Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:1940

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-03-2015
Datum publicatie
18-03-2015
Zaaknummer
21-002489-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De meest zware verdenking in deze zaak houdt in dat sprake is geweest van een - uit de hand gelopen - rip-deal door de verdachte en de medeverdachte, waarbij de verkopende partij is omgelegd door vuurwapengeweld dat uit ging van de verdachte en de medeverdachte. De verdachte heeft erkend dat hij samen met de medeverdachte aanwezig is geweest in een schuurtje in Oosterwolde om daar een hoeveelheid hennep te kopen van de verkopende partij. De verdachte heeft ontkend dat daarbij door hem of door de medeverdachte enig fysiek geweld of vuurwapengeweld is aangewend tegen de verkopende partij. De stelling van de verdachte is dat niet door hem of door de medeverdachte is geschoten, maar door de verkopende partij en/of een compagnon van de verkopende partij.

De lezing van de gebeurtenissen door de verdachte wordt niet of niet voldoende ontkracht door het aanwezige tactische en forensische bewijs. Niet vastgesteld kan worden wat er zich heeft afgespeeld in het schuurtje en wie de schoten heeft gelost op de verkopende partij. Daarom acht het hof niet bewezen dat sprake is geweest van het medeplegen van gekwalificeerde doodslag, dan wel medeplegen van doodslag, en evenmin van medeplegen van afpersing, dan wel medeplegen van poging tot gekwalificeerde diefstal.

Nu de verdachte en de medeverdachte, als kopende partij, de hennep welbewust hebben proberen te betalen met vals geld, acht het hof medeplegen van poging tot oplichting wel bewezen.

Voor dit laatste wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002489-14

Uitspraak d.d.: 18 maart 2015

Tegenspraak

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden van 22 april 2014 met het parketnummer 18-730256-13 in de strafzaak van

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans uit andere hoofde verblijvende in de penitentiaire inrichting Midden Holland, gevangenis De Geniepoort te Alphen aan den Rijn.

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 4 maart 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en de verdachte ter zake van het onder

1 primair en 2 aan hem ten laste gelegde zal vrijspreken, de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en 3 aan hem ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van voorarrest, en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1] geheel zal toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.

De advocaat-generaal heeft deze vordering na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman,

mr. P.W. Hermens, ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Het hof zal het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht vernietigen omdat het hof op één onderdeel van de tenlastelegging tot een andere bewijsbeslissing komt dan de rechtbank. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na een nadere omschrijving van de tenlastelegging in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 9 januari 2013 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet met (een) vuurwapen(s) een of meer kogel(s) afgevuurd in de richting van het lichaam van die [slachtoffer], welke kogel(s) vervolgens het lichaam van die [slachtoffer] zijn binnengedrongen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

welke vooromschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit te weten (poging tot) afpersing, gepleegd in vereniging en/of (poging tot) diefstal (met geweld en/of bedreiging met geweld) gepleegd in vereniging, van hennep van die [slachtoffer], en/of poging tot oplichting van die [slachtoffer]

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat/die feit(en) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

:
hij op of omstreeks 9 januari 2013 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet met (een) vuurwapen(s) een of meer kogel(s) afgevuurd in de richting van het lichaam van die [slachtoffer], welke kogel(s) vervolgens het lichaam van die [slachtoffer] zijn binnengedrongen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.
hij op of omstreeks 9 januari 2013 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A.

met het oogmerk om zich en/of een ander(en) wederrechteljk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelhe(i)d(en) hennep, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s),

en/of


B.

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een hoeveelhe(i)d(en) hennep, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s),

welke voorgenomen afpersing en/of diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die afpersing en/of diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een of meer van) zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte met (een of meer van) zijn mededader(s), althans alleen, met voormeld oogmerk, opzettelijk

- naar de woning van die [slachtoffer], gelegen aan of bij de [adres1], aldaar, is/zijn gegaan en/of (vervolgens)

- met die [slachtoffer] naar het/een perceel gelegen aan of bij de [adres2], aldaar, is/zijn gegaan en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer] heeft/hebben geduwd en/of geslagen en/of gestompt, althans dat een worsteling/vechtpartij is ontstaan tussen verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) en voornoemde [slachtoffer] en/of (vervolgens)

- een of meer vuurwapen(s) heeft/hebben getoond aan die [slachtoffer] en/of (vervolgens)

- met dat/die/een vuurwapen(s) een of meer kogel(s) heeft/hebben afgevuurd in de richting van het lichaam van die [slachtoffer],

zijnde de uitvoering van dat/die voorgenomen misdrijf(ven) niet voltooid, welk(e) feit(en) de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

3.
hij op of omstreeks 9 januari 2013, te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechteljk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of een of meer listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels(s), [slachtoffer] te bewegen tot afgifte van (een) hoeveelhe(i)d(en) hennep, in elk geval van enig goed, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid die hoeveelhe(i)d(en) hennep wilde(n) betalen met een of meer, door verdachte en/of verdachte(s) mededader meegenomen, valse en/of vervalste biljetten van 100 euro en 50 euro, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof heeft de in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten verbeterd.

