Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:2673

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-03-2015
Datum publicatie
15-04-2015
Zaaknummer
200.104.094-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verrekening krachtens huwelijkse voorwaarden. Verrekenbeding heeft geen betrekking op ondernemingswinsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.104.094/01

(zaaknummer rechtbank Leeuwarden 89889/ FA RK 08-1042)

beschikking van de familiekamer van 24 maart 2015

inzake

[verzoeker],

wonende te [A],

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. P. Stehouwer, kantoorhoudend te Sneek,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [B],

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.M. Hoelen, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof heeft op 8 januari 2013 een tussenbeschikking gegeven.

1.2

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 5 februari 2013 een brief van diezelfde dag van mr. P. Stehouwer met bijlagen;

- op 5 februari 2013 een brief van diezelfde dag van mr. M.M. Hoelen met bijlagen en een brief van mr. M.M. Hoelen van diezelfde datum met de kennisgeving van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 19 december 2008 in de registers van de burgerlijke stand van de voormalige gemeente Boarnsterhim op 4 juni 2009;

- op 6 februari 2013 een brief van diezelfde dag van mr. P. Stehouwer, met als bijlage de pleitnota van de vrouw;

- op 24 februari 2014 een brief van mr. P. Stehouwer van 21 februari 2014 met het hierna te noemen taxatierapport;

- op 25 februari 2014 een faxbericht van diezelfde dag van mr. P. Stehouwer met bijlagen;

- op 25 februari 2014 een brief van diezelfde dag van mr. M.M. Hoelen met bijlagen.

2. De motivering van de beslissing

2.1

Anders dan is overwogen onder 32 van de tussenbeschikking van 8 januari 2013 heeft de vrouw verzocht het te verdelen en te verrekenen vermogen vast te stellen op € 607.154,-, en om te bepalen dat de helft daarvan, ofwel € 303.577,-, aan haar toekomt, zodat het hof over dit verzoek zal oordelen.

2.2

Het hof blijft voor het overige bij hetgeen is overwogen en beslist in de genoemde tussenbeschikking, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.3

In die tussenbeschikking heeft het hof de behandeling van de zaak aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een nadere schriftelijke reactie te geven als vermeld in rechtsoverweging 47 van die beschikking en heeft het hof hen opgedragen een bewijsstuk van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand in te dienen.

2.4

Namens de vrouw is de kennisgeving van de voormalige gemeente Boarnsterhim overgelegd, waaruit blijkt van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking [in] 2009. Het hof stelt vast dat het huwelijk tussen partijen is ontbonden [in] 2009.

2.5

Zoals overwogen in voormelde tussenbeschikking zijn partijen het ter zitting erover eens geworden dat zij de taxateurs (over wie zij het eens zijn) zullen vragen de volgende waarden van de huiskavel te taxeren:

1. De waarde in het economisch verkeer bij voortgezette agrarische bestemming (hierna te noemen: de WEVAB);

2. De geobjectiveerd vast te stellen waarde waarbij een rendabele exploitatie van de huiskavel nog mogelijk is en het bedrijf in aanmerking wordt genomen zoals dat de afgelopen tijd heeft gedraaid (dus onafhankelijk van bijvoorbeeld de verkoop door de man van een deel van het vee).

2.6

Inmiddels is een taxatierapport in het geding gebracht, waarbij de makelaars [C] en [D] (hierna te noemen: de makelaars) zich hebben gebogen over de WEVAB. Deze makelaars hebben in overleg met partijen [E] (hierna te noemen: [E]) ingeschakeld voor de sub 2 bedoelde waarde. Partijen zijn er niet in geslaagd om aan de hand van het taxatierapport een schikking te treffen. Daarmee ligt aan het hof de vraag voor op welke grondslag de huiskavel moet worden gewaardeerd.

2.7

De voornoemde makelaars hebben de WEVAB als volgt vastgesteld:

"1. Waardering diverse bedrijfsonderdelen.

a. voormalige echtelijke woning € 175.000,--

b. ondergrond van de woning ter grootte van ca. 1000 m2 € 45.000,--

c. loods € 25.000,--

d. (niet voltooide) ligboxenstal € 110.000,--

e. ondergrond en erf behorende tot het bedrijfsgedeelte van

het erf ter grootte van ca. 9000 m2 inclusief verharding etc. € 90.000,--

f. weiland ter grootte van ca. 1.92.95 ha € 67.500,--"

De totaalsom van deze bedragen berekent het hof op € 512.500,-.

