Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:2522

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-04-2015
Datum publicatie
08-04-2015
Zaaknummer
200.136.115-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hulpverleningsinstelling sluit overeenkomst met hulpvragers. In dat kader wordt een door de instelling gehuurde woning aan hulpvragers ter beschikking gesteld. De hulpverleningsrelatie eindigt. Het hof beantwoordt de vraag of de hulpvragers zich op huurbescherming kunnen beroepen ontkennend. Er is sprake van een gemengde overeenkomst, waarin het begeleidingselement overheerst. De hulpverleningsinstelling heeft rond de beëindiging van de relatie haar zorgplicht niet geschonden.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 215
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 201
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/263
RVR 2015/62
JHV 2015/100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.136.115/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 353817/CV EXPL 12-4524)

arrest van de eerste kamer van 7 april 2015

in de zaak van

[appellant],

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. V.S.A.W. Wegter, kantoorhoudend te Assen,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

hierna: [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

hierna: [geïntimeerde 2],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. E.T. van Dalen, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 5 februari 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling Privaatrecht, locatie Assen (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 23 april 2013,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] luidt:

"alsdan op nader aan te voeren gronden te horen eis doen en concluderen dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden moge behagen om bij arrest, voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de kantonrechter van rechtbank Noord-Nederland, afdeling Privaatrecht, locatie Assen, 5 februari jl. gewezen tussen appellante als gerequireerde en gerequireerden als eisers te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van gerequireerden alsnog af te wijzen en hen deze geheel te ontzeggen, althans hun vorderingen af te wijzen als het Hof in goede justitie zal vermenen te behoren, met veroordeling van gerequireerden in de kosten van het geding in beide instanties".

3 De beoordeling
vaststaande feiten

3.1

Het hof ziet redenen de feiten zelfstandig vast te stellen. Om die reden heeft [appellant] geen belang bij bespreking van de grieven 1 en 2, die zich keren tegen de feitenvaststelling door de kantonrechter.

3.1.1

[appellant], die de naam ADHD Noord gebruikt, is een organisatie die gespecialiseerd is in hulpverlening aan volwassenen en kinderen met psychosociale beperkingen, vaak samenhangend met een psychiatrische aandoening als ADHD en/of PDD-nos. De hulpverlening kan bestaan uit hulp in de huishouding, het plannen en structureren van dagbesteding, opvoedingsondersteuning, het regelen van financiële zaken, etc.

3.1.2

[geïntimeerden] zijn gehuwd. Zij vormden met hun vijf kinderen, waarvan er twee meerderjarig zijn, een (samengesteld) gezin.

3.1.3

In mei 2010 woonden [geïntimeerden] en hun kinderen op een camping, nadat zij door hun verhuurder Stichting Nijestee uit huis waren gezet.

3.1.4

[geïntimeerden] hebben zich tot [appellant] gewend met een verzoek om hulp. Mevrouw
[X] van [appellant] heeft een intakegesprek met hen gevoerd. In haar verslag naar aanleiding van dit gesprek is onder meer het volgende vermeld:
“Gezin is dringend op zoek naar een gezinscoach. Gezin bestaat uit vader, moeder en 5 kinderen. Vader is gediagnosticeerd met ADHD, oudste zoon van 21 met ADHD/PDD-nos, zoon van bijna
18 jaar ook met ADHD/PDD-nos, zoon van 7 met ADHD en de jongste zoon van 3 is momenteel in onderzoek, verwachting is ADHD. Dochter van 5 heeft geen diagnose.
Momenteel is er begeleiding vanuit Helping Hands, maar dit geeft niet het effect wat ouders graag willen. Daarnaast hebben ouders het idee dat er misbruik gemaakt wordt van hun pgb. Moeder is volledig uitgeput en depressief. Zij krijgt hulp van PsyQ.
(…)
Het gezinsleven is hectisch. Met name de oudste twee tonen weinig respect naar hun ouders en er zijn veel conflicten in het gezin. Er komen regelmatig ruzies voor waarbij er wordt geschopt en geslagen. Moeder wil graag begeleiding bij de opvoeding van haar kinderen.”