De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 aan hem ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof grondt deze beslissing op het volgende.

De verdachte heeft erkend dat hij op 9 januari 2013 samen met de medeverdachte [medeverdachte] aanwezig was in een schuurtje in [plaats] om daar een hoeveelheid hennep te kopen van [slachtoffer]. De verdachte heeft ontkend dat daarbij door hem of door de medeverdachte [medeverdachte] enig fysiek geweld of vuurwapengeweld is aangewend tegen [slachtoffer].

Meer in het bijzonder heeft de verdachte verklaard dat hij en de medeverdachte [medeverdachte] in dat schuurtje plotseling werden geconfronteerd met de omstandigheid dat [slachtoffer] een wapen trok, en dat op dat moment een vierde persoon, [compagnon], de compagnon van [slachtoffer], met een wapen het schuurtje binnen stormde, waarmee die [compagnon] de medeverdachte [medeverdachte] een slag op het achterhoofd en nek toediende. Volgens de verdachte is [compagnon] vervolgens tegen [slachtoffer] aan gebotst en is daarna een aantal schoten gevallen. De stelling van de verdachte is dat niet door hem of door de medeverdachte [medeverdachte] is geschoten, maar door [compagnon] en/of [slachtoffer].

Evenals de advocaat-generaal en de verdediging acht het hof niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 aan hem ten laste gelegde heeft begaan. Anders dan de advocaat-generaal acht het hof evenmin bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair aan hem ten laste gelegde heeft begaan.

Het hof stelt voorop dat de bewijsmiddelen nadrukkelijk de mogelijkheid open laten dat andere personen dan de verdachte en/of de medeverdachte [medeverdachte], te weten [compagnon] en/of [slachtoffer], in bedoeld schuurtje een vuurwapen (kunnen) hebben gebruikt. Immers, op grond van het onderzoek van de arts/patholoog Kubat, waarin is geconcludeerd dat het anatomisch mogelijk is dat het slachtoffer [slachtoffer] zichzelf de schotletsels heeft toegebracht, kan niet worden uitgesloten dat [slachtoffer] zichzelf per ongeluk (bijvoorbeeld tengevolge van een schermutseling) heeft geraakt met kogels uit een vuurwapen dat [slachtoffer] volgens de verdachte had getrokken. Anders dan de advocaat-generaal heeft aangevoerd staat daarnaast niet vast dat [compagnon] niet in het schuurtje aanwezig is of kan zijn geweest tijdens het vallen van de schoten. De getuigen [getuige1] en [getuige2] en [getuige3] hebben verklaard dat zij hebben waargenomen dat zij [compagnon] naar het schuurtje hebben zien lopen en hebben zien terugrennen vanuit de richting van het schuurtje. [getuige3] heeft verklaard dat er niet veel tijd zat tussen het uitstappen en weer wegrijden van [compagnon]. Echter, het ruime tijdsbestek waarbinnen de getuigen [getuige1] en [getuige2] de terugkeer van [compagnon] plaatsen vanuit de richting van het schuurtje na diens aankomst ter plaatse - een hele periode volgens [getuige1] en vijf tot tien minuten volgens [getuige2] - laat nadrukkelijk de mogelijkheid open dat [compagnon] wel aanwezig is of kan zijn geweest in het schuurtje tijdens het vallen van de schoten.

Anders dan de advocaat-generaal heeft gesteld wordt verdachtes lezing van de gebeurtenissen niet of niet voldoende ontkracht door het aanwezige tactische en forensische bewijs.

Gelet immers op de nadrukkelijk open blijvende mogelijkheid dat [compagnon] wel aanwezig is of kan zijn geweest in het schuurtje tijdens het vallen van de schoten, bezien in het licht van de omstandigheid dat [compagnon] heeft ontkend in dat schuurtje te zijn geweest, valt niet goed in te zien waarom aan de verklaringen die [compagnon] heeft afgelegd zo’n doorslaggevende betekenis dient te worden toegekend. Het hof gaat niet zonder meer uit van de juistheid van de verklaringen van [compagnon], waar het betreft de gang van zaken bij het schuurtje.

