Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:2736

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-04-2015
Datum publicatie
24-04-2015
Zaaknummer
14/00498
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2014:1365, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leges. Tweede bouwaanvraag op verzoek van gemeente. Toezegging door wethouder dat geen leges wordt berekend? Is heffingsambtenaar gebonden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/953
V-N 2015/41.14 met annotatie van Redactie
Belastingblad 2015/459 met annotatie van M.R.P. de Bruin
FutD 2015-1103
NTFR 2015/1608 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 14/00498

uitspraakdatum: 14 april 2015

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

Stichting [X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Midden-Nederland van 9 april 2014, nummer UTR 13/1882, in het geding tussen belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Veenendaal (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is door de heffingsambtenaar bij schriftelijke kennisgeving (met nummer [00000]) leges in rekening gebracht ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning.

1.2

Het tegen deze beschikking door belanghebbende gemaakte bezwaar is door de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

1.3

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft vervolgens een nader stuk ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoort voorts het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgehad op 26 maart 2015 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord: mr. [A] als gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [B] en [C]. Namens de heffingsambtenaar is verschenen [D].

1.7

Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende heeft op 24 maart 2011 een aanvraag ingediend bij het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal (hierna: het College) voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor de (ver)bouw van een multifunctioneel gebouw ([E]) aan [de a-straat] 11 te [Z]. De vergunning is op 16 augustus 2011 aan belanghebbende verleend. Ter zake van het in behandeling nemen van deze aanvraag heeft de heffingsambtenaar belanghebbende leges in rekening gebracht ten bedrage van € 42.559,20. Dit bedrag is door belanghebbende betaald.

2.2

Een groot aantal buurtbewoners heeft bezwaar gemaakt tegen de vergunningverlening. In het kader van die bezwaarprocedures heeft een bezwaaradviescommissie een advies uitgebracht. Volgens deze commissie was (onder meer) nader onderzoek nodig met betrekking tot de parkeerregulering.

2.3

Naar aanleiding van dit advies heeft [in] 2011 een bespreking plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van belanghebbende en van de gemeente. Namens de gemeente waren de wethouder mevrouw [F] (hierna: de wethouder) en een drietal ambtenaren aanwezig. Belanghebbende werd vertegenwoordigd door de gemachtigde en de heren [C] en [B]. Van de bespreking is door de gemeente geen verslag opgemaakt. De gemachtigde heeft na de bespreking, in ieder geval vóór 5 december 2011, een verslag gemaakt van de bespreking. Dit verslag behelst het volgende:

verslag/ besluitenlijst overlegbespreking [in] 2011

Aanwezig:

Van de zijde van de gemeente: mevrouw [F], de heer [G], de heer [H], mevrouw [I]

.

Van de zijde van de Stichting [X]:

De heer [C], de heer [B], de heer [A].

Aanvang: 09.00 uur

Locatie: gemeentehuis Veenendaal

1. Zijdens de gemeente wordt gemeld dat het advies van de bezwarencommissie voorhanden is. Dit is

nog niet ter beschikking gesteld aan de indieners van bezwaarschriften en evenmin aan de

Stichting.

2. De conclusies van de bezwarencommissie per activiteit of onderdeel van een activiteit worden kort

door de gemeente genoemd.

3. Als belangrijkste onderdeel wordt genoemd het aspect verkeerscirculatie/groen (bomen)/parkeren.

Daarvoor wordt (nader) onderzoek nodig geacht (verkeerskundige en ruimtelijke toetsing van

gevolgen van ontheffingverlening). Daarvoor zal opdracht moeten worden gegeven aan een extern

bureau. Ook wordt aangestipt dat de heer van de Haar tijdens de mondelinge behandeling

bezoekersaantallen heeft genoemd die niet corresponderen met de uitgangspunten voor de

vergunning.

