Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:2915

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-04-2015
Datum publicatie
01-05-2015
Zaaknummer
14/00777
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:4034, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Smartengeld aan politie-ambtenaar wegens dienstongeval. Loon. Vrije vergoeding?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1005
Belastingadvies 2015/11.8
V-N 2016/13.15 met annotatie van Redactie
FutD 2015-1147
NTFR 2015/1906 met annotatie van mr. drs. G. Benning
PFR-Updates.nl 2015-0155
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 14/00777

uitspraakdatum: 21 april 2015

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland van 3 juli 2014, nummer AWB 13/3304, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor 2009 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 328.774 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.003. Daarbij is voorts bij beschikking € 93 aan heffingsrente aan belanghebbende vergoed.

1.2

Het daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar is door de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.3

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft vervolgens een nader stuk ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoort voorts het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgehad op 19 maart 2015 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord: mr. [A] en mr. [B] als gemachtigden van belanghebbende alsmede [C] en mr. [D] namens de Inspecteur.

1.7

Beide partijen hebben een pleitnota overgelegd.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende was in het onderhavige jaar (2009) in dienstbetrekking werkzaam als politieambtenaar. Hij had de rang van brigadier.

2.2

Belanghebbende is [in] 2009 tijdens de uitoefening van zijn functie ernstig gewond geraakt. Hij is door een man met een mes gestoken. Als gevolg hiervan heeft belanghebbende een hoge dwarslaesie in de nek opgelopen. Hierdoor is hij blijvend verlamd geraakt.

2.3

Naast de periodieke – reguliere – uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid, heeft belanghebbende van zijn werkgever op de voet van artikel 54a, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna: BARP) in 2009 een uitkering van € 136.100 ontvangen aan smartengeld. De werkgever heeft dit bedrag gebruteerd tot een bedrag van € 283.614 en daarop een bedrag van € 147.480 aan loonbelasting ingehouden en afgedragen. Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

2.4

Artikel 54a, eerste lid, van het BARP luidde in 2009:

‘In geval van invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een beroepsziekte, wordt aan de desbetreffende ambtenaar smartengeld vergoed tot een netto maximum bedrag van € 136.100.’.

2.5

Met dagtekening 6 juli 2011 heeft de Inspecteur de onderhavige aanslag IB/PVV 2009 vastgesteld naar – voor zover hier van belang – een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 328.774. Hierin is het bedrag van € 283.614 begrepen. Aan te verrekenen loonheffing is in aanmerking genomen een bedrag van € 163.425. Daarin is begrepen het bedrag van € 147.480.

2.6

Het op 15 september 2011 gedagtekende bezwaarschrift van belanghebbende tegen de onderhavige aanslag is op 19 september 2011 bij de Inspecteur ingekomen. In het bezwaarschrift heeft belanghebbende vermeld het aanslagbiljet nimmer te hebben ontvangen. Bij uitspraak op bezwaar van 14 mei 2013 heeft de Inspecteur het bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard.

2.7

In de procedure bij de Rechtbank heeft de Inspecteur ter onderbouwing van zijn standpunt dat de aanslag naar het juiste adres is verzonden gewezen op een afschrift van de aanslag waarop het adres van belanghebbende is vermeld, alsmede op een print uit het systeem van de Belastingdienst waarop is vermeld vanaf welke datum belanghebbende op dat adres woonachtig is. Volgens de Rechtbank heeft de Inspecteur hiermee niet aannemelijk gemaakt dat het aanslagbiljet naar het juiste adres is verstuurd. Op grond hiervan is de Rechtbank tot de conclusie gekomen dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard door de Inspecteur. De Rechtbank heeft vervolgens partijen in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader schriftelijk uiteen te zetten en de zaak op een nadere zitting inhoudelijk behandeld. In de uitspraak van de Rechtbank is het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft niet het griffierecht door de Inspecteur aan belanghebbende laten vergoeden. Evenmin heeft de Rechtbank een proceskostenvergoeding uitgesproken.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

Tussen partijen is in geschil of de vergoeding van € 283.614 als loon dient te worden belast. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

3.2

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.3

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de aanslag tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.160 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.003.

3.4

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1

In aanmerking genomen dat het oordeel van de Rechtbank dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat het aanslagbiljet rechtsgeldig aan belanghebbende is bekendgemaakt in hoger beroep niet door de Inspecteur wordt betwist, is de conclusie van de Rechtbank dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard door de Inspecteur juist. Dit betekent dat de Rechtbank, anders dan zij heeft gedaan, het beroep van belanghebbende gegrond had moeten verklaren en de uitspraken op bezwaar had moeten vernietigen. Zulks had voor de Rechtbank voorts aanleiding moeten vormen het griffierecht op de voet van artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) door de Inspecteur aan belanghebbende te laten vergoeden en, aangezien belanghebbende zich in de procedure bij de Rechtbank heeft laten bijstaan door een professionele gemachtigde, de Inspecteur op de voet van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende.

