Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:2333

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-03-2015
Datum publicatie
15-04-2015
Zaaknummer
200.138.788
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2984, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot revindicatie van in stille consignatie gegeven Stradivarius afgewezen; consignatiehouder was beschikkingsbevoegd. Bewijslastverdeling bij revindicatie.

Mededelingsverbod ex art. 29 Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2015-0303
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.138.788

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen 130327)

arrest van de tweede kamer van 31 maart 2015

in de zaak van

[appellante] , optredend ten behoeve van de gemeenschap van eigenaren van de viool bekend onder de naam “Stradivarius Cremona 1727-Ex Smith”, bestaande uit haarzelf en [de zus], wonende te [plaatsnaam 1], Virginia, USA, als deelgenoten in die gemeenschap,

wonende te [plaatsnaam 2], Nieuw Zeeland,

appellante,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. C.B. Schutte,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [plaatsnaam 3],

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. T.R.B. de Greve.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 27 februari 2013 (hierna: het tussenvonnis) en 31 juli 2013 (hierna: het eindvonnis) die de rechtbank Oost-Nederland respectievelijk Gelderland, zittingsplaats Zutphen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 18 oktober 2013,

- de memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis, met producties,

- de memorie van antwoord, tevens bezwaar tegen eiswijziging, met producties,

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities. Hierbij is akte verleend van de stukken die bij brief van 1 december 2014 door mr. C.B. Schutte, advocaat van [appellante], namens haar zijn ingebracht,

- de op verzoek van het hof bij brief van 15 december 2014 door mr. C.B. Schutte ingebrachte beter leesbare bijlage bij productie 27, memorie van grieven.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald (op één dossier).

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten, van belang voor de beslissing in hoger beroep.

3.1

[appellante] en haar op 26 februari 2011 overleden ex-echtgenoot [de ex-echtgenoot] (hierna te noemen [de ex-echtgenoot]) hebben een viool, bekend als Stradivarius, Cremona 1727, “Ex Smith” (verder te noemen: de viool) op 1 januari 2010 in consignatie gegeven. De namens de firma [de vennootschap] (een vennootschap naar Oostenrijks recht, hierna te noemen: [de vennootschap], waarvan [de directeur] (hierna: [de directeur]) directeur was), ondertekende overeenkomst (hierna te noemen: de consignatieovereenkomst) luidt onder meer als volgt:

Consignment Agreement

Owner:

[de ex-echtgenoot]/[appellante]

We received today as a consignment a violin:

Antonio Stradivarius

Cremona 1727

“Ex Smith”

In case of a sale we pay the owner the amount of US$2.200.000,- (…)

This agreement is good for nine months from today.

The above item remains the property of the above owner unless paid in full. The above item is fully unsured with [de vennootschap].

[de vennootschap] and its affiliated companies agree to defend, indemnify and hold harmless Owner ([de ex-echtgenoot]) from any and all loss, cause, expense, claim or suit by Strumenti International Inc. and/or [naam] and their agents and assigns for commissions, fees or costs (including insurance costs) and/or any claim whatsoever related in any way to the sale of the above instrument.

(hof: handtekening)

[de vennootschap]

1st of January 2010”

3.2

Een mailbericht gedateerd 15 januari 2010 namens violins@[de directeur].at aan [appellante]@msn.com luidt als volgt:

“Dear [appellante],

Herewith I confirm that the violin arrived well here in Vienna (now it is in our safe). I took it over yesterday from [naam] in Antwerpen.

With kind regards,

[naam]”.

3.3

Bij overeenkomst, mondeling gesloten op 26 maart 2010 (vastgesteld door de rechtbank in r.o.2.6 van het tussenvonnis; tegen deze vaststelling is geen grief gericht) vastgelegd in april 2010 en geregistreerd op 29 juni 2010 waarbij [de directeur] als verkoper wordt vermeld en de stichting [de stichting] (opgericht op 15 april 2010, thans genaamd [de stichting], van welke stichting [geïntimeerde] de enige bestuurder is) als koper, zijn twee violen, waaronder de onderhavige viool, verkocht voor een bedrag van € 3.900.000,- waarbij de koopsom van de onderhavige viool is vastgesteld op € 2.200.000,-. De totale koopsom is voldaan door betaling door [geïntimeerde] op een bankrekening ten name van [de directeur] van € 1.000.000,- en door verrekening met een schuld die [de directeur] aan [geïntimeerde] had en die is vastgesteld op € 2.900.000,-. De viool is op 26 maart 2010 door [de directeur] aan [geïntimeerde] overhandigd bij [geïntimeerde] thuis in [plaatsnaam 3].