2.8

De makelaars hebben in aanvulling hierop de volgende vraag beantwoord:

"5. Wat is de invloed van de onder 1 en 4 bedoelde waarden van de omstandigheid, dat

omstreeks 13 ha onttrokken is aan de ten tijde van de bouw van de bedrijfsgebouwen

aanwezige huiskavel van omstreeks 26 ha."

Hun antwoord op deze vraag luidt:

"De onder 1 en 4 gestelde waarde wordt negatief beïnvloed door de onttrekking van 13 ha aan de huiskavel. Exploitatie van afstandskavel pakt normaliter duurder uit. Ook aankoop

ruwvoer en afvoer mest vereist een andere bedrijfsvoering met iets hogere

kosten. Waardedaling wordt enigszins beperkt daar ook met een 13 ha grotere

huiskavel er thans ook overcapaciteit in de gebouwen zit en deze qua veebezetting niet

voltooid is. De onder 1 vermelde waarde van de ligboxenstal wordt derhalve naar

schatting € 15.000,-- negatief beïnvloed."

2.9

[F] AA, verbonden aan [E], heeft op 9 augustus 2013 rapport uitgebracht aan de makelaars. Hierin is onder meer opgenomen:

" Conclusies en advies

Wanneer er € 200.000 extra financiering op het bedrijf rust, met een rentepercentage van 5 % en een aflossingsverplichting van € 6.500 per jaar (30 jaar), zal het bedrijf nog juist alles rond kunnen zetten. Er is op dat moment een reserveringscapaciteit die tussen de 6 en 7 cent per kilogram meetmelk uit zal komen. Dit is de huidige norm welke de bank hanteert als ondergrens bij het verstrekken van leningen of vreemd kapitaal. Omgerekend is dit ook het bedrag dat beschikbaar is voor extra financiële verplichtingen, zoals er zijn: aflossingen en herinvesteringen.

Hiervoor is ook aangegeven dat het melkquotum voor de berekening in de bijlage zeer bepalend blijft. Na 1 april 2015 ontstaat op dit onderdeel ruimte; voor de LEW-berekening betekent dit dat dat vervolgens € 200.000 extra financiële ruimte oplevert. Daarbij moet dan echter wel aan de voorwaarde worden voldaan dat het gehele areaal grond bij deze grotere bedrijfsopzet gebruikt kan blijven worden."

2.10

De man heeft betoogd dat de door de makelaars in aanmerking genomen negatieve waarde van € 15.000 te laag bepaald is, omdat zij de extra kosten hebben onderschat die zijn verbonden aan onder meer het moeten kopen van extra ruwvoer, de afvoer van mest en de aanvoer van ruwvoer over een grotere afstand en het grotendeels niet kunnen weiden van de melkveestapel. Voor het overige heeft hij geen bezwaren tegen de bevindingen in het rapport aangevoerd. Met de uitkomst van het rapport van [E] is hij akkoord.

2.11

De vrouw kan met de door de makelaars vastgestelde WEVAB van € 512.500,- instemmen mits het genoemde bedrag van € 15.000,- daarop niet in mindering wordt gebracht. Zij kan zich er niet in vinden dat de door [E] berekende lonende exploitatiewaarde wordt gehanteerd, onder meer omdat deze is gebaseerd op door de man zelf geproduceerde jaarcijfers en omdat op deze wijze de bedrijfsvoering van de man die zij buiten de verdeling en verrekening wil houden aldus via een achterdeur wordt binnengehaald. Verder heeft de vrouw aangevoerd dat [E] de financieringslast nu dient vast te stellen op basis van recentere jaarrekeningen dan [E] heeft gedaan.

2.12

Het hof overweegt als volgt.

