Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:2564

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-03-2015
Datum publicatie
10-04-2015
Zaaknummer
14/00637 en 14/00638
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:3520, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonbelasting. Autokostenfictieregeling. Boeten terecht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/766
V-N 2016/7.22.4
NTFR 2015/1559 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummers 14/00637 en 14/00638

uitspraakdatum: 31 maart 2015

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 juni 2014, nummers AWB 13/6287 en 13/6288, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Landelijk Coördinatiecentrum Auto (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende zijn over de tijdvakken 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 (hierna: tijdvak 2011) en 1 januari 2012 tot en met 31 oktober 2012 (hierna: tijdvak 2012) naheffingsaanslagen in de loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: loonheffingen) opgelegd. Daarbij is voorts voor het tijdvak 2011 een vergrijpboete van € 5.373 en voor het tijdvak 2012 een verzuimboete van € 1.920 opgelegd.

1.2

Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, zijn de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen door de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar gehandhaafd.

1.3

De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar inzake de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Daarbij heeft de Inspecteur voorts incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, de van de Rechtbank ontvangen dossiers die op deze zaken betrekking hebben.

1.6

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 5 maart 2015 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord: belanghebbende alsmede [A] en drs. [B] namens de Inspecteur.

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende was in de onderhavige tijdvakken (2011 en 2012) in dienstbetrekking werkzaam bij [C] b.v. (hierna: de werkgever). Belanghebbende bezit 100% van de aandelen in deze vennootschap.

2.2

De werkgever heeft belanghebbende in het kader van de dienstbetrekking een personenauto van het merk Volvo, type V50 met kenteken [00-YYY-0] (hierna: de auto) ter beschikking gesteld.

2.3

Belanghebbende heeft met betrekking tot de auto op 22 augustus 2011 een ‘Verklaring geen privégebruik auto’ bij de Belastingdienst aangevraagd. De beschikking ‘Verklaring geen privégebruik auto’ is met dagtekening 26 augustus 2011 door de Inspecteur aan belanghebbende verleend. In de beschikking is onder meer het volgende vermeld:

‘U moet altijd overtuigend kunnen bewijzen dat u met de auto(‘s) van uw werkgever niet meer dan 500 privékilometers op kalenderjaarbasis rijdt. Dat kan bijvoorbeeld met een sluitende rittenregistratie.’.

Bij de beschikking is door de Inspecteur een folder gevoegd waarin – onder meer – is opgenomen op welke wijze een sluitende rittenregistratie kan worden bijgehouden. Voorts is in de folder het volgende vermeld:

‘Voorkom naheffing

Gaat u uw Verklaring geen privégebruik auto gebruiken? Dan moet u kunnen bewijzen dat u met de auto van de zaak op kalenderjaarbasis niet meer dan 500 privékilometers rijdt. Kunt u dit bewijs niet leveren, dan krijgt u een naheffing en een hoge boete. U moet dan over de periode waarin u een auto van de zaak had, alsnog loonbelasting/premie volksverzekeringen (…) betalen over het voordeel van het privégebruik. Met een sluitende rittenregistratie voorkomt u zo’n naheffing.

Strenge eisen aan bewijs

U mag zelf kiezen hoe u wilt bewijzen dat u niet meer dan 500 privékilometers met de auto van de zaak rijdt. Maar het bewijs moet wel overtuigend zijn. Een aannemelijk verhaal is nog geen bewijs.

(…)”.’

2.4

Bij brief van 9 mei 2012 heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht informatie te verstrekken met betrekking tot het gebruik van de auto in de periode van 1 januari 2011 tot en met 9 mei 2012. Belanghebbende heeft op 23 mei 2012 aan dit verzoek voldaan. Daarbij heeft belanghebbende een rittenadministratie over 2011 overgelegd aan de Inspecteur alsmede een rittenadministratie over de periode 1 januari 2012 tot en met 9 mei 2012.

2.5

De auto is op vrijdag 11 februari 2011, op zaterdag 26 februari 2011, op donderdag 21 april 2011, op zaterdag 30 april 2011 (om 07.15 uur), op zondag 8 mei 2011 (om 08.56 uur), op maandag 13 juni 2011 en op vrijdag 12 augustus 2011 waargenomen op de Rijksweg A1. Deze ritten zijn niet vermeld in de door belanghebbende overgelegde rittenadministratie.

2.6

In een aan de Inspecteur gerichte brief van 9 augustus 2012 heeft belanghebbende onder meer verklaard “De keuze voor standaardritten is gedaan omdat dit handig en praktisch is. Minder werk. Minder arbeidsintensief. (…) We hebben op advies besloten de kilometerstand in de auto te controleren per ½ jaar.”.

2.7

Voor het tijdvak 2012 (eerste helft) heeft belanghebbende in totaal drie verschillende rittenadministraties aan de Inspecteur overgelegd.