3.4

Een stuk overgelegd als productie 18 bij memorie van antwoord luidt als volgt:

“From: [naam]@hotmail.com

Subject: Contract of Purchase

Date: Mon, 25 Oct 2010 11.53:45 +0000

Dear [appellante], here we go:

Contract of Purchase

We have bought from you

a violin by Antonio Stradivarius, Cremona 1727, ex “Smith”

2.000.000,- $ (two million US-dollars)

Payment in full immidiatly after we will have received Payment in full from our Client.

The Instrument remain your property until paied in full.

Transfer of title also only after Payment in full.

The instrument is already in our possession.

The instrument is bought on a “as seen” base, no warranty has been given nor requested from you for the originality of neither the instruments nor any of the related documents to those.

For the Buyer For the Vendor

[de vennootschap]

[adres]

Germany

Berlin october 20th, 20010 “

Onder “For the Vendor” staat handgeschreven : [appellante] en [naam].

3.5

Eind 2010 is [de vennootschap] in staat van faillissement verklaard in Oostenrijk. De curatoren hebben [appellante] begin 2011 bericht dat de viool niet aangetroffen is in de boedel van [de vennootschap]. [appellante] heeft aangifte gedaan bij de Oostenrijkse autoriteiten. In maart 2011 is [de directeur] gearresteerd in Zwitserland. Na uitlevering aan Oostenrijk zit [de directeur] sinds die tijd aldaar in detentie. Bij vonnis van het Landesgericht für Strafsachen Wien van 9 november 2012 (hierna: het strafvonnis) is [de directeur] tot een gevangenisstraf van zes jaar veroordeeld wegens onder meer verduistering van deze viool.

3.6

Een mailbericht, met als afzender [appellante]@msn.com, gedateerd 24 februari 2011, gericht aan (zo begrijpt het hof) strafrechtelijke autoriteiten in Oostenrijk (onder meer [naam]) en overgelegd als productie 16 bij memorie van antwoord luidt onder meer als volgt:

“ Dear Sirs,

(…)

My brother [de broer] has recently contacted you(…) regarding our problemens with [de directeur].

[appellante] (previously called [appellante]) and [de ex-echtgenoot] have had the “Smith” Stradivarius violin of 1727 on consignment with [de directeur] since January 2010.

Ever since May 2010 we have received many promises that the money is about to be wired but so far we have received nothing.

(…) ”.

3.7

Een stuk overgelegd als productie 17 bij memorie van antwoord luidt onder meer als volgt:

“Sehr geehrter [naam],

Anbei finden Sie eine Erklärung über den Tatbestand der Veruntreuung der uns gehörenden Stradivarius.

Ich bitte Sie, diese Erklärung zu überprüfen und entweder mit Empfehlungen an uns zurückzuschicken oder hiermit Anzeige gegen Magister [de directeur] zu erstatten.

[appellante]

I, the undersigned, [appellante] (ex [de ex-echtgenoot]), part-owner of the ‘Smith’violin , hereby declare

(…)

A consignment agreement was signed whereby [de directeur] was authorized to sell the violin on behalf of its joint owners ([appellante] ex-[de ex-echtgenoot] and [de ex-echtgenoot]). This consignment agreement expired October 2010.

Since April 2010 Mr [de directeur] had repeatedly promised imminent payment for the sale of this violin. However no money had been forthcoming. He refuses to return the violin and refuses to say where it is. He also refuses requests to allow the instrument to be seen (…)

We thus have no choice but to consider that he has stolen the violin.

(…)”.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

De rechtbank is, met partijen, uitgegaan van haar rechtsmacht. Op grond van artikel 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is dit terecht, gelet op de woonplaats van [geïntimeerde]; het hof gaat daar dus ook vanuit.