2.13

De rechtsbetrekkingen tussen partijen als deelgenoten in de huiskavel worden op grond van artikel 3:166 lid 3 BW in samenhang met artikel 6:2 BW beheerst door de beginselen van redelijkheid en billijkheid. Deze staan in het algemeen in de weg aan een waardering die voortzetting van een (nog juist lonend) bedrijf onmogelijk maakt. Daarbij spelen de bedoeling van partijen en de aard van hun rechtsverhouding een rol (vergelijk Hoge Raad 13 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8172).

2.14

Partijen zijn ex-echtelieden die gedurende circa veertien jaar met elkaar gehuwd zijn geweest. Partijen hebben de huiskavel in 1998 gekocht van de vader van de vrouw waarbij de man de koopsom heeft betaald. De overige landerijen zijn door de ouders van de vrouw in 2000 (uitsluitend) aan de man verkocht en geleverd. Op de huiskavel rust thans een hypothecaire geldlening van € 122.914,-.

2.15

De WEVAB is de prijs die de beste koper na de beste voorbereiding bereid is voor de grond te betalen, ervan uitgaande dat de grond in het kader van een landbouwbedrijf – hieronder begrepen een ander soort landbouwbedrijf – blijft aangewend en de overige niet-agrarische bestemmingen worden weggedacht. Ook verwachtingen omtrent mogelijke toekomstige aanwending in een ander soort landbouwbedrijf kunnen van invloed zijn op de WEVAB en maken hiervan deel uit. Het gaat hier dus om de beste prijs die een (eventueel andere) agrariër hiervoor wil geven.

2.16

Het hof constateert dat een (extra) vraag aan de makelaars is gesteld naar het effect van de onttrekking van 13 hectare grond aan het bedrijf bij de huiskavel waardoor er nog 13 (in plaats van 26) hectare grond kan worden benut. Het hof is van mening dat de omstandigheid dat de huiskavel deel uitmaakt van een bedrijf met 13 hectare in plaats van 26 hectare grond geen invloed heeft op de WEVAB, omdat die omstandigheid uitsluitend betrekking heeft op de onderneming van de man en de waarde die de huiskavel voor hem heeft, terwijl het dient te gaan om de beste prijs die andere agrariërs hiervoor zouden willen geven.

2.17

Het hof gaat daarom uit van een WEVAB van € 512.500,-.

2.18

Het aan de vrouw uitbetalen van haar aandeel in de huiskavel op basis van de WEVAB dient er niet toe te leiden dat de voortzetting van de onderneming van de man onmogelijk wordt gemaakt, ervan uitgaande dat dit een lonend bedrijf is.

2.19

Het hof overweegt dat de aan het rapport van [E] ten grondslag liggende financiële gegevens niet aan het rapport zijn gehecht noch afzonderlijk in het geding zijn gebracht, zodat het hof hiervan geen kennis heeft kunnen nemen.

2.20

Tevens constateert het hof dat de vrouw heeft gesteld dat het rapport van [E] onbruikbaar is vanwege vele daaraan klevende gebreken.

2.21

[E] heeft de sub 2 bedoelde waarde van de huiskavel berekend aan de hand van de in dat kader maximaal door de onderneming van de man te dragen financieringslast en heeft deze aldus bepaald op € 200.000,-. Het hof stelt vast dat [E] deze maximale financieringslast heeft vastgesteld voor de situatie ten tijde van de echtscheiding en niet per heden zoals hier aangewezen is.

2.22

[E] heeft daarbij - naast de hierna nog aan de orde komende schuld aan [G] B.V., hierna te noemen: [G], wegens de aflossing van de hypotheekschuld voor de ligboxenstal - rekening gehouden met twee schulden aan de moeder van de man waarvan [E] blijkens haar rapport niet van rentebetalingen in de door de man aangeleverde jaarstukken is gebleken.

2.23

Nu de door [E] in verband met de schulden aan de moeder van de man aangenomen rentelast niet voldoende is aangetoond acht het hof het aangewezen dat die schulden buiten de berekening van de maximaal mogelijke financieringslast worden gehouden. Voor het overige uitgaande van de door [E] voorgestane maximale financieringslast in 2011 zou € 432.500,- minus € 107.000,-, ofwel € 322.500,- door de onderneming van de man kunnen worden geleend en dus uitbetaald aan de vrouw. Het hof overweegt hierbij dat uit de hierna te noemen jaarstukken van [G] blijkt van een schuld van € 105.539,67 in plaats van € 107.000,- zodat het hof van € 105.539,67 uitgaat.

