Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:2049

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-03-2015
Datum publicatie
24-03-2015
Zaaknummer
21-003033-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2012:BX0204, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontneming Sneep 2.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003033-12

Uitspraak d.d.: 20 maart 2015

TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Almelo van 2 juli 2012 met parketnummer 08-963005-07 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [1981],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

De veroordeelde heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 25 juli 2014, 5 december 2014 en 6 februari 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens veroordeelde door zijn raadsman, mr. R.I. Takens, naar voren is gebracht. In dit verband hebben de advocaat-generaal en de raadsman naast hun mondelinge standpunt ter terechtzitting beiden een schriftelijke conclusie ingediend (de advocaat-generaal op 22 april 2014, de raadsman op 15 oktober 2014).

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

Vordering

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op € 2.958.009 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.958.009. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 285.345,50 en dat aan veroordeelde wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 285.345,50.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 22 november 2013 (parketnummer 21-000880-11) ter zake van – kort gezegd – mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] veroordeeld tot straf.

Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.

Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 23.620. Het hof komt als volgt tot deze schatting.

Uit voornoemd arrest en de daarin gebezigde bewijsmiddelen ontleent het hof de volgende aanwijzingen:

1. De veroordeelde heeft zich gedurende op zijn minst twee maanden schuldig gemaakt aan mensenhandel van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]. Deze periode duurt tot en met 23 december 2006 en bestrijkt derhalve 8 weken.

2. Tot half november 2006 (en dus voor een periode van 3 weken) hebben [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ieder wekelijks €1500,= afgedragen. Daarna (en dus voor een periode van 5 weken) droegen zij alles af. De bedragen werden aan veroordeelde afgedragen. Dat bij de uitbuiting een ander betrokken zou zijn geweest, maakt het voordeel voor veroordeelde derhalve niet anders.

Daar aan de verklaringen van [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en de veroordeelde en noch aan andere verklaringen concrete aanwijzingen vallen te ontlenen over het aantal dagen dat gewerkt werd, de verdiensten (met uitzondering van de eerste drie weken) en de door veroordeelde gemaakte kosten, zal het hof ten aanzien daarvan terugvallen op de conclusies uit het rapport wederrechtelijke verkregen voordeel. De daartoe voor het bewijs gebezigde onderdelen zijn hieronder zakelijk en cursief weergegeven.

- “Uit verklaringen van slachtoffers en tapgesprekken is kunnen blijken dat slachtoffers zeven dagen per week moesten werken, ook als zij ongesteld waren. Bij ongesteldheid gebruikten slachtoffers speciale sponsjes die kennelijk in de handel verkrijgbaar waren. Gebleken is dat slachtoffers over een langere periode geen zeven dagen per week werkten. Soms was sprake van ziekte. In een aantal gevallen ondergingen slachtoffers een al dan niet gedwongen abortus en/of borstvergroting. Incidenteel mocht een slachtoffer met een verdachte mee op vakantie. Omdat het aantal gewerkte dagen per slachtoffer niet is te specificeren wordt voor de berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van een gemiddelde werkweek van zes dagen”. 1

- “Alle slachtoffer hebben verklaard dat zij door verdachten gedwongen werden al hun inkomsten uit prostitutie aan hen af te dragen. Over de hoogte van de dagelijks verdiensten verschillen de verklaringen. De bedragen lopen uiteen van € 500 tot

€ 1000, op de doordeweekse dagen oplopend tot € 1300 in de weekend”. 2

- “Een deel van de kosten die in verband te brengen zijn met het uitoefenen van het prostitutiebedrijf voor rekening van de slachtoffers, te weten kosten voor woon/werkverkeer, kosten voor raamhuur, kosten voor protectie en de aanschaf van condooms en dergelijke. Daarvoor kregen zij, naar zij verklaarden, af en toe wat zakgeld van de pooier.

Buiten werktijd verbleven de meeste slachtoffers in de gehuurde woningen van hun pooiers.

Woonkosten:

De huurprijzen van de woningen waar verdachten en slachtoffers woonden bedroeg inclusief energiekosten gemiddeld circa € 1500,- per maand . Dit bedrag zal per slachtoffer in mindering worden gebracht op het door verdachten genoten voordeel. Het woongenot dat verdachten daarbij zelf hadden zal in hun voordeel buiten beschouwing worden gelaten. Dit geldt ook voor die gevallen waarin soms meerdere slachtoffers in 1 woning werden ondergebracht, omdat in veel gevallen niet meer te achterhalen is welke slachtoffers in welke periode in welke woning hebben verbleven.

Kosten voor levensonderhoud:

Onderzocht is wat de meest reële benadering is om als kosten voor levensonderhoud te beschouwen. De NIBUD norm gaat uit van een variabel bedrag van € 550 tot

€ 625 per maand. Fortis hanteert, in overeenstemming met de Vereniging van Nederlandse Financieringsmaatschappijen, de Nederlandse Vereniging van Banken en de Autoriteit Financiële Markten bij de beoordeling van kredietverstrekking een norm van € 575, het gemiddelde van de NIBUD norm. Ook andere geldverstrekkers hanteren deze norm. Als bijdrage van verdachten in de kosten voor levensonderhoud zal daarom een bedrag van € 575 op het voordeel in mindering worden gebracht.