4.2

[appellante] vordert onder meer revindicatie van de viool, die zich in bezit van [geïntimeerde] bevindt. Op grond van artikel 10:131 Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht van toepassing op deze vordering. De viool bevond zich ten tijde van de verkrijging door [geïntimeerde] immers op Nederlands grondgebied.

4.3

In eerste aanleg heeft [appellante] in de eerste plaats afgifte van de viool gevorderd, op straffe van een dwangsom en in de tweede plaats verzocht voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gemeenschap van eigenaren van de viool. [appellante] heeft voorts, met toepassing van artikel 29 lid 1 sub b Rv, verzocht dat [geïntimeerde] verboden wordt bepaalde (in de akte van 24 april 2013 omschreven mededelingen) aan derden te doen.

4.4

Bij tussenvonnis heeft de rechtbank [appellante] in de gelegenheid gesteld zich bij akte nader uit te laten over, kort gezegd, haar bevoegdheid de vordering in te stellen. Bij eindvonnis heeft de rechtbank [appellante], optredend ten behoeve van de gemeenschap van eigenaren van de viool, niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen met veroordeling van [appellante] in de proceskosten. Het gevraagde verbod tot het doen van bepaalde mededelingen is toegewezen. De grieven richten zich tegen de beslissing van de rechtbank, met uitzondering van het toegewezen verbod.

4.5

In hoger beroep heeft [appellante] haar eis in de eerste plaats vermeerderd met een subsidiaire vordering, te weten dat [geïntimeerde] bevolen wordt het ertoe te leiden dat de stichting [de stichting] de viool afgeeft, op straffe van een dwangsom. De vordering is ingesteld onder de voorwaarde, zo begrijpt het hof, dat geoordeeld wordt dat de stichting in het bezit van de viool is. Nu dit arrest hierover geen oordeel zal geven (en [appellante] bij pleidooi ook heeft opgemerkt dat niet aan de voorwaarde is voldaan, zodat het hof zich niet over de voorwaardelijke vordering hoeft uit te laten) behoeft deze vordering, en daarmee het bezwaar tegen deze eiswijziging, geen verdere behandeling. Hetzelfde geldt voor grief IV, die betrekking heeft op dit onderwerp.

In de tweede plaats heeft [appellante], in aanvulling op het door de rechtbank toegewezen verbod, verzocht [geïntimeerde] te verbieden mededelingen te doen omtrent het stuk dat is overgelegd als productie 27 bij memorie van grieven, op straffe van een dwangsom bij overtreding van dit verbod en het door de rechtbank toegewezen verbod. Dit onderdeel zal aan het eind van dit arrest worden behandeld.

4.6

De grieven I, II en III vallen de beslissing van de rechtbank aan waarbij [appellante], optredend ten behoeve van de gemeenschap van eigenaren van de viool, niet-ontvankelijk is verklaard in haar vorderingen. Zouden deze grieven slagen, dan komen (op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep) in eerste aanleg door [geïntimeerde] gevoerde verweren, die niet behandeld of verworpen zijn, aan de orde, tenzij deze zijn prijsgegeven. [geïntimeerde] heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aangevoerd dat de vervreemder van de viool beschikkingsbevoegd was, zodat hij de viool geldig heeft verkregen.

Het hof ziet aanleiding dit verweer, waarover de rechtbank niet heeft geoordeeld, eerst te behandelen.

4.7

Op grond van artikel 3:119 BW wordt [geïntimeerde], als huidige bezitter van de viool, vermoed rechthebbende te zijn en dient [appellante] haar beter recht te bewijzen.

Het vermoeden van artikel 3:119 BW ziet in beginsel op het actuele bezit van het goed en kan door de huidige bezitter ook worden ingeroepen tegen degene die pretendeert eerder rechthebbende/bezitter te zijn geweest. [appellante] dient niet alleen het vermoeden dat [geïntimeerde] eigenaar is te ontkrachten, maar dient ook bewijs te leveren van het feit dat zijzelf voorheen rechthebbende was.