4. Gemeente noemt twee mogelijkheden om met het advies van de bezwarencommissie om te gaan:

( a) de vergunningverlening handhaven in het B&W-besluit op bezwaar, maar met verbetering van

(de motivering) van het besluit met in achtneming van de adviezen van de bezwarencommissie of

b) het besluit vergunningverlening herroepen.

5. De voorkeur van B&W gaat uit naar (b) herroeping. Motieven en uitgangspunten daarvoor zijn:

• als de beslissing op bezwaar moet gaan inhouden een handhaving van de

vergunningverlening, moet er in een kort tijdsbestek veel gebeuren (met name

verkeerskundig onderzoek) om aan de adviezen van de bezwarencommissie tegemoet te

komen;

• bij een besluit op een hernieuwde vergunningaanvraag zal de bezwaarschriftprocedure

worden overgeslagen slechts rechtstreeks beroep op de rechter mogelijk zijn.

• Aangaande de leges voor nieuwe vergunningaanvraag zal een regeling getroffen worden

aldus dat die niet nog eens hoeven te worden betaald;

• De gemeente zal opdracht geven voor het beoogde verkeerskundig onderzoek en de kosten

dragen; de gemeente heeft al offerte gevraagd (indicatie van de kosten : 2 a 3000 E).

• De gemeente zal spoed betrachten bij de afhandeling van een nieuwe aanvraag.

• Toetsing van de vergunningverlening aan het bestemmingsplan heeft als zodanig heeft

geen problemen geleverd en dat blijft zo.

6. De Stichting gaat op grond van het gemelde met de gemeente mee in de idee om een nieuwe

vergunningaanvraag te doen. De Stichting motiveert dat aldus dat haar voorkeur uitging naar het

handhaven van de vergunningverlening in het B&W-besluit op bezwaar, maar met verbetering van

(de motivering) van het besluit met in achtneming van de adviezen van de bezwarencommissie.

Reden daarvoor was het verlies van tijd door het opnieuw moeten doorlopen van de

bezwaarschriftprocedure bij een hernieuwde vergunningaanvraag. Er zou dan op korte termijn

een schorsingsverzoek kunnen zijn uitgelokt bij de voorzieningenrechter. Voor de Stichting

is nieuw, dat er een mogelijkheid bestaat om bij een besluit op een hernieuwde

vergunningaanvraag de bezwaarschriftprocedure over te slaan en slechts rechtstreeks beroep op

de rechter toe te staan. Dat levert tijdwinst, waarvan best wat gebruikt kan worden om

zorgvuldigheid te betrachten. Dat is reden om mee te gaan in de gedachte van de gemeente om

opnieuw een vergunningaanvraag te doen.

7. Afspraken: de gemeente stuurt het advies van de bezwarencommissie per mail; de Stichting zal

een notitie aanreiken met daarin criteria voor het beoogde verkeersonderzoek (waaronder

duidelijkheid over bezoekersaantallen); de melding activiteitenbesluit wordt ingetrokken; de

vergunningaanvraag wordt (incl. melding) opnieuw gedaan. De gemeente kijkt nog eens goed naar

de bomen en de verplaatsingsmogelijkheden.”

2.4

Bij brief [in] 2011 heeft de gemachtigde dit verslag toegezonden aan het College. Het College heeft hierop gereageerd bij brief [in] 2012. In die brief is niets vermeld over de in het verslag opgenomen passage met betrekking tot de leges.

2.5

Overeenkomstig de gemaakte afspraak is de door het College aan belanghebbende verleende omgevingsvergunning ingetrokken.

2.6

Belanghebbende heeft vervolgens op 4 juni 2012 een nieuwe aanvraag bij het College ingediend tot het verlenen van een omgevingsvergunning met betrekking tot [E] (hierna: de tweede aanvraag).

2.7

Op grond van de Legesverordening 2012 van de gemeente Veenendaal en de daarbij behorende Tarieventabel 2012 is belanghebbende ter zake van het in behandeling nemen van de tweede aanvraag leges verschuldigd ten bedrage van € 44.446,44.