3.1.5

[appellant] en [geïntimeerden] zijn overeengekomen dat [appellant] [geïntimeerden] intensieve ambulante hulpverlening zal bieden. Van de overeenkomst maakte deel uit dat [appellant] aan [geïntimeerden] woonruimte aan de [adres] te [plaats] beschikbaar stelde, die [appellant] van Stichting Nijestee huurde.

3.1.6

Ten aanzien van het gebruik van de woning hebben partijen een op 21 juli 2010 gedateerde schriftelijke overeenkomst - aangeduid als “Wooncontract voor begeleid wonen in zelfstandige woonruimte” - ondertekend, waarin [geïntimeerden] en hun kinderen als “cliënt” worden aangeduid en het volgende is bepaald:
“1)
Cliënt bewoont een woning. adres [adres] te [plaats], die onder toezicht staat van ADhDnoord. De ingangsdatum is 1 augustus 2010. Cliënt kan deze woning bewonen zolang ze begeleidt (het hof leest: begeleid) wordt door ADhDnoord. Indien een van partijen (cliënt of ADhDnoord) de begeleiding beëindigt, zal cliënt de woning binnen een maand verlaten. ADhDnoord zal de begeleiding beëindigen indien cliënt zelfstandig verder kan of indien cliënt (volgens ADhDnoord) niet meer begeleidbaar is.
2)
De individuele gezinsleden hebben een zinvolle daginvulling. Deze daginvulling kan bestaan uit werk, school, opleiding in combinatie met werk, vrijwilligerswerk en elke andere vorm die betrekking heeft op een zinvolle daginvulling. (…) Bij het niet nakomen van bovengenoemde afspraken zal de woonovereenkomst met de bewoner per direct worden beëindigd en dient cliënt de woning te verlaten.
3)
Het is verboden dat de cliënt drugs gebruikt. Dit geldt voor harddrugs alsmede softdrugs. Alcohol mag met mate worden genuttigd. Voor de bewoner die een alcoholverbod heeft is het niet toegestaan alcohol te nuttigen. Bij overtreding en overlast of lichamelijk geweld in de woning alsmede in de directe omgeving, zal er tot sancties worden overgegaan. Concreet betekent dit dat de bewoner uit de woning zal worden geplaatst binnen de periode van een maand. Tevens zal er melding worden gedaan bij de politie en AMK.
4)
De cliënt zal de woning gebruiken en onderhouden zoals het een goede bewoner betaamt. Mocht er een tuin bij de woning behoren, dan zal de bewoner deze onderhouden. De begeleider zal hier op toe zien en er duidelijke afspraken over maken. Ook op deze afspraken en de uitvoering van deze afspraken zal worden toegezien door de begeleider.
5)
De bewoner is verantwoordelijk voor de woning en de directe leefomgeving. De bewoner zal zich onthouden van gedragingen waarvan naar algemeen gangbare opvattingen mag worden aangenomen, dat zij schade veroorzaken aan gezinsleden, de woning, of aan naburige woningen, dan wel als hinderlijk en storend worden ervaren door, of overlast bezorgen aan derden aanwezig in naburige percelen. Bij het niet nakomen van deze afspraken zal de begeleiding door ADhDnoord beëindigd worden. Concreet betekent dit dat de cliënt de woning binnen een maand dient te verlaten.
6)
Overlast van muziek, door het bespelen van een muziekinstrument, enz., die hinder veroorzaakt bij gezinsleden en omwonenden zal niet worden getolereerd. Bij overtreding van deze bepaling kan dit concreet betekenen dat de aangegane overeenkomst tussen bewoner en ADhDnoord kan worden beëindigd en cliënt de woning dient te verlaten.