[appellante] heeft gesteld dat [de ex-echtgenoot] en zij het middellijk bezit van de viool hadden op 1 januari 2010 en dat zij zich daarom tegenover [geïntimeerde] op het vermoeden van 3:119 BW kan beroepen. Haar verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 1 juli 1977, (ECLI:NL:HR:1977:AB7044,NJ 1978, 212 Tenthuisje) gaat niet op, aangezien in die zaak sprake was van een niet vergelijkbare situatie, te weten onvrijwillig bezitsverlies van de voormalige bezitter door diefstal, terwijl [appellante] en [de ex-echtgenoot] het bezit van de viool vrijwillig hebben afgestaan door deze in consignatie te geven. Gelet met name op dit laatste feit en de overige omstandigheden van dit geval ziet het hof geen aanleiding de bewijslast anders te verdelen dan uit de hiervoor genoemde hoofdregel volgt.

4.8

[appellante] dient in dit kader onder meer te stellen en te bewijzen dat [de directeur] beschikkingsonbevoegd was op het moment dat [geïntimeerde] de viool van hem verkreeg. Indien [de directeur] immers op dat moment beschikkingsbevoegd was, is de viool geldig aan [geïntimeerde] overgedragen in de zin van artikel 3:84 lid 1 BW (nu niet betwist is dat er sprake is van een geldige titel; daarbij kan in het midden blijven of de stichting of [geïntimeerde] heeft gekocht) en kan [appellante] de viool niet revindiceren.

4.9

[appellante] heeft gesteld dat [de directeur] beschikkingsonbevoegd was en heeft daartoe onder meer, voor zover thans van belang, het volgende aangevoerd.

4.9.1

[de ex-echtgenoot] en [appellante] hadden geen rechtsverhouding met [de directeur], maar met [de vennootschap] en zij hebben op geen enkel moment de (beschikkings)macht aan [de directeur] overgedragen. Feitelijk heeft [naam], in zijn hoedanigheid van werknemer en vertegenwoordiger van [de vennootschap], de viool onder zich gekregen. Dat was bovendien uitdrukkelijk geen (ongeclausuleerde) beschikkingsmacht. Voor zover iemand dus al een recht had de viool te verkopen, was dat [de vennootschap] en niet [de directeur] in privé. Uit de feiten en omstandigheden is gebleken dat [de directeur] aan [geïntimeerde] zeer uitdrukkelijk heeft geleverd in privé en juist niet in zijn hoedanigheid van directeur van [de vennootschap]. Gesteld noch gebleken is dat [de directeur] bevoegd was om de viool te leveren alsof het zijn privé-eigendom was.

4.9.2

In de tweede plaats ging de bevoegdheid van [de vennootschap] gepaard met een uitdrukkelijk eigendomsvoorbehoud, gelet op de volgende passage in de consignatieovereenkomst : “The above item remains the property of the above owner unless paid in full”. De eigendom is en blijft dus van [appellante], zolang betaling niet heeft plaatsgevonden. [appellante] heeft geen enkele vorm van betaling ontvangen. Een consignatiehouder is geen rechthebbende en kan dan ook alleen beschikkingsbevoegdheid ontlenen aan eventuele uitdrukkelijke bepalingen met die strekking in een consignatieovereenkomst.

4.10

[geïntimeerde] heeft betwist dat hij de viool van een beschikkingsonbevoegde heeft verkregen en heeft aan die betwisting onder meer, voor zover thans van belang, de volgende feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd.

4.10.1

[de directeur] was een autoriteit op het gebied van handel in waardevolle strijkinstrumenten, gespecialiseerd in Stradivarius-violen. [appellante] en [de ex-echtgenoot] hebben de consignatieopdracht aan [de directeur] zelf verstrekt (niet aan [de vennootschap]), omdat hij vanwege zijn netwerk en reputatie een zo hoog mogelijke verkoopprijs zou kunnen bewerkstelligen. Om die reden is ook gekozen voor stille consignatie, dat wil zeggen dat aan derden niet kenbaar werd gemaakt dat [de directeur] de viool namens [appellante] en [de ex-echtgenoot] te koop aanbood en hebben [appellante] en [de ex-echtgenoot] [de directeur] opgedragen de viool in eigen naam te verkopen.