2.8

[in] 2012 is door een ambtenaar van de gemeente Veenendaal een advies aan het College opgesteld inzake de toepassing van de zogenoemde hardheidsclausule met betrekking tot de door belanghebbende ter zake van de tweede aanvraag verschuldigde leges. In dit advies is onder meer het volgende vermeld:

“Inleiding

In 2011 is aan de Stichting [X]

een omgevingsvergunning verleend voor het

vergroten van een kerkgebouw aan [de a-straat] 11 te [Z].

Hiervoor zijn conform de legesverordening leges in rekening gebracht en

door de aanvrager voldaan.. In kader van de bezwarenprocedure is

besloten om de vergunning bij heroverweging om procedurele redenen

alsnog te weigeren om zo de mogelijkheid te creëren nader onderzoek te

plegen. Dit onderzoek had in het kader van de bezwarenprocedure kunnen

plaatsvinden, maar met als mogelijke gevolg dat een behoorlijk bedrag op

basis van de wet Dwangsom zou zijn verschuldigd. Bij weigering van de

vergunning kan op basis van art. 2.5.3.1 van de legesverordening

aanspraak gemaakt worden op restitutie van een deel van de leges. Dat is

(nog) niet gebeurd terwijl op basis van de legesverordening voor de nieuwe

omgevingsvergunning opnieuw het volle bedrag aan leges in rekening

gebracht moet worden. Gelet op de hele procesgang is er reden gebruik te

maken van uw bevoegdheid op grond van artikel 63 Algemene wet inzake

rijksbelastingen om in dit geval tegemoet te komen in de legesheffing en

een reductie toe te kennen.

Beoogd resultaat

Een lager bedrag aan leges in rekening brengen

Argumenten

1.1

het een herhalingsaanvraag betreft

Hoewel de aanvraag formeel opnieuw aan alle wettelijke eisen is getoetst is

in dit geval de tijdsinspanning voor de medewerkers minder geweest omdat

een (groot) deel van de aanvraag gelijk is aan de aanvraag welke is 2011 is

ingediend.

1.2

aanvrager heeft extra kosten gemaakt in verband met wijziging

wetgeving

Aanvrager heeft het verzoek om een nieuwe omgevingsvergunning na

1 april 2012 ingediend waardoor deze aan het nieuwe Bouwbesluit 2012

moest worden getoetst. Als gevolg hiervan heeft aanvrager extra kosten

moeten maken doordat tekeningen en berekeningen aan de nieuwe

wetgeving moesten worden aangepast.”

“MEMO

(…)

Vergunning 2011

In 2011 in rekening gebrachte bouwleges € 42.559,20

Dit bedrag is door [E] betaald

Bij weigering vergunning in kader van bezwarenprocedure kon aanspraak

gemaakt worden op restitutie van 20 % van de bouwleges: € 8.511 ,84

Deze restitutie heeft niet plaatsgevonden.

Als gevolg van de beslissing in bezwaar nader onderzoek

Door de gemeente gemaakte kosten voor het opstellen van

verkeersrapportage DHV inclusief het aanwezig zijn tijdens het infomoment € 8.885,00

Vergunning 2012

Bouwleges welke volgens de Iegesverordening 2012 in rekening moeten

worden gebracht € 43.400,00

Voorstel

De bouwleges te verminderen zoals in onderstaande staat is weergegeven

in euro's

Leges vergunningaanvraag 2012

43.400,00

Voorgesteld bedrag te betalen bouwleges zijnde 70%

70% * € 43.400,00

30.380,00

Kosten onderzoek verkeersrapportage welke niet in rekening worden gebracht

€ 8.885,00

Legesrestitutie van de geweigerde vergunning 2011

20% * € 42.559,20

-8.511,84

Nog te betalen bouwleges bouwen door [E]

21.868,16**

**De leges voor welstand en de uitweg komen daar nog bij en worden opnieuw in rekening gebracht.”

2.9

Het College heeft dit advies bij besluit [in] 2012 akkoord verklaard.