Vergoeding

4.2

Ingevolge artikel 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt voor de inkomstenbelasting onder loon verstaan – voor zover hier van belang – het loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting. Volgens artikel 10, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) is loon al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten.

4.3

De onderhavige vergoeding vormt, naar de Rechtbank met juistheid heeft geoordeeld en door belanghebbende in hoger beroep niet langer wordt betwist, loon in de zin van artikel 10, eerste lid, Wet LB. De uitkering vindt immers zozeer haar grond in de door belanghebbende vervulde publiekrechtelijke dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moet worden aangemerkt. Zij vloeit immers voort uit een rechtspositionele regeling waaraan invalide politieambtenaren rechten ontlenen indien de invaliditeit – zoals hier – voortvloeit uit een dienstongeval of een beroepsziekte (vgl. HR 3 november 1993, nr. 29 466, ECLI:NL:HR:1993:BH9099, BNB 1994/22).

4.4

In hoger beroep heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat de vergoeding niettemin onbelast is. Volgens belanghebbende is namelijk sprake van een vrije vergoeding als bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel a, in verbinding met artikel 15, aanhef en onderdeel b, van de Wet LB (tekst 2009). Ingevolge deze bepalingen behoren niet tot het loon vergoedingen die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren. De Inspecteur heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van het Hof.

4.5

Naar het oordeel van het Hof is het standpunt van belanghebbende juist. Aangenomen moet worden dat de in 2.4 vermelde rechtspositionele regeling ertoe strekt politieambtenaren onbelemmerd te laten functioneren omwille van het publieke belang. Nu de uit de rechtspositionele regeling voortvloeiende vergoeding het karakter heeft van een smartengeldvergoeding voor invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een beroepsziekte, beoogt de werkgever naar het oordeel van het Hof met die vergoeding niet zozeer deze politieambtenaren te belonen, maar dient hij daarmee vooral de aan hem opgedragen publieke dienstverlening. Tegen deze achtergrond moet de uitkering worden gerekend tot de vergoedingen die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren in de zin van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel a, in verbinding met artikel 15, aanhef en onderdeel b, van de Wet LB (vgl. HR 30 januari 2015, nr. 13/03776, ECLI:NL:HR:2015:141).

4.6

Dit betekent dat het bedrag van € 283.614 ten onrechte door de Inspecteur in de heffing van inkomstenbelasting is betrokken. De op het bedrag van € 283.614 ingehouden en afgedragen loonheffing van € 147.480 dient op de voet van artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in verbinding met artikel 9.2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 te worden verrekend met de onderhavige aanslag. De andersluidende visie van de Inspecteur op dit punt is onjuist. Opmerking hierbij verdient nog dat het Hof zich realiseert dat belanghebbende door de onderhavige uitspraak per saldo een hoger nettobedrag aan smartengeld ontvangt dan uit de rechtspositionele regeling voortvloeit, maar zulks is een aangelegenheid tussen werkgever en werknemer.

Heffingsrente

4.7

Het hoger beroep wordt mede geacht te zijn gericht tegen de beschikking inzake de heffingsrente. Tegen het bedrag van de heffingsrente dat aan belanghebbende is vergoed heeft belanghebbende geen zelfstandige grieven aangevoerd. Nu de aanslag evenwel wordt verminderd, dient de vergoeding van heffingsrente dienovereenkomstig te worden aangepast.

slotsom

Het hoger beroep van belanghebbende is gegrond.

5 Kosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Het Hof stelt de vergoeding voor kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand - overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht - als volgt vast:

voor de beroepsfase: 2,5 punten voor proceshandelingen x € 490 is € 1.225;

voor de hoger beroepsfase: 2 punten voor proceshandelingen x € 490 is € 980.

Niet gebleken is dat belanghebbende in de fase van bezwaar een verzoek heeft gedaan om de proceskosten te vergoeden. Derhalve komt in totaal voor vergoeding in aanmerking een bedrag van € 2.205 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep tegen de uitspraken op bezwaar gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.160 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.003, onder verrekening van de ingehouden en afgedragen loonheffing van in totaal € 163.425;

  • -

    verhoogt de aan belanghebbende te vergoeden heffingsrente dienovereenkomstig;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.205; en

  • -

    gelast de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden de door deze betaalde griffierechten voor beroep en hoger beroep van in totaal € 166.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. B.F.A. van Huijgevoort en mr. P.L.M. van Gorkom, in tegenwoordigheid van mr. N.G.U. Bezemer als griffier.

De beslissing is te Arnhem in het openbaar uitgesproken op 21 april 2015.

De griffier, De voorzitter,

(N.G.U. Bezemer) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 23 april 2015

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij:

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.