Bij haar onderzoek heeft de arts/patholoog Kubat geconstateerd dat [slachtoffer] diverse verwondingen aan het hoofd had. De advocaat-generaal verklaart deze verwondingen uit geweld dat vóór het vallen van de schoten door de verdachte en/of de medeverdachte [medeverdachte] op [slachtoffer] is uitgeoefend. Dit laatste staat echter niet of onvoldoende vast.

Immers, niet kan worden uitgesloten dat deze verwondingen op andere wijze zijn ontstaan vóór of na de schietpartij, bijvoorbeeld door een val of meerdere valpartijen van [slachtoffer] of een botsing of botsingen van [slachtoffer] met harde voorwerpen. De arts/patholoog Kubat heeft immers ook geconstateerd dat deze letsels onder meer kunnen zijn ontstaan door zich stoten.

Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat (sommige van) deze verwondingen zijn ontstaan door manipulaties van anderen, bijvoorbeeld de getuige [getuige1] (bij eerste hulp) of de getuige [benadeelde partij2] (bij eerste hulp/reanimatie) of agenten (bij reanimatie) of ambulancepersoneel (bij reanimatie).

Er is nog een tweede omstandigheid op grond waarvan de advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat geweld op [slachtoffer] is uitgeoefend, en wel door de medeverdachte [medeverdachte]. Dat is het aantreffen van DNA dat overeenkomt met het DNA van de medeverdachte [medeverdachte] in het nagelvuil van de linker wijsvinger van [slachtoffer].

Echter, het is heel goed mogelijk dat dit DNA-spoor daar op een ander moment, op een andere plaats of op een andere wijze (al dan niet door secundaire overdracht) terecht is gekomen. Overigens, ook indien er sprake is geweest van een gewelddadige confrontatie tussen [slachtoffer] en [medeverdachte], kunnen daaraan geen conclusies worden verbonden ten aanzien van de vraag wie er geschoten heeft. Aan de aanwezigheid van dit DNA-spoor kunnen daarom niet de verregaande gevolgtrekkingen worden verbonden die de advocaat-generaal heeft genoemd.

Het sporenonderzoek op de plaats van het delict levert daarnaast niet in alle opzichten vaststaande gegevens op, nu vast staat dat er geen sprake is van een ongestoorde plaats delict. Meerdere personen, onder wie de verdachte, de medeverdachte, [slachtoffer], [compagnon] en de getuige [getuige3], zijn na het vallen van de schoten aanwezig geweest op de plaats van het delict en kunnen - bewust of onbewust - sporen hebben gemanipuleerd op de plaats van het delict.

De politie heeft in het schuurtje een reconstructie kunnen maken van een mogelijke schotbaan. Dit aan de hand van de bevindingen van het pathologisch onderzoek naar de verwondingen van [slachtoffer] en de daaruit afgeleide schotbanen in zijn lichaam, gecombineerd met een veronderstelde schotbaan in een centrifuge die zich in het schuurtje bevond en gecombineerd met de veronderstelling dat er twee schoten zijn gevallen in het schuurtje.

Deze reconstructie vormt echter niet meer dan één mogelijke verklaring voor de toedracht van de schoten. Dit wil nog niet zeggen dat het daadwerkelijk zo is gegaan, onder meer omdat niet of niet voldoende vast staat hoeveel schoten er zijn gevallen in het schuurtje.

Het door de advocaat-generaal gepresenteerde tactische en forensische bewijs geeft op zijn hoogst enige voeding aan het scenario waar de advocaat-generaal van uit gaat, te weten een uit de hand gelopen rip-deal door de verdachten waarbij [slachtoffer] is omgekomen door vuurwapengeweld dat uit ging van de verdachte(n). Echter, niet boven redelijke twijfel verheven is dat het zo is gegaan. Er zijn meerdere andere scenario’s mogelijk, waarbij ook rekening dient te worden gehouden met de mogelijkheid dat bij de verkopende partij wapens aanwezig waren ter voorkoming van een ripdeal.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde wordt nog in het bijzonder opgemerkt dat de hennep in ieder geval deels met vals geld zou worden betaald. De aanwezigheid van vals geld wijst erop dat dit een rol zou spelen bij het verkrijgen van de hennep door verdachte en zijn mededader door middel van oplichting (zie hieronder). Hoewel poging tot oplichting niet uitsluit dat ook sprake is van de onder 2 ten laste gepleegde feiten (bijvoorbeeld bij ontdekking van de oplichting) is niet komen vast te staan dat dit mogelijke scenario zich heeft voorgedaan.