Prostitutie gerelateerde (bedrijfs)kosten:

Hieronder worden begrepen de aanschaf van condooms, glijmiddel, tissues, sponsjes en dergelijke. In de ontnemingspraktijk wordt hiervoor een standaardbedrag van € 20 per dag gehanteerd. Dit bedrag wordt tot op heden niet bestreden en zal daarom ook in dit onderzoek als vaste kostenpost, € 520 per maand, in mindering worden gebracht op het genoten voordeel.

In totaal zal daarom standaard een bedrag van € 2.595 in mindering worden gebracht op het genoten voordeel voor iedere maand dat slachtoffers vóór verdachten werkzaam zijn geweest”. 3

Deze conclusies hebben specifiek betrekking op de criminele organisatie waarin de mensenhandel door de veroordeelde is gepleegd. Ook overigens acht het hof die conclusies voldoende aannemelijk temeer daar het hof voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel het voor de verdachte meest gunstige scenario zal hanteren en wel als volgt:

3. Het hof zal in het voordeel van veroordeelde – zeker nu uit de verklaringen die specifiek op de mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet blijkt van een periode waarin niet werd gewerkt - uitgaan van een werkweek van vijf dagen.

4. Het hof zal in het voordeel van veroordeelde uitgaan van een afdracht op werkdagen van € 500,-.

5. Bij gebreke van enig aanknopingspunt voor de aftrek van hogere kosten zal het hof het bedrag van € 2.595,- als maandelijkse aftrekpost hanteren. Het hof acht de € 1500,- voor woonkosten ook aannemelijk voor de kosten van het hotel waar [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] verbleven.

De hiervoor onder 1 t/m 5 genoemde uitgangspunten en het gegeven dat door de veroordeelde verder geen inzage is gegeven in de verdiensten en kosten brengt het hof tot navolgende berekening:

Opbrengsten ten aanzien van mensenhandel [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]

3 weken x € 1.500- per week = € 4.500,-

5 weken x 5 werkdagen x € 500- per dag = € 12.500,-

Kosten ten aanzien van mensenhandel [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]

2 maanden x € 2.595,- per maand = € 5.190,-

Wederrechtelijk verkregen voordeel [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]

€ 4.500,- + € 12.500,- - € 5.190,- = € 11.810,-

TOTAAL Wederrechtelijk verkregen voordeel

2 x € 11.810,- = € 23.620,-

Nadere overwegingen

Om twee redenen komt het hof tot een lager bedrag dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat, voor zover in concreto bewijs voorhanden is over de opbrengsten en de kosten, deze concrete gegevens moeten worden gebruikt bij de berekening (de eerste drie weken € 1.500,- per week). Voorts is het hof ook ten aanzien van [slachtoffer 2] van oordeel dat geen wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden vastgesteld buiten de tenlastegelegde periode. [slachtoffer 2] heeft weliswaar ook buiten de genoemde twee maanden onder dwang werkzaamheden verricht, maar het dossier biedt onvoldoende gegevens omtrent de opbrengsten voor veroordeelde. Omdat die werkzaamheden niet in de context van dezelfde criminele organisatie zijn verricht, is het hof van oordeel dat in zulk geval niet de hiervoor genoemde meer algemene uitgangspunten kunnen worden gehanteerd.

Het hof ziet anders dan de raadsman geen (juridische) grond voor partiële niet-ontvankelijkheid van de ontnemingsvordering daar die vordering op zichzelf geen onderscheid maakt tussen de verschillende feiten. Wel ziet het hof gelet op de vrijspraken aanleiding het te ontnemen bedrag te beperken tot het feit dat gepleegd is ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Voor het overige wijst het hof de vordering af. De verweren behoeven in zoverre geen bespreking. Voor zover de verweren betrekking hebben op het toegewezen bedrag is het hof van oordeel dat die verweren hun weerlegging vinden in de overwegingen en de bewijsmiddelen die aan onderhavige ontnemingsbeslissing ten grondslag liggen, temeer daar de veroordeelde zelf geen informatie heeft aangedragen waaruit andere conclusies over de opbrengsten en de kosten getrokken zouden kunnen worden.

De verplichting tot betaling aan de Staat

Op grond van het voorgaande zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op voornoemd bedrag.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 23.620,00 (drieëntwintigduizend zeshonderdtwintig euro).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 23.620,00 (drieëntwintigduizend zeshonderdtwintig euro).

Aldus gewezen door

mr. J.P. Bordes, voorzitter,

mr. M. Otte en mr. P.A.H. Lemaire, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. Robroek, griffier,

en op 20 maart 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 20 maart 2015.

Tegenwoordig:

mr. H. Abbink, voorzitter,

mr. J.W.M. Grimbergen, advocaat-generaal,

mr. N.D. Mavus-Ten Elshof, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De veroordeelde is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

1 p. 000007 van het Algemeen relaas van onderzoek betreffende de berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Wetboek van Strafrecht onderzoek SNEEP (Rapport), op 27 oktober 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [hoofdinspecteur], hoofdinspecteur van politie.

2 p. 000009-000010 van het in voetnoot 1 genoemde rapport.

3 p. 000008 van het in voetnoot 1 genoemde rapport.