7)

Cliënt voldoet de gebruikerskosten bestaande uit huur. gas, water, elektra, telefoon e.d.
8)
Van cliënt kan geëist worden dat hij / zij een vorm van begeleiding, training, therapie, budgettering, etc. volgt als voorwaarde om in deze woning te kunnen verblijven. Slechts in overleg met de begeleider van ADhDnoord kan hiervan afgeweken worden.”

3.1.7

Een drietal medewerkers van [appellant] c.s. heeft [appellant] c.s. structurele ambulante begeleiding geboden. De hulpverlening was gericht op het aanbrengen van structuur in het gezin en in het dagelijks leven, ontlasting van [geïntimeerden] en het (aan hen) leren om te gaan met ADHD en PDD-nos. De hulpverlening werd bekostigd uit aan [geïntimeerden] toegekende PGB-budgetten. Voor alle leden van het gezin van [geïntimeerden] zijn behandelplannen opgesteld.

3.1.8

Vanaf augustus 2011 hebben [geïntimeerden] hun onvrede geuit over de hulpverlening door [appellant]. Partijen verschilden onder meer van mening over de vraag of door [geïntimeerden] gewenste behandelingen door Accare en PsyQ vergoed dienden te worden door de zorgverzekeraar (zoals [appellant] meende), of uit de toegekende PGB’s, zoals [geïntimeerden] meenden.

3.1.9

Op 17 november 2011 heeft ten kantore van PsyQ een gesprek plaatsgevonden tussen [geïntimeerden] en [appellant]. Partijen zijn in dat gesprek gezamenlijk tot de conclusie gekomen dat de behandelovereenkomst tussen hen met onmiddellijke ingang werd beëindigd.

3.1.10

Naar aanleiding van dit gesprek heeft [appellant] in een brief van 28 november 2011 onder meer het volgende aan [geïntimeerden] geschreven:
“Tijdens het overleg bij PsyQ d.d. 17 november 2011 hebben we in onderling overleg besloten om niet meer verder met elkaar te gaan.
Jullie hebben er voor gekozen om de begeleiding per direct te stoppen, met als reden dat de kinderen zich anders te veel aan de begeleiding zouden hechten. Het zou dan moeilijk zijn om afscheid te nemen.
In het wooncontract staat vermeld dat indien de begeleiding door ADhDnoord stopt, het gezin niet meer in de woning [adres], [plaats] kan blijven wonen. Om deze reden heb ik contact opgenomen met woningbouwvereniging Nijestee om te informeren of het mogelijk is dat jullie de huur overnemen. Dat is helaas niet mogelijk en ook voor een andere woning komen jullie niet in aanmerking.
In het contract staat dat de woning binnen een maand dient te worden verlaten, maar dat zou betekenen dat er nog voor de feestdagen verhuisd moet worden. We hebben met Nijestee kunnen regelen dat jullie pas na de feestdagen hoeven te verhuizen. De huur is beëindigd per 8 januari 2012. Concreet betekent dit dat jullie voor deze datum dienen te verhuizen.
De begeleiding is beëindigd per 18 november 2011. Vanaf deze datum is er geen groeps- of individuele begeleiding meer verleent (het hof leest: verleend), maar jullie wonen nog in een woning van ADhDnoord. We zullen dan nog wel “verblijf” in rekening brengen.”

3.1.11

[geïntimeerden] hebben de woning voor 8 januari 2012 verlaten. Zij hadden toen nog geen andere vaste woonruimte.
procedure in eerste aanleg

3.2

[geïntimeerden] hebben [appellant] gedagvaard en gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten jegens hen dan wel onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door het zogenaamde wooncontract met onmiddellijke ingang op te zeggen en de huurovereenkomst met Nijestee met betrekking tot de woning op te zeggen. Ook hebben zij betaling door [appellant] aan hen van een bedrag van € 10.000,-, de tenminste door hen geleden schade, gevorderd en veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