2.10

Met dagtekening 9 oktober 2012, verzonden naar belanghebbende op 12 oktober 2012, heeft de heffingsambtenaar bij schriftelijke kennisgeving (hierna: de aanslag) ter zake van het in behandeling nemen van de tweede aanvraag de aanslag aan belanghebbende opgelegd. Het aanslagbiljet behelst het volgende:

“Op 04 juni 2012 heeft u een hernieuwde aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het oprichten van een multifunctioneel gebouw [E] met de daarbij benodigde parkeervoorzieningen op het perceel [de a-straat] 11 te [Z]. De aanvraag is geregistreerd onder het nummer [00000]. Voor het in behandeling nemen van uw aanvraag voor een omgevingsvergunning bent u volgens de legesverordening leges verschuldigd.

Vermindering aanslag met toepassing hardheidsclausule

Op 9 oktober jl. heeft ons college besloten tot vermindering van de aanslag bouwleges ingevolge 63 van de Algemene Wet inzake de Rijksbelastingen jo art. 231 van de Gemeentewet zoals onderstaand in de tabel is weergegeven. Zij heeft hiertoe aanleiding gezien omdat dit een hernieuwde aanvraag betreft, mede als gevolg van de procesgang. Verder is meegewogen dat het plan op onderdelen is gewijzigd en dat extra kosten gemaakt moesten worden vanwege gewijzigde wetgeving.

Legesbedrag

De verschuldigde leges zijn als volgt gespecificeerd:

Totaalbedrag te betalen leges € 22.914,60

De leges zijn als volgt samengesteld:

Vastgestelde normatieve bouwkosten: € 1.377.000,00

OV Leges bouwactiviteiten <10.000.000,- € 43.400,00

OV Leges WMMN RB/R1/R2,LB,OV,UV € 894,44

OV leges uitweg € 84,00

OV Vellen of doen vellen houtopstand € 68,00

Subtotaal 44.446,44

Teruggaaf geweigerd besluit 20% *€ 42 559.20 € -/- 8.511,84

op grond van art. 2.5.3.1 legesverordening

Vermindering van de bouwleges tot 70% van het € -/- 13.020,00

verschuldigde 43.400,00

U wordt verzocht om bovengenoemd totaalbedrag binnen 30 dagen na dagtekening over te maken op bankrekeningnummer 28 50 08 684 onder vermelding van het genoemde registratienummer en adres.”

2.11

Tegen de aanslag heeft belanghebbende bezwaar ingesteld. De heffingsambtenaar heeft in zijn uitspraak op bezwaar van 15 februari 2013 beslist ‘Het bezwaarschrift ongegrond te verklaren en de aanslag (nota) ad € 22.914,60 te handhaven’. In de uitspraak op bezwaar is voorts de volgende passage opgenomen: ‘Niet weersproken wordt dat met de aanvrager en u is gesproken over een hernieuwde aanvraag waarbij ook het aspect van de leges aan de orde is gesteld’.

2.12

Tegen de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende vergeefs beroep ingesteld bij de Rechtbank.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

Tussen partijen is in geschil of de heffingsambtenaar terecht de onderwerpelijke leges van € 22.914,60 van belanghebbende heeft geheven. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de heffingsambtenaar bevestigend.

3.2

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.3

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en van de aanslag.

3.4

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

In de kern houdt partijen te dezen verdeeld of de heffingsambtenaar op grond van een toezegging van de wethouder is gehouden heffing van leges ter zake van het in behandeling nemen van de tweede aanvraag achterwege te laten. De Rechtbank heeft die vraag – in het spoor van de heffingsambtenaar – ontkennend beantwoord omdat een wethouder en het College niet bevoegd zijn leges te heffen, zodat de wethouder niet een in rechte te beschermen vertrouwen kan wekken dat belanghebbende geen leges verschuldigd zou zijn.