4.10.2

[de directeur] ontleende aan de consignatieovereenkomst de onbeperkte bevoegdheid de viool te verkopen; [de directeur] had daarvoor geen toestemming nodig van [appellante]/[de ex-echtgenoot], en de overeenkomst bepaalt niet voor welk (minimum)bedrag [de directeur] de viool mocht verkopen. Vastgelegd is dat indien de viool verkocht zou worden [de directeur] aan [appellante]/[de ex-echtgenoot] $ 2.200.000,- diende te betalen. Dit moet gezien worden als een obligatoire verplichting van [de directeur] en doet niet af aan zijn onbeperkte beschikkingsbevoegdheid. Het betekent niet dat [de directeur] alleen beschikkingsbevoegd was onder de opschortende voorwaarde dat hij [appellante]/[de ex-echtgenoot] genoemd bedrag zou betalen. Een dergelijke opschortende voorwaarde verhoudt zich niet met het doel en strekking van een stille consignatie.

4.10.3

Dat de consignatieovereenkomst is gesloten met [de vennootschap] is niet relevant; [appellante]/[de ex-echtgenoot] hebben zich tot [de directeur] gewend vanwege zijn expertise, zodat hij gezien moet worden als consignatiehouder. Dat de overeenkomst op naam van [de vennootschap] staat doet ook niet af aan de conclusie dat [geïntimeerde] verkregen heeft van een beschikkingsbevoegde, in dat geval [de vennootschap], die de viool kennelijk heeft doorverkocht, geruild, inbetaling heeft gegeven of geschonken aan [de directeur] in privé. Ook kan [de directeur] de viool in onderconsignatie hebben gekregen, dan wel als lasthebber op eigen naam zijn opgetreden. Het is aan [appellante] de precieze toedracht te bewijzen.

4.10.4

Dat [de directeur] de onbeperkte bevoegdheid had de viool te verkopen volgt niet alleen uit de consignatieovereenkomst, maar ook uit een hiervoor onder 3.6 en 3.7 geciteerde e-mailcorrespondentie tussen [appellante] en het Oostenrijkse Openbaar Ministerie (overgelegd als producties 16 en 17 bij de memorie van antwoord) waaruit blijkt dat [de directeur] al in april en mei 2010 aan [appellante]/[de ex-echtgenoot] had meegedeeld dat de viool was verkocht en dat betaling aan hen spoedig zou volgen en uit het hiervoor onder 3.4 weergegeven stuk (overgelegd als productie 18 bij de memorie van antwoord).

4.11

Het hof overweegt als volgt.

In de eerste plaats dient in verband met het door [appellante] gevoerde verweer (hierboven onder 4.9.1. weergegeven) te worden vastgesteld wie als partij moet worden aangemerkt bij de consignatieovereenkomst, [de vennootschap] of [de directeur]. Daarbij komt het aan op hetgeen partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (volgens vaste jurisprudentie, HR 11 maart 1977, ECLI:HR: 1977:AC1877, NJ 1977,521, nadien veelvuldig herhaald). Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen behoort de aard van de overeenkomst, de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid van de opdrachtnemer en de context waarin partijen optraden.

In dit geval staat vast dat sprake is van een consignatieovereenkomst ter zake een kostbaar en uniek muziekinstrument, waarvan de verkoop bijzondere kennis en expertise vereist. [appellante] heeft de stellingen van [geïntimeerde] -kort samengevat- dat [de directeur] één van ’s werelds meest vooraanstaande en succesvolle handelaren in waardevolle strijkinstrumenten was, onder andere gespecialiseerd in Stradivarius-violen, niet of onvoldoende gemotiveerd betwist. Aangenomen kan daarom worden dat [appellante] en [de ex-echtgenoot] specifiek [de directeur] hebben aangezocht; hij beschikte immers over de expertise en contacten die nodig waren om de viool voor een zo hoog mogelijke prijs te verkopen. Uit de stukken, met name ook uit het als productie 29 bij de memorie van grieven overgelegde (onherroepelijke) strafvonnis blijkt voorts dat het bedrijf van [de directeur] een familiebedrijf was dat in de hoogtijdagen filialen had in New York, Chicago, Tokio, Seoul, Bremen, en Zürich. De hoofdvestiging van het bedrijf was sinds het eind van de jaren ’90 [de vennootschap] in Wenen, waar zich ook de safe bevond, waarin de kostbare instrumenten bewaard werden. [de directeur] was directeur van [de vennootschap] .