2.24

Het hof overweegt dat, overeenkomstig hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 42 van de tussenbeschikking van 8 januari 2013, de man aan de vrouw de helft van de waarde van de huiskavel dient te vergoeden. Uitgaande van de WEVAB van € 512.500,- dient de man de helft hiervan, ofwel € 256.250,-, aan de vrouw te vergoeden. Daar gaat nog € 70.000,- vanaf omdat ze dat bedrag al heeft ontvangen, zodat overblijft € 186.250,-. Nu uit het vorenstaande blijkt dat de onderneming van de man een maximale financieringslast van € 322.500,- kan dragen, acht het hof de man in staat het bedrag van € 186.250,- ineens aan de vrouw te voldoen. De bezwaren van de vrouw tegen het rapport van [E] zijn daarmee niet meer relevant, zodat het hof deze hier verder buiten beschouwing zal laten.

Verkoopwinst aandelen [H] SL

2.25

In voormelde beschikking van 8 januari 2013 is overwogen dat partijen het erover eens zijn dat de kern van het geschil is of de ligboxenstal is gefinancierd met vermogen van de man dat niet is verkregen met behulp van overgespaarde inkomsten, zodat de man ter zake een vordering heeft op de vrouw. De vraag die daartoe volgens gemelde tussenbeschikking dient te worden beantwoord is of de deelnemingswinst die [G] heeft behaald met de verkoop van haar aandelen in [H] SL, hierna te noemen: [H], en die is gebruikt voor de aflossing van de hypotheekschuld met betrekking tot de ligboxenstal, al dan niet is verkregen met behulp van overgespaarde inkomsten.

2.26

Het hof dient daarvoor te onderzoeken of winst die l`Emporda heeft behaald met de verkoop in 2007 van haar aandelen in [H] in de verrekening moet worden betrokken.

2.27

Daartoe dient eerst te worden vastgesteld wat tussen partijen verrekend had moeten worden. Daarna kan eventueel artikel 1:141 lid 4 BW aan de orde komen.

2.28

Het hof stelt voorop dat het op grond van vaste jurisprudentie bij de uitleg van bepalingen in huwelijkse voorwaarden aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158).

2.29

In het kader van deze maatstaf is allereerst de tekst van de huwelijkse voorwaarden van belang. Naast de bewoordingen van de huwelijkse voorwaarden zijn voor de uitleg verder van belang de omstandigheden waaronder deze zijn gemaakt en de wederzijds kenbare bedoelingen van partijen.

2.30

De man heeft aangevoerd dat deelnemingswinsten als behaald door [G] niet vallen onder het in de akte houdende huwelijksvoorwaarden opgenomen inkomensbegrip en dat [H] en [G] niet onder het bereik van het inkomensbegrip vallen. Volgens de man hebben partijen elk voorafgaand aan het huwelijk diverse relaties gehad en aldus eerder te maken gehad met de materiële gevolgen van het verbreken daarvan. De reden voor het aangaan van de huwelijkse voorwaarden is volgens hem gelegen in de bescherming van ieders vermogen en van de bestaande en voorgenomen bedrijfsactiviteiten tegen de bij echtscheiding intredende negatieve gevolgen, die een grote bedreiging kunnen vormen voor de continuïteit van bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten. Voor de vrouw speelde volgens hem mee dat zij verwachtte aanmerkelijk te zullen erven en voor hemzelf het hebben van een groter eigen vermogen dan de vrouw had en de bescherming van hetgeen hem in het kader van bedrijfsoverdracht en erfrechtelijk nog van zijn ouders ten deel zou vallen. De man had rekening te houden met aanmerkelijke aanspraken van zijn broer en ouders vanwege de afrekening in het kader van de ontbonden samenwerking met hen. Ter voorziening in die aanspraken was ook de instandhouding van zijn voorhuwelijkse vermogen en de revenuen daarvan van levensbelang. De man wenste zijn vermogen en de waardestijging daarvan zoveel mogelijk buiten de huwelijksrelatie van partijen te houden en de verrekening in het kader van de huwelijksvoorwaarden zoveel mogelijk te beperken, aldus nog steeds de man.