4.2

Dienaangaande dient het volgende te worden vooropgesteld. Het formaliseren van materiële uit een gemeentelijke verordening voortvloeiende belastingschulden en rechten – zoals de onderhavige leges – door middel van het opleggen van aanslagen (schriftelijke kennisgevingen) is een bevoegdheid die – krachtens attributie – toekomt aan een heffingsambtenaar (artikel 231, eerste lid en tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet in verbinding met artikel 11, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; hierna: AWR). Het College of een (individuele) wethouder heeft die bevoegdheid niet. Toepassing van de zogenoemde hardheidsclausule, zoals vervat in artikel 63 AWR, is wel een bevoegdheid die toekomt aan het College (artikel 231, tweede lid, onderdeel a, van de Gemeentewet). Dit betekent dat het College in bepaalde gevallen tegemoet kan komen aan onbillijkheden van overwegende aard, welke zich bij de toepassing van een legesverordening mochten voordoen. Een besluit van het College om al dan niet de hardheidsclausule toe te passen, vormt echter niet een voor bezwaar vatbare beschikking, zodat daartegen geen beroep bij de belastingrechter open staat (artikel 26 AWR). Wanneer een heffingsambtenaar evenwel in het kader van de aanslagregeling een bepaald door het College vastgesteld hardheidsclausulebeleid toepast, staat die toepassing wel ter beoordeling van de belastingrechter, aangezien die toepassing haar neerslag vindt in de aanslag en vervolgens in een voor beroep vatbare beslissing op bezwaar (vgl. HR 7 maart 2003, nr. 37198, r.o. 3.13, ECLI:NL:HR:2003:AF5363). Deze regel geldt naar het oordeel van het Hof evenzeer in de situatie waarin een heffingsambtenaar een door het College ten aanzien van een specifieke belastingplichtige genomen hardheidsclausulebesluit toepast bij het vaststellen van een aanslag.

4.3

Het aanslagbiljet en de uitspraak op bezwaar laten naar het oordeel van het Hof geen andere conclusie toe dan dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende een aanslag heeft opgelegd van € 22.914,60. Dit betekent dat de heffingsambtenaar bij het formaliseren van de ter zake van het in behandeling nemen van de tweede aanvraag uit de Legesverordening voortvloeiende leges door middel van het opleggen van de aanslag (onder meer) toepassing heeft gegeven aan het hardheidsclausulebesluit van het College tot vermindering van, kort gezegd, 30% van de verschuldigde leges. Die toepassing staat, gelet op het hiervoor in 4.2 overwogene, ter beoordeling van de belastingrechter.

4.4

Belanghebbende betoogt dat de heffingsambtenaar haar ter zake van de tweede aanvraag geen leges in rekening had mogen brengen, aangezien de wethouder zulks heeft toegezegd tijdens de bijeenkomst van 24 november 2011. De heffingsambtenaar betwist dat de wethouder een dergelijke toezegging heeft gedaan. Gelet op: (i) de omstandigheid dat belanghebbende reeds € 42.559,20 aan leges had voldaan voor de eerste aanvraag, (ii) de tweede aanvraag in wezen is ingediend op verzoek van de gemeente, (iii) de inhoud van het verslag van mr. [A] dat zeer spoedig na de bespreking door hem is opgesteld, (iv) het ontbreken van een reactie op de passage over de leges in de brief van de gemeente van 18 januari 2012, (v) de vermelding in de uitspraak op bezwaar dat door partijen is gesproken over een hernieuwde aanvraag waarbij ook het aspect van de leges aan de orde is gesteld, (vi) de geloofwaardige verklaringen van de heren [C] en [B] ter zitting van het Hof dat de wethouder tijdens de bespreking van 24 november 2011 uit eigener beweging heeft medegedeeld dat niet opnieuw leges zou worden geheven, (vii) het ontbreken in het dossier van een schriftelijke verklaring van de wethouder alsook (viii) een door de gemeente opgemaakt gespreksverslag en (ix) dat ook daadwerkelijk een vermindering van de volgens de Legesverordening verschuldigde leges is verleend, acht het Hof aannemelijk dat de wethouder tijdens de bespreking van 24 november 2011 belanghebbende uitdrukkelijk de toezegging heeft gedaan dat belanghebbende ter zake van het behandeling nemen van de tweede aanvraag geen leges verschuldigd zou worden. De enkele stelling van de heffingsambtenaar dat de wethouder hem in oktober 2012 mondeling heeft medegedeeld geen toezegging aan belanghebbende inzake de leges te hebben gedaan, acht het Hof volstrekt onvoldoende voor een andersluidend oordeel.