De eindconclusie van het hof is dat niet vastgesteld kan worden wat er zich heeft afgespeeld in het schuurtje en wie de schoten heeft gelost op [slachtoffer].

Overweging met betrekking tot het bewijs van het onder 3 ten laste gelegde

Uit een onderzoek naar de echtheid van de door de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] in het schuurtje achtergelaten bankbiljetten is gebleken dat alle aangetroffen bankbiljetten vals zijn.

De verdachte heeft ontkend dat hij er van op de hoogte was dat het geld dat hij bij zich had voor de betaling van de hennep-deal vals was. Het hof acht deze ontkenning niet geloofwaardig.

Het aantreffen van vingerafdrukken die geïdentificeerd zijn als voorkomend op het vingerafdrukkenblad van zowel de verdachte als van de medeverdachte [medeverdachte] op geld dat is aangetroffen in een rondom afgesloten sealbag duidt er op dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte], voordat het geld in de sealbag belandde, handelingen hebben verricht met het vals geld waarbij de biljetten, anders dan bij normaal gebruik, meer dan terloopse aandacht hadden. De medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat de verdachte en hij het geld hebben gezien voordat het in de sealbags belandde en dat zij ook op een later moment, te weten in de bus, nog weer naar het geld hebben gekeken. De resultaten van het vingersporenonderzoek duiden dan ook op een grotere betrokkenheid van de verdachte en zijn medeverdachte bij handelingen die hij heeft verricht met het geld.

Gelet op deze omstandigheden en gelet op de omstandigheid dat de bankbiljetten niet voldoen aan diverse, goed waarneembare, echtheidskenmerken, kan het niet anders zijn dan dat de verdachte wist dat (al) het door hem en de medeverdachte [medeverdachte] in het schuurtje achtergelaten geld vals was. Met name de afwezigheid van het – op echte bankbiljetten aanwezige - hologram duidt daarop.

Bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 aan hem ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

3.
hij op 9 januari 2013, te [plaats], in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en een of meer listige kunstgrepen [slachtoffer] te bewegen tot afgifte van een hoeveelheid hennep, met voren omschreven oogmerk valselijk en listiglijk en bedrieglijk die hoeveelheid hennep wilde betalen met door verdachte en/of verdachtes mededader meegenomen valse biljetten van 100 euro en 50 euro, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van poging tot oplichting

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde delict en de omstandigheden waaronder dit delict is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft zich samen met de medeverdachte in het kader van een henneptransactie schuldig gemaakt aan een poging tot oplichting, door als koper van ongeveer honderd kilo hennep te willen betalen met vals geld.

Het gaat hier niet om een transactie in het reguliere handelsverkeer, maar om een transactie in het criminele circuit. Desalniettemin is duidelijk dat de partij hennep die de verdachte wilde kopen een grote economische waarde van ongeveer drie ton vertegenwoordigde en dat de verdachte heeft gepoogd daar een tegenprestatie van generlei waarde tegenover te stellen.

De verdachte heeft enkel en alleen gehandeld vanuit het oogpunt van financieel gewin.

Uit het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 februari 2015 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van het plegen van een soortgelijk strafbaar feit, maar dat hij wel eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een andersoortig misdrijf, zij het niet recent (in het jaar 2002). In zoverre zijn geen justitiële antecedenten aanwezig die van substantieel belang kunnen zijn bij de strafoplegging.

Het hof heeft tevens rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan is gebleken uit het strafdossier en uit het onderzoek ter terechtzitting.

Op grond van het bovenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving en vergelding

acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest, noodzakelijk en geboden. Het hof zal deze straf daarom opleggen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1]

De benadeelde partij [benadeelde partij1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 16.207,23. De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich binnen de grenzen van de eerste vordering opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding voort in de strafzaak in hoger beroep.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 1 en 2 aan hem ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Gelet op het vorenstaande dient de benadeelde partij, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij2] zich in de strafzaak in eerste aanleg heeft gevoegd, dat deze benadeelde partij in eerste aanleg in de vordering niet-ontvankelijk is verklaard en dat deze benadeelde partij zich niet opnieuw heeft gevoegd in de strafzaak in hoger beroep. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding niet voort in de strafzaak in hoger beroep en kan het hof niet op die vordering beslissen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 47 en 326 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair en

2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij1] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. T.H. Bosma, voorzitter,

mr. O. Anjewierden en mr. G. Dam, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,

en op 18 maart 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.