2.31

Volgens de vrouw wordt uitdrukkelijk door de man niet besproken dat de winst uit onderneming hier niet dient te worden verrekend. Zij betwist dat voor beide partijen de reden van het opmaken van huwelijkse voorwaarden is geweest dat partijen bekend waren met de materiële gevolgen van een echtscheiding. Het kan volgens haar nooit de bedoeling van de vrouw zijn geweest dat alle winsten zouden worden opgepot, de man nauwelijks loon uitkeerde en alles voor zichzelf hield. Op het moment dat partijen huwden had de man geen eigen bedrijf, maar was hij in dienst bij zijn vader. Bij het aangaan van de huwelijksvoorwaarden leefden partijen samen van de eenmanszaak, ofwel van de maatschap. Toen de man een B.V. oprichtte behoefde de vrouw er geen rekening mee te houden dat de man alles voor zichzelf zou houden. Het inkomstenbegrip in de huwelijksvoorwaarden was in 1995 tamelijk standaard. Van toepassing is het inkomensbegrip zoals dat luidde bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden. Gedurende de periode dat de man mede-eigenaar was van [H] en eigenaar van [G] heeft de man zichzelf slechts ƒ 25.000,- bruto loon vanuit [G] en geen winst uitgekeerd. Voor de aandelen van [G] in [H] is € 267.000,- betaald dat in ieder geval de winsten omvat die zijn gemaakt in de periode van 2000 tot 2007, die kunnen worden opgevat als opgepotte winsten, ofwel onverteerd vermogen. Deze winst had de man aan zichzelf kunnen uitkeren en dat hoort te worden beschouwd als inkomen. Het is volgens haar niet de bedoeling van partijen geweest dat de man alle winst zou oppotten en om dit niet tot het inkomen te laten behoren. Volgens de vrouw is de wijze waarop het inkomstenbegrip in de huwelijksvoorwaarden is opgenomen niet van belang. Opgepotte winsten zijn onverteerd inkomen en moeten worden verrekend.

2.32

Tijdens de mondelinge behandeling op 8 november 2012 heeft de vrouw gesteld dat partijen het bedrijf samen hebben opgebouwd, dat haar vader garant heeft gestaan voor de aankoop van het bedrijf in Spanje en dat de echtelijke woning met een recht van hypotheek in het kader van de financiering daarvan is belast. Na zeven jaar "hommeles", waarbij de man veel in Spanje is geweest, is er uiteindelijk toch resultaat behaald waarmee de stal is afgelost. Dat dit niet mede ten goede van haar zou komen acht de vrouw niet eerlijk, ook omdat zij wel het risico heeft gelopen. Zij heeft aangevoerd dat de opbrengst van [G] ook op grond van redelijkheid en billijkheid voor de helft aan haar toekomt.

2.33

Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 12 van de huwelijkse voorwaarden partijen het overgespaarde inkomen dienen te verrekenen. Het begrip inkomen is in artikel 9 lid 1 van de huwelijksvoorwaarden gedefinieerd als het belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964) verminderd met de daarover verschuldigde belastingen en premies. Het in de huwelijkse voorwaarden vervatte inkomensbegrip knoopt aldus expliciet aan bij de wet op de Inkomstenbelasting 1964.

2.34

Het ten tijde van het aangaan van de huwelijkse voorwaarden geldende artikel 4 lid 1 Wet IB 1964 bepaalde dat het ‘onzuivere inkomen’ bestaat uit het gezamenlijk bedrag van hetgeen de belastingplichtige geniet als: a. winst uit onderneming, b. zuivere inkomsten uit arbeid, uit vermogen of in de vorm van bepaalde periodieke uitkeringen en verstrekkingen en c. winst uit aanmerkelijk belang. Op dit onzuiver inkomen werden aftrekposten in mindering gebracht en eventuele verliezen verrekend. Dit subtotaal vormde het voor het verrekenbeding relevante belastbaar inkomen (artikel 3 Wet IB 1964).