3.3

Nadat [appellant] verweer had gevoerd, heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat [appellant] onrechtmatig jegens [geïntimeerden] heeft gehandeld door het wooncontract en de huurovereenkomst betreffende de woning op te zeggen en heeft hij [appellant] veroordeeld tot schadevergoeding op te maken bij staat en tot betaling van de proceskosten. Aan dit oordeel heeft de kantonrechter ten grondslag gelegd dat het wooncontract zich kenmerkt als een huurovereenkomst van woonruimte en dat [geïntimeerden] dan ook wettelijke huurbescherming genoten. Door af te koersen op een ontruiming van de woning heeft [appellant] de wettelijke huurbescherming van [geïntimeerden] gefrustreerd en dat is onrechtmatig, aldus de kantonrechter. Voor zover elementen van een of meer dienstverleningsovereenkomsten die partijen ook met elkaar hebben gesloten zich hebben

gemengd met de elementen van de huurovereenkomst, overheersen volgens de kantonrechter de elementen van de huurovereenkomst zodanig dat niet valt in te zien waarom het wegvallen van de begeleiding door [appellant] de wettelijke huurbescherming kan of mag frustreren. De kantonrechter achtte zich niet in staat de door [geïntimeerden] geleden schade te begroten, maar achtte de mogelijkheid van schade wel aanwezig. Om die reden heeft hij [appellant] veroordeeld tot schadevergoeding op te maken bij staat.
bespreking van de overige grieven

3.4

Met grief 3 komt [appellant] op tegen het hiervoor weergegeven oordeel van de kantonrechter dat het wooncontract zich kenmerkt als een huurovereenkomst en dat [geïntimeerden] een beroep op de huurbeschermingsbepalingen toekomt. Volgens [appellant] is de overeenkomst tussen partijen een gemengde overeenkomst, waarin de elementen zorg en begeleiding overheersen. [geïntimeerden] woonden niet zelfstandig, maar begeleid. Zij betaalden ook geen huur. [appellant] wijst er op dat op grond van de laatste zin van artikel 6:216 BW de huurbeschermingsbepalingen niet van toepassing zijn op de overeenkomst tussen partijen.

3.5

Naar het oordeel van het hof heeft het wooncontract een gemengd karakter. De overeenkomst strekt onmiskenbaar ook tot het verschaffen van woonruimte aan [geïntimeerden], die daarvoor blijkens de tekst van het contract (artikel 7) ook een vergoeding verschuldigd zijn. In de brief van [appellant] van 18 november 2011 (aangehaald in rechtsoverweging 3.1.10) is ook vermeld dat een “vergoeding voor het verblijf” in rekening wordt gebracht. Onder deze omstandigheden heeft [appellant] haar stelling dat [geïntimeerden] geen enkele vergoeding voor het gebruik van de woning verschuldigd waren, onvoldoende onderbouwd. Dat [geïntimeerden] niet maandelijks een als “huur” omschreven bedrag aan [appellant] betaalden, leidt niet tot een ander oordeel. [appellant] heeft niet weersproken dat in de door haar uit de PGB’s van [geïntimeerden] ontvangen bedragen ook een vergoeding voor het gebruik van de woning was begrepen.
Daarnaast is tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen betreffende de begeleiding van [geïntimeerden] door [appellant] en is er een nauwe relatie tussen deze begeleiding en de bewoning van de woning. Dat volgt al uit het feit dat [geïntimeerden] in het contract worden aangeduid als “cliënt’’, dat in het wooncontract in enkele bepalingen (de artikelen 2, 3, 5 en 6) een direct verband wordt gelegd tussen het einde van de begeleiding en het einde van het gebruik van de woning en dat het wooncontract enkele bepalingen bevat die alleen verband kunnen houden met de begeleiding van [geïntimeerden] en niet met hun positie van huurder (de artikelen 2, 3 voor wat betreft het drugsverbod en matig gebruik van alcohol, 4 en 8). Bovendien wordt in artikel 1 van het contract uitdrukkelijk vermeld dat de woning kan worden bewoond door [geïntimeerden] zolang zij worden begeleid door [appellant].

