Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:1812

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-03-2015
Datum publicatie
18-05-2015
Zaaknummer
200.150.424
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot verdeling. IPR. Marokkaans huwelijk. Geen rechtskeuze. Eerste gewone verblijfplaats niet op grondgebied dezelfde staat. Wijziging toepasselijke huwelijksvermogensregime (“wagonstelsel”). Geen uitzondering op de hoofdregel van 1:102 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.150.424

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 348920)

beschikking van de familiekamer van 12 maart 2015

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. H.K. Jap-A-Joe te Utrecht,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. K. Spaargaren te Hilversum.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 5 maart 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties 1-2a, ingekomen op 5 juni 2014;

- het verweerschrift, ingekomen op 22 september 2014.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 22 januari 2015 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de man bijgestaan door mr. M.J.A. Bakker, advocaat te Utrecht, en de vrouw bijgestaan door haar advocaat.

2.3

Ter mondelinge behandeling heeft mr. Spaargaren een stuk overgelegd, te weten een afschrift van een vonnis in kort geding van 3 februari 2014 van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn op 24 augustus 1993 gehuwd te [plaats] (Marokko). De vrouw woonde op dat moment bij haar ouders in Marokko. De man, die sedert 1986 in Nederland woont, had ten tijde van het huwelijk in ieder geval de Marokkaanse nationaliteit. Thans beschikt de man ook over de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft zich op 9 september 1995 bij de man in Nederland gevestigd. Zij heeft op of omstreeks 24 februari 2011 de Nederlandse nationaliteit verkregen; partijen hebben vanaf die tijd zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit.

3.2

De vrouw heeft op 18 juli 2013 een verzoek tot echtscheiding ingediend. Het huwelijk van de man en de vrouw is op 26 augustus 2014 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.3

De rechtbank heeft in de beschikking van 5 maart 2014 het verzoek van de man om de schulden van partijen door de vrouw alleen (het doorlopend krediet) dan wel door beide partijen gezamenlijk (de creditcard) te laten dragen afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing hiervan.

4 De omvang van het geschil

De man is in zijn beroepschrift met bezwaren tegen voormeld oordeel van de rechtbank opgekomen. Hij verzoekt het hof opnieuw de verdeling vast te stellen zoals oorspronkelijk door de man is verzocht, met dien verstande dat hij tevens de VW Golf krijgt toegedeeld.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Het hof oordeelt ambtshalve dat de Nederlandse rechter bevoegd is ter zake van de nevenvoorziening tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, gelet op artikel 827 lid 1 sub b juncto artikel 4 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

5.2

Wat betreft het toepasselijke recht voert de man aan dat het huwelijksgoederenregime wordt beheerst door Nederlands recht en dat sprake is van een gemeenschap van goederen. De vrouw betwist dat; volgens haar is Marokkaans recht van toepassing, dat geen gemeenschap van goederen kent.

5.3

Het hof oordeelt als volgt. Nu partijen zijn gehuwd na 1 september 1992 – de datum waarop het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van 14 maart 1978 (het Haags Huwelijksvermogensverdrag, verder: het Verdrag) in werking is getreden – zal het hof op grond van het Verdrag vaststellen welk recht op het huwelijksgoederenregime van partijen van toepassing is.

5.4

Op grond van het Verdrag geldt allereerst dat het huwelijksvermogensregime wordt beheerst door het interne recht dat de echtgenoten vóór het huwelijk hebben aangewezen (artikel 3) dan wel staande huwelijk hebben gekozen (artikel 6). Partijen hebben een dergelijke keuze niet gemaakt.

Bij het uitblijven van een keuze geldt ingevolge artikel 4 lid 1 van het Verdrag als hoofdregel dat het huwelijksvermogensregime beheerst wordt door het interne recht van de staat op welks grondgebied de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen. Artikel 4 lid 2 van het Verdrag geeft drie uitzonderingen op die hoofdregel, die er toe leiden dat in die situaties het interne recht van de staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit van toepassing is.

5.5

Nu vast staat dat de vrouw zich pas twee jaar na de huwelijkssluiting (in Marokko) bij de man in Nederland heeft gevoegd, hebben partijen hun eerste gewone verblijfplaats niet op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd. Ingevolge artikel 4 lid 2 aanhef en sub 3 van het Verdrag wordt het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten in dat geval beheerst door het interne recht van de staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit. Gelet hierop is Marokkaans recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen en bestaat tussen hen het Marokkaans wettelijk stelsel, te weten uitsluiting van iedere huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap van goederen. Het Marokkaanse huwelijksvermogensrecht is van toepassing in de periode dat partijen geen gemeenschappelijke gewone verblijfplaats bezaten.

5.6

Het toepasselijke huwelijksvermogensregime van partijen is ingevolge artikel 7 lid 2 sub 3 van het Verdrag gewijzigd op het moment dat de vrouw zich in Nederland bij de man heeft gevoegd. Vanaf die datum – 9 september 1995 – hebben beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland, beheerst het Nederlands recht het huwelijksvermogensregime en is ingevolge het Nederlandse huwelijksvermogensrecht een gemeenschap van goederen ontstaan. De gemeenschap van goederen omvat daarom de activa die zijn verworven en de schulden die zijn aangegaan na voormelde datum; op hetgeen partijen voordien hebben verworven en de voordien aangegane schulden blijft het Marokkaans huwelijksvermogensregime van toepassing (het zogenaamde ‘wagonstelsel’).