2.35

Winst uit onderneming zoals hiervoor bedoeld geniet hij voor wiens rekening een onderneming wordt gedreven, daaronder begrepen hij die, anders dan als aandeelhouder, medegerechtigd is tot het vermogen van een onderneming (artikel 6 Wet IB 1964).

2.36

De door [G] geëxploiteerde onderneming is niet een onderneming die voor rekening van de man wordt gedreven, zodat door [G] gemaakte winst geen winst uit onderneming zoals omschreven onder artikel 4 lid 1 wet IB 1964 vormt.

2.37

Binnen een B.V., zoals [G], gemaakte winsten worden wel door de inkomstenbelasting getroffen indien en voor zover deze (onder meer) als dividend worden uitgekeerd aan belastingplichtige aandeelhouders, maar dan als zuivere inkomsten uit vermogen (artikel 4, lid 1, letter b Wet IB 1964 en artikel 25 Wet IB 1964).

2.38

Het hof constateert dat bij het aangaan van het huwelijk de man werkzaam was op het boerenbedrijf van zijn familie (eveneens in [A]) en dat hij tijdens het huwelijk van partijen in plaats daarvan het thans nog aanwezige eigen boerenbedrijf in [A] heeft opgebouwd. Het boerenbedrijf van de familie van de man leverde voor hem winst uit onderneming dan wel inkomen uit arbeid op, dat onder het belastbaar inkomensbegrip viel dat is opgenomen in het in de akte van huwelijkse voorwaarden opgenomen verrekenbeding. Het daarna in [A] opgebouwde boerenbedrijf werd voor rekening van de man gedreven en de daaruit voortvloeiende winst valt als winst uit onderneming als bedoeld in voormeld artikel 6 van de Wet IB 1964 evenzeer onder het in het verrekenbeding omschreven te verrekenen belastbaar inkomen.

2.39

De in de vorm van een besloten vennootschap gedreven boerderij in Spanje is er nadien gekomen naast het boerenbedrijf in Nederland. Niet voldoende gesteld of gebleken is dat partijen bij het sluiten van hun huwelijkse voorwaarden met het inkomensbegrip in hun verrekenbeding ook reeds het oog hebben gehad op de binnen een dergelijke besloten vennootschap, waarbinnen een tweede onderneming zou worden uitgeoefend, te behalen ondernemingswinst.

2.40

Nu het in de huwelijkse voorwaarden vervatte inkomensbegrip expliciet aanknoopt bij de toen geldende wet op de inkomstenbelasting 1964, en onvoldoende is onderbouwd dat dat begrip tevens de ondernemingswinsten van [G] omvat, gaat het hof ervanuit dat het verrekenbeding geen betrekking heeft op die ondernemingswinsten en is het bepaalde in artikel 1:141 lid 4 BW hier niet aan de orde (Vergelijk Hoge Raad, 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4557).

2.41

Voor zover [G] winst aan de man heeft uitgekeerd valt dit als zuivere inkomsten uit vermogen (artikel 4, lid 1, letter b, Wet IB 1964) onder het inkomensbegrip in het verrekenbeding (vergelijk hiervoor onder rov 2.37). In dat kader dient te worden bezien in hoeverre de winst die [G] in 2007 heeft behaald met de verkoop van haar aandelen in [H] ook aan de man is uitgekeerd of had kunnen worden uitgekeerd.

2.42

De man heeft in hoger beroep als productie 3 bijlage 6 en 7 de jaarrekeningen van [G] in het jaar van oprichting (2001) en in het jaar van de verkoop van haar aandelen in [H] (2007) in het geding gebracht. Daarnaast heeft hij als productie 15 een toelichting door [I] van 24 oktober 2012 op de gang van zaken rond de verkoop van de aandelen in [H] in het geding gebracht.

2.43

Het hof leidt uit de als productie 3 bijlage 7 door de man overgelegde jaarrekening van [G] over 2007 en de toelichting van [I] van 24 oktober 2012 (productie 15) af dat de verkoopopbrengst van de aandelen in [H] € 244.800,- bedroeg en dat hiermee allereerst een rekeningcourantschuld van [G] aan de man van € 139.211,32 is afgelost. Vervolgens wordt uitgegaan van een winst voor [G] door de verkoop van de aandelen in [H] van € 125.815 en van een jaarwinst in 2007 van € 124.633,-. Nadat de bestaande negatieve reserve (in verband met over de jaren 2000 tot 2007 geleden verliezen uit [H]) van € 84.255,- op deze jaarwinst in mindering is gebracht is, stond op de balans van 31 december 2007 een reserve van € 39.824,- .