4.5

Nochtans rijst de vraag of belanghebbende zich te dezen met vrucht kan beroepen op de toezegging van de wethouder. Anders dan de heffingsambtenaar en de Rechtbank, beantwoordt het Hof deze vraag bevestigend. In aanmerking genomen dat het College bevoegd is in het kader van de toepassing van de hardheidsclausule besluiten te nemen ten aanzien van de leges, mag redelijkerwijs worden aangenomen dat de wethouder de toezegging namens het College heeft gedaan. Het College is die toezegging – dat belanghebbende geen leges verschuldigd zou worden voor het in behandeling nemen van de tweede aanvraag – evenwel niet nagekomen, aangezien het ‘slechts’ een vermindering van 30% heeft verleend. Dat is in strijd met het tot de algemene beginselen van behoorlijk bestuur behorende vertrouwensbeginsel. Toepassing van het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat het College zijn toezegging jegens belanghebbende had dienen na te komen. De omstandigheid dat de heffingsambtenaar ervoor heeft gekozen bij het vaststellen van de aanslag het besluit van het College inzake de hardheidsclausule toe te passen, brengt mee dat ook de heffingsambtenaar gebonden is aan de toezegging van de wethouder. Deze toezegging ‘werkt door’ naar de aanslag. Het andersluidende oordeel van de Rechtbank acht het Hof onjuist.

4.6

Gelet op het hiervoor overwogene, heeft de heffingsambtenaar belanghebbende ter zake van het in behandeling nemen van de tweede aanvraag ten onrechte leges in rekening gebracht. De aanslag dient te worden vernietigd.

slotsom

Het hoger beroep van belanghebbende is gegrond.

5 Kosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Het Hof stelt de vergoeding voor kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand – overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht – als volgt vast:

Voor beroep: 2,5 punten voor proceshandelingen x € 490 is € 1.225

Voor hoger beroep: 2 punten voor proceshandelingen x € 490 is € 980

Niet gebleken is dat belanghebbende in de fase van bezwaar een verzoek heeft gedaan tot vergoeding van de proceskosten.

Ter zake van de procedure bij de Rechtbank heeft belanghebbende voorts aanspraak gemaakt op vergoeding van € 50 aan reis- en verblijfkosten en € 318,54 voor verletkosten. De heffingsambtenaar heeft ter zitting in hoger beroep desgevraagd verklaard zich met die bedragen te kunnen verenigen. Het Hof acht vergoeding van genoemde kosten op haar plaats.

Derhalve komt in totaal voor vergoeding in aanmerking een bedrag van € 2.574.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de aanslag;

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.574, en

  • -

    gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende te vergoeden de door deze betaalde griffierechten voor beroep en hoger beroep van in totaal € 811 (€ 318 plus € 493).

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. B.F.A. van Huijgevoort, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2015.

De griffier, De voorzitter,

(C.E. te Brake)

(R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 14 april 2015

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.