Het strafvonnis luidt voorts onder meer als volgt:

“(…) Prof. Mag. [de directeur] war an den angeführten [de directeur]-Gesellschaften (…) als Alleingesellschafter beteiligt und auch als deren Geschäftsführer tätig. Prof. [de directeur] konnte ohne Weisungsgewalt oder Kontrolle eines Dritten den Betrieb dieser Unternehemen führen. Dadurch kam es zur Vermischung der grundsätzlich zu trennenden Sphären der [de directeur]-Gesellschaften und der persönlichen Sphäre von prof. [de directeur]. Es war auch den diversen Geschäftspartnern nicht von vornherein erkennbar, mit welcher der [de directeur] Firmen oder mit Prof. [de directeur] persönlich sie eine Geschäftsbeziehung eingehen würden. Es wurde auch Briefpapier verwendet, auf dem alle Firmen angeführt und grundsätzlich Schriftstücke nur mit "Prof. [de directeur]”gezeichnet wurden, sodass auch im Schriftverkehr eine klare Zuordung nicht möglich war.(…)”.

Uit de bovenstaande feiten en omstandigheden leidt het hof af dat [de directeur] de wederpartij van [appellante]/[de ex-echtgenoot] was bij de consignatieovereenkomst. Het feit dat onder de handtekening op de consignatieovereenkomst en in de overeenkomst zelf [de vennootschap] is vermeld doet daar niet aan af. Zoals uit het citaat uit het strafvonnis volgt en ook blijkt uit het hiervoor onder 3.4 weergegeven stuk (waarin de vennootschap in Berlijn als partij wordt vermeld) werd in het bedrijf van [de directeur] geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen de transacties van de verschillende vestigingen en van [de directeur] privé. Uit de e-mail-correspondentie die is overgelegd als productie 16 en 17 bij memorie van antwoord blijkt dat [appellante] dat onderscheid ook niet maakte.

De conclusie luidt dan ook dat [de directeur] als partij moet worden aangemerkt bij de consignatieovereenkomst.

Bovendien geldt nog het volgende. Hierna wordt geoordeeld dat van stille consignatie sprake is. Ook indien aangenomen zou moeten worden dat de consignatieovereenkomst met [de vennootschap] is gesloten geldt dat deze GmbH de eigendom van de viool ook eerst aan [de directeur] in privé mocht leveren, waarna deze de viool kon doorverkopen aan [geïntimeerde]; gelet op de verhoudingen binnen het bedrijf van [de directeur] gebeurde dit veelvuldig en kan dit ook in dit geval gebeurd zijn. Ook in dat geval is van onbevoegdheid van [de directeur] geen sprake.

4.12

[appellante] heeft niet dan wel onvoldoende gemotiveerd de stelling van [geïntimeerde] betwist dat de opdracht van [appellante]/[de ex-echtgenoot] aan [de directeur] inhield dat deze de viool op eigen naam zou verkopen om daarmee een zo hoog mogelijke prijs voor de viool te bewerkstelligen. Dat overeengekomen is dat [de directeur] de viool op eigen naam zou verkopen kan ook worden afgeleid uit de tekst van de hiervoor onder 3.1 genoemde overeenkomst en wel met name uit de formulering van de verplichting van [de directeur] om in geval van een verkoop van de viool een in de overeenkomst vastgelegd bedrag aan [appellante]/[de ex-echtgenoot] te betalen. Niet bedongen is dat [de directeur] voorafgaand aan een verkoop overleg diende te plegen met [appellante]/[de ex-echtgenoot], noch over de koper, diens kredietwaardigheid, noch over een (minimum)prijs of andere voorwaarden waaronder de koop zou dienen plaats te vinden, hetgeen voor de hand had gelegen als het de bedoeling was geweest dat [de directeur] slechts als bemiddelaar een rechtstreekse overeenkomst tot stand diende te brengen tussen [appellante]/[de ex-echtgenoot] enerzijds en de koper van de viool anderzijds.

Voor de uitleg van hetgeen tussen partijen is overeengekomen komt het niet alleen aan op de tekst van de overeenkomst, maar op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR: 1981:AG4158, NJ 1981,635, Haviltex).

