Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:1825

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-03-2015
Datum publicatie
13-03-2015
Zaaknummer
21-006169-13
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:1412, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden wegens zware mishandeling van een dief.

Verwerping beroep op noodweer(exces) en psychische overmacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006169-13

Uitspraak d.d.: 13 maart 2015

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 2 juli 2013 met parketnummer 06-081093-12 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1981],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 27 februari 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. R. Heinen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het voor wat betreft de straf en de vordering benadeelde partij tot een andere beslissing komt.

Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 7 juni 2011 te [plaats], althans in de gemeente [gemeente] aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken onderarm en/of een gebroken elleboog en/of een gekneusde schouder), heeft toegebracht, door deze opzettelijk (met kracht) met een (metalen) buis, althans enig hard voorwerp op/tegen de (rechter) arm/schouder, althans het (boven)lichaam te slaan en/of te stompen;

subsidiair

hij op of omstreeks 7 juni 2011 te [plaats], althans in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met kracht) met een (metalen) buis, althans enig hard voorwerp op/tegen de (rechter) arm/schouder, althans het (boven)lichaam te slaan en/of te stompen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 7 juni 2011 te [plaats], althans in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), (met kracht) met een (metalen) buis, althans enig hard voorwerp, op/tegen de (rechter) arm/schouder, althans het (boven)lichaam heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling. Door meerdere keren met een metalen buis tegen het lichaam van aangever te slaan, zoals verdachte ook zelf heeft verklaard, heeft hij op zijn minst voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel gehad.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 7 juni 2011 te [plaats], althans in de gemeente [gemeente] aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken onderarm en/of een gebroken elleboog en/of een gekneusde schouder), heeft toegebracht, door deze opzettelijk (met kracht) met een (metalen) buis, althans enig hard voorwerp op/tegen de (rechter) arm/schouder, althans het (boven)lichaam te slaan. en/of te stompen;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Kwalificatie

Het primair bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling.

Beroep op noodweer

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat aangever op verdachte af kwam lopen, terwijl verdachte hem meermalen had gezegd achteruit te gaan.

Voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht is in de eerste plaats vereist dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van iemands lijf, eerbaarheid of goed, waartegen de noodzakelijke verdediging geboden was.

Het hof acht het niet aannemelijk dat -ook als het uitgaat van verdachtes lezing- verdachte zich in een dergelijke situatie bevond. Anders dan aangever heeft verdachte verklaard dat aangever op hem afliep. Verdachte heeft verklaard dat hij buiten de tuin van zijn achterbuurman ter hoogte van de poort stond en dat aangever via die poort de tuin uit liep. Verdachte heeft verder verklaard dat aangever in zijn richting liep, maar niet dat aangever agressief, dreigend of gewelddadig gedrag heeft vertoond. Ook in geval uitgegaan wordt van de verklaring van verdachte is geen sprake geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar hiervoor. Gelet daarop verwerpt het hof het verweer.

Strafbaarheid van de verdachte

Beroep op noodweerexces

De raadsman heeft – mocht het beroep op noodweer stranden - eveneens een beroep gedaan op noodweerexces.

Ook voor een geslaagd beroep op noodweerexces in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van iemands lijf, eerbaarheid of goed, waartegen de noodzakelijke verdediging geboden was. Nu het hof – zoals hierboven uiteengezet – oordeelt dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar hiervoor, treft dit verweer ook geen doel.

Beroep op psychische overmacht

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat sprake was van psychische overmacht. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat er een dusdanige acute, van buitenaf komende drang aanwezig was, waartegen verdachte geen weerstand kon bieden of behoefde te bieden.

Het hof verwerpt het beroep op psychische overmacht nu naar oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden dat de reactie van verdachte, zoals verwoord in de bewezenverklaring, voortkwam vanuit een van buiten komende drang waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon en behoefde te bieden.

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De rechtbank Gelderland heeft verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren en voorts een werkstraf van 240 uren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde wordt opgelegd een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaren.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling. Hij is – terwijl de politie al gebeld was - afgegaan op een dief, die flesjes bier aan het stelen was uit een schuurtje in de tuin van de buurman van verdachte. Daarbij heeft hij de dief, het latere slachtoffer – waarvan niet is gebleken dat deze de verdachte aanviel of op het punt stond de verdachte aan te vallen -meerdere keren met een metalen buis op het lichaam geslagen. Het slachtoffer heeft hierdoor ernstig letsel opgelopen. Het hof acht het handelen van verdachte kwalijk. Verdachte heeft het slachtoffer – zonder dat hij hier een goede reden voor had - op zeer hardhandige wijze uitgeschakeld. Ter zitting is gebleken dat het slachtoffer in verband met het ernstige letsel meerdere keren is geopereerd en zijn arm blijvend beschadigd is.

Het hof ziet aanleiding een andere straf op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan. Uit een de verdachte betreffend uittreksel justitie documentatie van 29 januari 2015 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld. Het hof houdt er verder rekening mee dat verdachte – die ’s nachts vanuit zijn slaapkamerraam een dief in de achtertuin van zijn buurman zag – mede door een gebrek aan ervaring in dit soort situaties en angstgevoelens de verkeerde beslissingen heeft genomen. Verder lijkt verdachte de ernst van zijn handelen in te zien en is gebleken dat hij zelf aanzienlijk lijdt onder de strafzaak.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden passend en geboden is. Voor oplegging van een geheel voorwaardelijke werkstraf of voor toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht, zoals bepleit door de raadsman, ziet het hof -gelet op de ernst van het feit- geen ruimte.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt 9.872,42 euro. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van 2.000 euro. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige (de bijkomende kosten [gerechtsdeurwaarders- en incassokantoor], zoals ook bepleit door de raadsman) is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 6.105,27 (zesduizend honderdvijf euro en zevenentwintig cent) bestaande uit € 4.605,27 (vierduizend zeshonderdvijf euro en zevenentwintig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 6.105,27 (zesduizend honderdvijf euro en zevenentwintig cent) bestaande uit € 4.605,27 (vierduizend zeshonderdvijf euro en zevenentwintig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 65 (vijfenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.


Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. L.T. Wemes, voorzitter,

mr. H.J. Deuring en mr. J.D. den Hartog, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L. Gereke, griffier,

en op 13 maart 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. L.T. Wemes is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.