2.8

De Inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek het standpunt ingenomen dat de door belanghebbende overgelegde rittenadministraties ondeugdelijk zijn en dat belanghebbende niet erin is geslaagd overtuigend aan te tonen dat in de onderhavige tijdvakken op jaarbasis minder dan 500 kilometer in privé met de auto is gereden. Daarom heeft hij belanghebbende (met dagtekening 27 november 2012) een naheffingsaanslag in de loonheffing over 2011 opgelegd ten bedrage van € 5.373, een naheffingsaanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) van nihil en een vergrijpboete van € 5.373 (100%). Voorts is daarbij heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 121. Voor het tijdvak 2012 (1 januari tot en met 31 oktober 2012) heeft de Inspecteur belanghebbende (met dagtekening 27 november 2012) een naheffingsaanslag in de loonheffing opgelegd ten bedrage van € 4.477, een naheffingsaanslag Zvw van nihil en een verzuimboete van € 1.920 (welke door de Inspecteur is berekend over de periode van 1 januari 2012 tot en met 9 mei 2012).

2.9

Hiertegen heeft de toenmalige gemachtigde van belanghebbende, [D] van administratiekantoor [E], op 27 november 2012 bezwaar aangetekend. Op verzoek van de Inspecteur is de gemachtigde op 20 februari 2013 ermee akkoord gegaan dat de beslistermijn voor het doen van uitspraken op bezwaar wordt verlengd. Bij uitspraken op bezwaar van 4 september 2013 heeft de Inspecteur de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen die uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

2.10

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. De bezwaren tegen de naheffingsaanslagen Zvw heeft de Rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. In verband hiermee heeft de Rechtbank een proceskostenvergoeding ten gunste van belanghebbende vastgesteld.

2.11

Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de Rechtbank inzake de boetebeschikkingen. De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de Rechtbank inzake de proceskosten. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur het incidenteel hoger beroep ingetrokken.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In hoger beroep is in geschil of de vergrijpboete en de verzuimboete terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

3.2

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting. De Inspecteur heeft ter zitting het incidenteel ingestelde hoger beroep ingetrokken. Voorts heeft hij ter zitting nader het standpunt ingenomen dat de vergrijpboete moet worden gematigd tot € 2.686, zijnde 50% van de nageheven loonheffing en de verzuimboete tot € 960.

3.3

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikkingen, tot vernietiging van de op de boetebeschikkingen betrekking hebbende uitspraken op bezwaar en tot vernietiging van de boetebeschikkingen.

3.4

De Inspecteur concludeert (nader) tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikkingen, tot vernietiging van de op de boetebeschikkingen betrekking hebbende uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de vergrijpboete tot € 2.686 voor het tijdvak 2011 en tot vermindering van de verzuimboete voor het tijdvak 2012 tot € 960.

4 Beoordeling van het geschil

Algemeen

4.1

Belanghebbende klaagt in hoger beroep erover dat de Inspecteur zich in de bezwaarfase niet heeft gehouden aan de wettelijke termijn voor het doen van een uitspraak op bezwaar, althans dat de Inspecteur hem met betrekking tot de ‘akkoordverklaring’ van 20 februari 2013 op het verkeerde been heeft gezet. De behandelduur in bezwaar is volgens belanghebbende onredelijk lang geweest. Belanghebbende verbindt hieraan de gevolgtrekking dat de boetebeschikkingen reeds hierom dienen te worden vernietigd. Die conclusie kan naar het oordeel van het Hof echter niet worden getrokken. Ook al zou veronderstellenderwijs met belanghebbende ervan worden uitgegaan dat de ‘akkoordverklaring’ van zijn adviseur inzake de termijnverlenging voor het beslissen op bezwaar niet rechtsgeldig zou zijn, dan nog kan de – daaruit voortvloeiende – omstandigheid dat de Inspecteur zich bij het doen van de onderhavige uitspraken op bezwaar niet heeft gehouden aan de in artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) genoemde termijnen niet leiden tot vernietiging van de boetebeschikkingen. Een gevolg van het niet tijdig beslissen op een bezwaarschrift door een inspecteur kan zijn dat een belastingplichtige op de voet van artikel 4:17 Awb aanspraak maakt op een dwangsom. Voorts kan een belastingplichtige in een dergelijke situatie op de voet van artikel 6:12 Awb beroep instellen bij de rechter tegen het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar. Van die mogelijkheden heeft belanghebbende evenwel geen gebruik gemaakt. De klacht faalt derhalve. Opgemerkt zij nog dat de behandeling van de onderhavige zaken in bezwaar en beroep is geschied binnen de door de Hoge Raad in zijn vaste jurisprudentie gestelde termijn van twee jaren.

