15, dan wordt de afvalstof aangemerkt als vallende onder de in de bijlage I vermelde categorie Q16.

In artikel 1 van genoemde richtlijn:

- wordt het begrip 'houder' als volgt omschreven: de producent van de afvalstoffen of de

natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in bezit heeft en

- wordt het begrip 'inzameling' als volgt omschreven: het ophalen, sorteren en/of

vermengen van afvalstoffen teneinde deze te vervoeren.

Inmiddels is genoemde richtlijn vervallen. De vervallenverklaring heeft, gelet op de definitie van afvalstoffen in het huidige artikel 1.1 van de Wet milieubeheer (inhoudende dat afvalstoffen alle stoffen, preparaten of voorwerpen betreffen waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen), geen wijziging in de definitie tot gevolg gehad. Hetzelfde geldt voor de definitie van 'houder' in het huidige artikel 1.1. van de Wet milieubeheer (inhoudende dat een afvalstoffenhouder een afvalstoffenproducent dan wel de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in zijn bezit heeft betreft) en voor de definitie van 'inzameling' in het huidige artikel 1.1. van de Wet milieubeheer (inhoudende dat inzameling een verzameling van afvalstoffen betreft, met inbegrip van de voorlopige sortering en de voorlopige opslag van afvalstoffen, om deze daarna te vervoeren naar een afvalverwerkingsinstallatie).

Uit jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie leidt het hof af dat het begrip afvalstof niet zo beperkt moet worden opgevat dat daaronder niet de stoffen vallen die voor hergebruik geschikt zijn. De enkele omstandigheid dat stoffen waarvan afstand wordt gedaan nog commerciële waarde hebben, betekent niet dat die stoffen niet als afvalstoffen kunnen worden beschouwd. Het toepassingsgebied van het begrip afvalstof hangt samen met de betekenis van de term zich ontdoen. Bij de uitleg van die term moet rekening worden gehouden met de doelstellingen van de richtlijn; voorkomen moet worden dat daaraan afbreuk wordt gedaan.

Het zwaartepunt bij de bepaling of iets een afvalstof is, ligt bij de intentie en de gedragingen van de houder van de afvalstoffen die daarvan afstand doet. Daaraan doet niet af de omstandigheden, dat de ontvanger van de stoffen die stoffen al dan niet als afvalstoffen ziet, er nog iets mee kan of die stoffen tegen betaling verkoopt aan een derde, welke derde die stoffen doorverkoopt. Een andere opvatting zou een effectieve controle op de naleving van de onderhavige regelgeving illusoir maken.

Op grond van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen zoals die, in geval van cassatie, zullen worden opgenomen in de aanvulling op dit arrest, bedoeld in artikel 415 juncto artikel 365, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, stelt het hof vast dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bij verschillende (winkel)bedrijven afgedankt wit- en bruingoed, niet zijnde huishoudelijke of gevaarlijke afvalstoffen, om niet of tegen een geringe (geldelijke) vergoeding ophaalden en dit vervolgens doorverkochten aan verdachte, die dat afgedankt wit- en bruingoed vervoerde naar zijn bedrijf, aldaar sorteerde op de werking, en de nog bruikbare goederen vervolgens doorverkocht aan derden.

Op grond van het voorgaande acht het hof - anders dan de verdediging - bewezen dat dit wit- en bruingoed moet worden aangemerkt als bedrijfsafvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer en dat verdachte deze bedrijfsafvalstoffen heeft ingezameld.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

verdachte op tijdstippen in de periode van 1 september 2008 tor en met 2 maart 2009 in Nederland opzettelijk bedrijfsafvalstoffen, te weten afgedankt wit- en/of bruingoed, heeft ingezameld zonder vermelding op de VIHB-lijst van inzamelaars.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.45, eerste lid, onderdeel a, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich in de periode van 1 september 2008 tot en met 2 maart 2009 meermalen schuldig gemaakt aan het opzettelijk inzamelen van bedrijfsafvalstoffen zonder vermelding op de VIHB-lijst van inzamelaars. Verdachte heeft door zijn handelen meermalen een in de Wet milieubeheer gesteld voorschrift overtreden, welk voorschrift strekt tot bescherming van het milieu, te weten - in dit geval - het belang van controle op een doelmatig beheer van bedrijfsafvalstoffen.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 maart 2015 blijkt dat verdachte in het verleden (2005) eenmaal eerder ter zake van overtreding van de Wet milieubeheer is veroordeeld. Deze veroordeling heeft hem er niet van weerhouden de hiervoor bewezen verklaarde feiten te begaan.

Gebleken is dat verdachte na het plegen van de bewezen verklaarde feiten het nodige heeft ondernomen om op de VIHB-lijst van inzamelaars vermeld te worden, zodat hij vanaf dat moment bevoegd is geworden om afgedankt wit- en bruingoed in te zamelen.

Alles afwegend is het hof van oordeel dat een passende bestraffing gevonden kan worden in het opleggen van een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Deze straf is zwaarder dan de straf die verdachte in eerste aanleg is opgelegd, immers was deze deels voorwaardelijk opgelegd. Het hof acht deze door de eerste rechter opgelegde straf in onvoldoende mate recht doen aan de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en voormelde recidive.

Daarnaast stelt het hof het volgende vast.

De berechting in eerste aanleg heeft niet plaatsgevonden binnen de als redelijk te beoordelen termijn van 2 jaren. De redelijke termijn van berechting is aangevangen op 4 maart 2009, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. Het eindvonnis is gewezen op 11 april 2011. Derhalve is sprake van overschrijding van de termijn met ruim 1 maand, hetgeen in strijd is met artikel 6, eerste lid, EVRM.

De berechting in hoger beroep heeft evenmin plaatsgevonden binnen de als redelijk te beoordelen termijn van 2 jaren. Het appel is ingesteld op 21 april 2011 en heden wordt eindarrest gewezen. Derhalve is sprake van overschrijding van de termijn met ruim 2 jaren, hetgeen eveneens in strijd is met voormelde verdragsbepaling.

Echter, nu het hof, als laatste feitelijke instantie, een onvoorwaardelijke taakstraf van minder dan 100 uren zal opleggen, past het hof geen strafvermindering toe en volstaat het hof met het oordeel, dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd door de vaststelling hiervan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 10.45 van de

Wet milieubeheer.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart de inleidende dagvaarding voor zover betrekking hebbende op "gevaarlijke afvalstoffen" nietig.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. W.M. van Schuijlenburg, voorzitter,

mr. J.J. Beswerda en mr. E. de Witt, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G.A. Boersma, griffier,

en op 29 april 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.