2.44

Uit het financieel jaaroverzicht 2007 van de Rabobank leidt het hof af dat in het jaar 2007 een bedrag van € 250.000,- minus € 12.040,13, ofwel € 237.959,87 is afgelost op de hypotheekschuld met betrekking tot de ligboxenstal.

2.45

Het hof leidt verder uit de jaarstukken over 2007 af dat de aflossing van de hypotheekschuld met het bedrag van € 237.959,87 is gedaan met de gelden afkomstig uit de afbetaling door [G] van haar rekeningcourantschuld aan de man en met een lening door [G] aan de man van een bedrag van € 105.539,-.

2.46

Het hof gaat er, nu de man niet aannemelijk heeft gemaakt hoe zijn vordering in rekening-courant op [G] van € 139.211,32 is ontstaan, vooralsnog vanuit dat die vordering is ontstaan uit winst van [G] die aan de man toekwam, maar die feitelijk nog niet aan hem is betaald, maar in rekening courant is bijgeschreven. Het hof gaat er derhalve vooralsnog vanuit dat hier sprake is van uitgekeerd dividend dat op grond van het verrekenbeding in de verrekening moet worden betrokken (vergelijk Hoge Raad 8 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1618). Het hof zal de man echter in de gelegenheid stellen om, voor het geval dat hij zich daarmee niet kan verenigen, voldoende onderbouwd en door bescheiden gestaafd zich schriftelijk erover uit te laten dat dit door het hof voorshands geformuleerde uitgangspunt niet juist is.

2.47

Voor zover [G] aan de man ten behoeve van de aflossing van de genoemde hypotheekschuld genoemde bedrag van € 105.539,- heeft geleend, is geen sprake van een in de verrekening te betrekken gedane dividenduitkering, aangezien het bestaan van die lening afdoende uit de door de man overgelegde jaarstukken over 2007 blijkt. Dat de man dit bedrag deels als winst aan zichzelf had kunnen doen uitkeren in plaats van het te lenen, doet daarvoor niet ter zake, nu het verrekenbeding niet op ondernemingswinsten van [G] ziet.

2.48

Aan het door de vrouw gedane beroep op de redelijkheid en billijkheid zoals hiervoor in rov. 2.32 weergegeven, komt het hof toe nadat in deze procedure duidelijk is geworden of en in hoeverre de met verkoop van de aandelen in [H] behaalde winst voor verrekening in aanmerking komt. Het hof stelt de man in de gelegenheid schriftelijk zich over dit door de vrouw gedane beroep uit te laten.

2.49

Het onderhavige appel heeft uitsluitend betrekking op tussenbeschikkingen in eerste aanleg. Partijen zullen daarom eveneens in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk toe te lichten hoe zij de verdere voortgang van de procedure in appel in samenhang met de procedure in eerste aanleg voor zich zien.

2.50

Tot slot geeft het hof aan partijen ter overweging mee om, nu de hoofdgeschilpunten grotendeels zijn beslist, thans een schikking te beproeven.

Slotsom

2.51

De zaak wordt voor de nadere schriftelijke reactie van de man respectievelijk de vrouw naar de in het dictum vermelde pro forma zitting verwezen. In afwachting daarvan houdt het hof iedere beslissing aan

3 De beslissing

Het gerechtshof:

stelt de man in de gelegenheid een nadere schriftelijke reactie te geven als vermeld in rechtsoverweging 2.46, 2.48 en 2.49 tot uiterlijk dinsdag 28 april 2015 onder gelijktijdige toezending van een exemplaar van deze schriftelijke reactie aan de advocaat van de wederpartij, waarna de vrouw hierop schriftelijk zal mogen reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. W. Breemhaar, voorzitter, mr. A.W. Beversluis en mr. G.K. Schipmölder en, bijgestaan door mr. F.W. Strijker als griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 24 maart 2015.