Vergrijpboete 2011

4.2

De Inspecteur heeft belanghebbende over het tijdvak 2011 op de voet van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een vergrijpboete opgelegd van 100% van de nageheven loonheffing. Volgens de Inspecteur is het aan opzet van belanghebbende te wijten geweest dat de ter zake van het privégebruik van de ter beschikking gestelde auto verschuldigde loonheffing niet is betaald. De Inspecteur wijst er daarbij op dat in de door belanghebbende overgelegde rittenadministratie over 2011 verschillende ritten niet zijn opgenomen en dat belanghebbende niet de werkelijk gereden kilometers heeft genoteerd maar standaardkilometers, terwijl belanghebbende erop is gewezen dat hij overtuigend dient aan te tonen dat hij op jaarbasis minder dan 500 kilometer in privé met de auto rijdt. Belanghebbende betwist, kort gezegd, dat sprake is van ‘opzet’.

4.3

Hoewel belanghebbende bij het verstrekken van de ‘Verklaring geen privégebruik auto’ nadrukkelijk door de Inspecteur erop is gewezen dat hij overtuigend dient aan te tonen dat op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer in privé met de auto wordt gereden en dat daarbij hoge eisen aan een rittenadministratie worden gesteld, heeft belanghebbende ervoor gekozen om uit te gaan van het noteren van ‘standaardkilometers’ in plaats van de werkelijk door hem gereden kilometers (zie 2.6). Voorts heeft hij – in ieder geval – zeven ritten niet in de rittenadministratie vermeld (zie 2.5). Door deze handelwijze kan naar het oordeel van het Hof niet anders worden geconcludeerd dan dat belanghebbende zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat met betrekking tot de ter beschikking gestelde auto ten onrechte geen loonheffing ter zake van het privégebruik zou worden geheven en dat hij die kans niettemin bewust heeft aanvaard (op de koop heeft toegenomen). Derhalve is sprake van (voorwaardelijk) opzet aan de zijde van belanghebbende. De Inspecteur heeft, gelet op het bepaalde in artikel 67f AWR, mitsdien terecht een vergrijpboete aan belanghebbende opgelegd. Ter zitting in hoger beroep heeft de Inspecteur nader een boete van € 2.686 (50%) bepleit. Het Hof acht een boete van 50% – € 2.686 – een passende en geboden sanctie voor het vergrijp dat door belanghebbende is begaan.

Verzuimboete 2012

4.4

Belanghebbende heeft tegen de beslissing van de Rechtbank dat over het tijdvak 2012 terecht loonheffing is nageheven ter zake van het privégebruik van de aan belanghebbende ter beschikking gestelde auto geen hoger beroep ingesteld. Daarmee staat in hoger beroep vast dat het in artikel 67c AWR bedoelde betalingsverzuim zich heeft voorgedaan. Op grond van het eerste en het vierde lid van artikel 67c AWR in verbinding met artikel 20, tweede lid, tweede volzin, AWR kan de Inspecteur belanghebbende voor dit verzuim een boete opleggen van maximaal € 4.920. Daarvoor is niet vereist dat sprake is van ‘opzet’ of ‘grove schuld’ aan de zijde van belanghebbende. Een situatie van ‘afwezigheid van alle schuld’ doet zich te dezen niet voor. De Inspecteur heeft een verzuimboete aan belanghebbende opgelegd van € 1.920, maar hij heeft ter zitting in hoger beroep nader een verzuimboete van € 960 bepleit. Het Hof acht die boete – € 960 – te dezen een passende en geboden sanctie voor het verzuim dat door belanghebbende is begaan.

slotsom

Het hoger beroep van belanghebbende is gegrond.

5 Kosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Het Hof stelt de voor vergoeding in aanmerking komende kosten vast op een bedrag van € 320 voor verletkosten (4 uren à € 80). De Inspecteur heeft ter zitting desgevraagd verklaard zich met dit bedrag te kunnen verenigen. Opgemerkt zij nog dat de door de Rechtbank uitgesproken kostenveroordeling door het Hof in stand wordt gelaten, evenals de vergoeding van het griffierecht.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover deze uitspraak betrekking heeft op de boetebeschikkingen;

  • -

    verklaart het beroep tegen de op de boetebeschikkingen betrekking hebbende uitspraken op bezwaar gegrond;

  • -

    vernietigt de op de boetebeschikkingen betrekking hebbende uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de vergrijpboete over het tijdvak 2011 tot € 2.686;

  • -

    vermindert de verzuimboete over het tijdvak 2012 tot € 960;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 320 voor de procedure in hoger beroep, en

  • -

    gelast de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden het door hem voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 122.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. M.G.J.M. van Kempen en mr. B.F.A. van Huijgevoort, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2015

De griffier, De voorzitter,

(C.E. te Brake)

(R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 3 april 2015

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.