3.6

Bij een dergelijke, gemengde, overeenkomst zijn de voor die beide overeenkomsten geldende bepalingen in beginsel naast elkaar van toepassing (en kan de huurder zich ook op huurbescherming beroepen), tenzij deze bepalingen niet goed met elkaar verenigbaar zijn of de strekking van de bepalingen zich tegen de toepassing ervan op de overeenkomst verzet. Dat is voor wat betreft de huurbeschermingsbepalingen het geval indien het begeleidingselement duidelijk overheerst en voortzetting van het gebruik van de woning zonder begeleiding strijdig is met het doel van de overeenkomst tussen partijen.

3.7

Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat in dit geval het begeleidingselement duidelijk overheerst. Daarbij neemt het hof de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking:
- [appellant] is geen professionele verhuurder. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [appellant] de woning heeft gehuurd van stichting Nijenstee met het doel om die woning aan [geïntimeerden], aan wie Nijenstee zelf niet wilde verhuren, beschikbaar te stellen;
- [geïntimeerden] hebben zich niet tot [appellant] gewend voor woonruimte, maar voor hulp bij de ingewikkelde psychosociale problematiek in het gezin. [appellant] diende [geïntimeerden] intensieve begeleiding te verlenen. In dat kader heeft [appellant] een woning aan [geïntimeerden] beschikbaar gesteld om daarin, onder begeleiding van [appellant], begeleid te wonen;
- de schriftelijke overeenkomst tussen partijen is uitdrukkelijk aangeduid als een “wooncontract voor begeleid wonen” en in artikel 1 van het contract is een heldere koppeling aangebracht tussen de duur van de woning en de duur van de begeleiding. Die koppeling keert terug in de al genoemde artikelen 2, 3, 5 en 6;
- meergenoemde overeenkomst bevat ook een aantal voorschriften (vastgelegd in de artikelen 2, 3, 4 en 8) die onmiskenbaar verband houden met de begeleiding door [appellant] van [geïntimeerden];
- gelet op de hiervoor vermelde omstandigheden is het ter beschikking stellen van de woning geen doel op zich, maar een middel om de problematische situatie van [geïntimeerden], waarvoor zij hulp hadden gevraagd aan [appellant], te verbeteren;
- gedurende de begeleiding werd de vergoeding voor het gebruik van de woning voldaan uit de PGB’s van [geïntimeerden]
Gelet op deze feiten en omstandigheden overheerst het begeleidingselement zo sterk boven het huurelement dat de overeenkomst zonder de begeleiding niet denkbaar is.

3.8

Nu het begeleidingselement overheerst, zijn de huurbeschermingsbepalingen niet op de overeenkomst tussen partijen van toepassing. Het hof neemt bij dit oordeel in aanmerking dat het [geïntimeerden], gelet op de duidelijke tekst van het wooncontract, ook duidelijk kon zijn dat zij het gebruik van de woning zouden moeten beëindigen wanneer de begeleidingsovereenkomst eindigde. Zij mochten er dan ook niet van uitgaan dat zij ook na het einde van de begeleiding in de woning konden blijven wonen.

3.9

De slotsom is dat de grief slaagt.

3.10

Grief 4 richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door ondanks de huurbescherming op een ontruiming aan te sturen. Nu het hof hiervoor heeft overwogen dat de huurbeschermingsbepalingen niet op de overeenkomst tussen partijen van toepassing zijn, kan [appellant] ook geen inbreuk hebben gemaakt op rechten die [geïntimeerden] aan deze bepalingen kunnen ontlenen. Ook deze grief slaagt derhalve.

3.11

Het feit dat de grieven 3 en 4 slagen betekent nog niet (zonder meer) dat het vonnis van de kantonrechter dient te worden vernietigd. Op grond van de devolutieve werking van het appel dient het hof te onderzoeken of de vorderingen van [geïntimeerden] wel toewijsbaar zijn op grond van door [geïntimeerden] in eerste aanleg aan hun vordering ten grondslag gelegde en verworpen of onbesproken gebleven stellingen. Het hof stelt in dat verband vast dat
ook hebben aangevoerd dat [appellant] toerekenbaar jegens hen is tekortgeschoten door om oneigenlijke redenen het wooncontract op te zeggen en dat zij niet heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht door op te zeggen met een termijn van ruim een maand.