[appellante] heeft niet of onvoldoende toegelicht wat de achtergrond en bedoeling van de (formulering) van de consignatieovereenkomst was, terwijl dit wel op haar weg had gelegen gelet op haar stelplicht en bewijspositie. Zij heeft de uitgebreid beargumenteerde stellingen van [geïntimeerde] (zoals hiervoor weergegeven onder 4.10) dat sprake was van stille consignatie met als doel om op basis van de reputatie van [de directeur] een zo hoog mogelijke verkoopprijs te bewerkstelligen niet weersproken (of slechts door een ongemotiveerde betwisting ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep). [appellante] heeft geen verklaring gegeven voor de formulering van haar e-mailcorrespondentie met het Oostenrijkse Openbaar Ministerie, waaruit niet blijkt dat zij de bevoegdheid van [de directeur] om de viool te verkopen betwist (integendeel, zij schrijft immers: “Mr. [de directeur] was authorised to sell.”). In die correspondentie lijkt zij uit te gaan van een geldige verkoop van de viool door [de directeur] en van zijn verplichting ten opzichte van haar om het in de overeenkomst vastgestelde bedrag te betalen. Evenmin blijkt dat zij zich heeft beklaagd bij [de directeur] over het feit dat hij (in haar huidige visie) zonder vooroverleg met haar een koopovereenkomst had gesloten. [appellante] heeft voorts evenmin een (plausibele) verklaring gegeven voor het aangaan van de hiervoor onder 3.4 geciteerde overeenkomst, die ook lijkt uit te gaan van een verkoop door [de directeur] (via één van zijn vennootschappen) op zijn naam aan een (onbekende) derde en zijn bevoegdheid daartoe; [appellante] heeft niet betwist dat zij deze overeenkomst heeft ondertekend.

Het hof is op grond van het bovenstaande van oordeel dat [appellante] de stelling van [geïntimeerde] dat [de directeur] bij de eigendomsoverdracht aan hem handelde in het kader van een stille consignatie, weliswaar voor rekening van [appellante]/[de ex-echtgenoot], maar op eigen naam, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist.

4.13

Uit het bovenstaande volgt dat de tussen [appellante]/[de ex-echtgenoot] en [de directeur] gesloten overeenkomst als middellijke vertegenwoordiging is aan te merken. Bij middellijke vertegenwoordiging kan een tussenpersoon die in opdracht van de eigenaar een roerende zaak op eigen naam verkoopt en vervolgens levert aan zijn wederpartij, aan die wederpartij op deze manier de eigendom van de zaak verschaffen. Daarbij wordt aangenomen dat de opdracht aan de tussenpersoon niet alleen de lastgeving inhoudt om de zaak op eigen naam te verkopen, maar tevens de bevoegdheid impliceert om ten laste van de opdrachtgever, maar in eigen naam het goed over te dragen. Uitgangspunt is daarbij wel dat de lasthebber bij de uitvoering van zijn opdracht binnen de grenzen van die opdracht handelt. Wat die grenzen zijn wordt bepaald door uitleg van de overeenkomst tussen lastgever en lasthebber. Bij overschrijding van de grenzen van de opdracht kan geen sprake van beschikkingsbevoegdheid zijn, zo blijkt uit een uitspraak van de Hoge Raad van 14 januari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BO3521, NJ 2012, 88 Mesdag II).

4.14

Bezien moet worden door uitleg van de consignatieovereenkomst of [de directeur] de grenzen van deze overeenkomst heeft overschreden, bij welke uitleg het hiervoor genoemde Haviltex-criterium wederom uitgangspunt is.

De passage in de consignatieovereenkomst “The above item remains the property of the above owner unless paid in full” is, anders dan [appellante] stelt, niet eenduidig. Uit de daarboven opgenomen zinsnede “In case of a sale we pay the owner the amount of US $ 2.200.000,- ” valt af te leiden dat het de bedoeling was dat [de directeur] de koopsom zou incasseren. Hiervoor is reeds overwogen dat [de directeur] (als middellijke vertegenwoordiger) de bevoegdheid had de viool te verkopen. Dat wordt nog eens ondersteund door de genoemde zinsnede.

Ten pleidooie heeft [appellante] verduidelijkt dat [de directeur] wel bevoegd was de viool te verkopen, maar dat hij het instrument niet mocht leveren zolang zij niet betaald was.

Dat [de directeur] en [appellante]/[de ex-echtgenoot] ervoor gekozen zouden hebben dat [de directeur] een koopovereenkomst tot stand zou brengen, de koopsom van de koper zou incasseren, het bedrag van US $ 2.200.000,- aan [appellante]/[de ex-echtgenoot] zou betalen om pas daarna de viool te leveren aan de koper, ligt niet erg voor de hand. Dat er kopers te vinden zijn die aan een dergelijke constructie zouden willen meewerken is zo weinig voorstelbaar dat het op de weg van [appellante] had gelegen nader te onderbouwen waarom de door haar voorgestane uitleg zou moeten worden gevolgd. Nu zij dit heeft nagelaten kan niet worden aangenomen dat de bedoelde clausule afdoet aan de beschikkingsbevoegdheid van [de directeur] (tot verkoop én levering).

4.15

Uitgaande van de beschikkingsbevoegdheid van [de directeur] kan [appellante] niet revindiceren, zodat haar vordering terecht is afgewezen door de rechtbank, zij het op andere gronden. Hierdoor kan in het midden blijven of [appellante] bevoegd is namens een gemeenschap van eigenaren van de viool een vordering in te stellen en kunnen de grieven I tot en met III en de overige stellingen en verweren van partijen buiten behandeling blijven.

4.16

Resteert nog bespreking van de aanvulling die [appellante] heeft gevorderd van het mededelingsverbod dat de rechtbank heeft opgelegd op grond van artikel 29 Rv. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat [appellante] haar belang bij geheimhouding van de in het dictum van het eindvonnis genoemde stukken voldoende heeft onderbouwd. Hetzelfde geldt voor haar belang bij geheimhouding van de separation agreement (productie 27 bij memorie van grieven). [geïntimeerde] heeft zich in feite niet verzet tegen deze verboden, maar wel tegen het verzoek van [appellante] om deze verboden met een dwangsom te versterken.

Het hof zal geen dwangsommen verbinden aan deze verboden; daartoe bestaat onvoldoende aanleiding. In het overgelegde artikel uit Quote beantwoordt de zaakwaarnemer van [geïntimeerde] vragen van de journalist over de algemene feiten van de zaak; daaruit blijkt niet dat namens [geïntimeerde] mededelingen zijn gedaan over processtukken die vertrouwelijke gegevens bevatten. [geïntimeerde] heeft voorts verklaard zich aan de verboden te zullen houden.

Onderdeel 3.3. van het dictum van het eindvonnis zal worden bekrachtigd en de verzochte aanvulling van het mededelingsverbod zal worden toegewezen.

5 Slotsom

5.1

Zoals hiervoor is overwogen (in 4.15) zal de vordering van [appellante] tot revindicatie van de viool worden afgewezen. Geen van de grieven behoeven daarmee behandeling. Dit betekent dat de bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd met verbetering van gronden, zoals hierna in het dictum geformuleerd. Daarbij zal het verzochte mededelingsverbod, inclusief de aanvulling daarop, voor de duidelijkheid opnieuw worden geformuleerd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 299,-

- salaris advocaat € 2.682,- (3 punten x tarief II)

Totaal € 2.981,-

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Oost-Nederland respectievelijk Gelderland van 27 februari 2013 en 31 juli 2013 met verbetering en aanvulling van gronden in zoverre dat de vorderingen van [appellante] worden afgewezen, met uitzondering van de hierna te volgen verboden;

verbiedt [geïntimeerde] mededeling te doen aan derden

- van hetgeen [appellante] heeft gesteld in de paragrafen 7,11 en 12 van de akte na tussenvonnis van 24 april 2013;

verbiedt [geïntimeerde] kopieën te verschaffen aan derden of mededelingen te doen aan derden

  • -

    van of omtrent de door [appellante] bij de akte van 24 april 2013 als producties 18, 19, 21 en 22 overgelegde stukken;

  • -

    van of omtrent de inhoud van de door [appellante] als productie 27 bij memorie van grieven overgelegde separation agreement;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 299,- voor verschotten en op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde verboden en de proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, L.J. de Kerpel-van de Poel en A.S. Gratama en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2015.