3.12

Het hof volgt [geïntimeerden] niet in hun betoog dat [appellant] de overeenkomst op oneigenlijke gronden heeft opgezegd. Tussen partijen staat niet ter discussie dat zij gezamenlijk tot de conclusie zijn gekomen dat de begeleiding door [appellant] van
[geïntimeerden] met onmiddellijke ingang diende te eindigen. Zij verschillen van mening over de vraag wie het initiatief heeft genomen tot het einde van de begeleiding. Naar het oordeel van het hof is dat niet van belang, nu de begeleiding (uiteindelijk) in onderling overleg is beëindigd. In de memorie van antwoord stellen [geïntimeerden] in dat verband overigens (nr. 25):
“Ook hier geldt dat naar het oordeel van [geïntimeerde 1] het er eigenlijk niet zoveel toe doet wie nu het initiatief heeft genomen om te komen tot het staken van de samenwerking. Een feit is en blijft dat beide partijen gezamenlijk tot die conclusie zijn gekomen, zodat op 17 november 2012 de behandelovereenkomst met onmiddellijke ingang werd beëindigd.”

3.13

Nu de begeleiding was beëindigd, stond het [appellant] vrij het wooncontract te beëindigen met inachtneming van een termijn van een maand. De vraag die resteert is of [appellant] desalniettemin haar zorgplicht heeft geschonden door op een termijn van ruim een maand te laten eindigen. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. Daartoe is het volgende redengevend.
- allereerst heeft [appellant] een ruimere termijn dan een termijn van een maand in acht genomen. Tussen 18 november 2011 en 8 januari 2012 ligt een periode van ruim 7 weken;
- vervolgens was [appellant] niet zelf eigenaar van de woning. Zij huurde de woning van Stichting Nijestee met als (enige) doel de woning gedurende de begeleiding aan
[geïntimeerden] beschikbaar te stellen. [appellant] kon dan ook niet zelfstandig beslissen over
de voortzetting van de bewoning door [geïntimeerden];
- ten slotte heeft [appellant] niet (voldoende) gemotiveerd betwist door [geïntimeerden] gesteld dat zij geprobeerd heeft te bewerkstelligen dat [geïntimeerden] rechtstreeks konden huren van Stichting Nijestee.
Onder deze omstandigheden heeft [appellant] gedaan wat van haar kon worden verlangd.

3.14

[geïntimeerden] hebben ook nog aangevoerd dat zij uitgaven hebben gedaan om de woning te verbeteren. Dat enkele - en door [appellant] gemotiveerd betwiste - feit betekent niet dat zij aanspraak hebben op een vergoeding door [appellant], die de woning ook weer zelf heeft gehuurd van Nijestee. Voor zover [geïntimeerden] aan de door hen gestelde investeringen een vordering op [appellant] menen te ontlenen – helemaal duidelijk is dat niet – hebben zij deze vordering onvoldoende onderbouwd.

3.15

De slotsom is dat de vorderingen van [geïntimeerden] niet toewijsbaar zijn. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter dan ook vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen afwijzen. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [geïntimeerden] worden verwezen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep (geliquideerd salaris van de advocaat: 1 punt, tarief II).

4 De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt het vonnis van de kantonrechter, waarvan beroep,
en opnieuw rechtdoende:
wijst de vorderingen van [geïntimeerden] af;
veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten en begroot deze proceskosten voor zover tot op heden aan de zijde van [appellant] gevallen op nihil voor het geding in eerste aanleg en op € 759,71 aan verschotten en € 892,- voor geliquideerd salaris van de advocaat voor het geding in hoger beroep;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mr. M.E.L. Fikkers, mr. H. de Hek en mr. D.H. de Witte en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 7 april 2015.