5.7

Voor de beoordeling van de samenstelling en omvang van de gemeenschap geldt als peildatum 18 juli 2013. Tussen partijen staat vast dat tot de ontbonden gemeenschap in ieder geval behoren:

- inboedel,

- lijfsieraden,

- kleding,

- auto (Volkswagen Golf, kenteken [.....]), bouwjaar 1997, ter waarde van € 600,- (zoals de vrouw ter zitting van 22 januari 2015 onbestreden heeft verklaard).

5.8

De man heeft onderbouwd met stukken aangetoond dat hij op 29 december 1999 een doorlopend krediet heeft afgesloten bij Postbank (ING), contractnummer [0000000], gekoppeld aan ING-rekeningnummer [111111], waarvan het debetsaldo op (of omstreeks) de peildatum € 6.645,38 bedroeg. Deze schuld valt dan ook in de gemeenschap. Rechtens is niet relevant dat de tenaamstelling enkel de man betreft.

Ten aanzien van de creditcardschuld heeft de man gesteld dat sprake is van een schuld van de gemeenschap. Het hof begrijpt de stelling van de man aldus dat de schuld is ontstaan na het ontstaan van de gemeenschap van goederen. Uit het door de man overgelegde ING-overzicht (producties 2 bij zijn beroepschrift) blijkt dat deze creditcard eveneens gekoppeld is aan ING-rekeningnummer [111111]; de bestedingslimiet is € 3.500,-. Blijkens het ING-overzicht was omstreeks de peildatum (hier: 15 juni 2013) sprake van een debetstand van

€ 3.503,38. Voorts heeft de man een rekeningafschrift van 25 april 2009 overgelegd, waaruit volgt dat er op dat moment ook reeds sprake was van een creditcardschuld. De vrouw heeft (enkel) gesteld dat zij niets afweet van deze schuld. Dit verweer is te onbepaald om het rechtens te kunnen honoreren. Deze schuld valt in de gemeenschap. Voorzover de vrouw bedoeld mocht hebben dat dit een schuld zou betreffen die ontstaan is voordat zij zich op 9 september 1995 in Nederland vestigde, is haar verweer van onvoldoende gewicht nu sprake is van een tijdverloop van ongeveer 18 jaar.

5.9

Op grond van artikel 1:102 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn zowel de man als de vrouw voor het geheel aansprakelijk voor de gemeenschappelijke (huwelijkse) schulden, ook in het geval de vrouw, zoals zij stelt, niets afwist van deze schulden. Van de hoofdregel van artikel 1:102 BW kan worden afgeweken indien het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn indien de vrouw gehouden wordt aan (enige) bijdrage aan deze schulden. Hiervoor dient zij voldoende feiten en omstandigheden aan te dragen.

De vrouw heeft aangevoerd dat de man de financiën regelde, dat zij daarin geen inspraak had, niet wist dat er een doorlopend krediet bestond, dat zij ook niet over een bankpas beschikte, dat die gelden niet aan de huishouding van partijen zijn besteed maar door de man zijn uitgegeven (want die leidde zijn eigen leven), dat zij enkel huishoudgeld kreeg en dat grote uitgaven (voor meubilair) werden bekostigd via bijzondere bijstand van de gemeente. De man heeft een en ander gemotiveerd betwist. Wat daar verder ook van zij, de door de vrouw genoemde omstandigheden oordeelt het hof van onvoldoende gewicht om een uitzondering van voormelde hoofdregel te rechtvaardigen. Gelet op het vorenstaande dienen de man en de vrouw dan ieder de helft van de voornoemde schulden te dragen.

5.10

De vrouw heeft (onbetwist) gesteld dat de inboedel inmiddels in onderling overleg is verdeeld en heeft in zoverre geen bezwaar gemaakt tegen de door de man verzochte verdeling, zodat het hof zal vaststellen dat de inboedel, lijfsieraden en kleding tussen partijen zijn verdeeld, zonder nadere verrekening.

5.11

In eerste aanleg heeft de vrouw in reactie op het zelfstandig verzoek van de man aangegeven dat de man over een eigen auto beschikt, een Audi, en dat zij haar auto (een groene Golf) terug wenst nu de man deze ten onrechte heeft meegenomen. Blijkens het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg heeft de man verklaard dat hij de Volkswagen Golf heeft meegenomen en dat hij geen andere auto heeft. Namens de vrouw is verklaard dat de man een Audi had, maar dat hij die auto op naam van zijn broer heeft gezet. Blijkens het door de vrouw overgelegde vonnis heeft de voorzieningenrechter op 3 februari 2014 bepaald dat de man binnen zeven dagen na betekening van het vonnis de Volkswagen Golf aan de vrouw diende af te geven. In die procedure heeft de man de stelling ingenomen dat de Audi op naam van zijn broer staat. In hoger beroep verzoekt de man om toedeling van de Volkswagen Golf aan hem. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw herhaald dat de auto's van partijen feitelijk zijn verdeeld: zij heeft de Volkswagen teruggekregen na het daartoe strekkend vonnis van de voorzieningenrechter van 3 februari 2014, en de man heeft de Audi onder zich gehouden (die op naam van zijn broer is gesteld). Overigens heeft de vrouw verklaard dat zij de Volkswagen Golf inmiddels heeft verkocht omdat de kosten van een noodzakelijke reparatie niet opwogen tegen de waarde van de auto. De opbrengst heeft zij besteed aan het betalen van rijlessen ten behoeve van de oudste dochter van partijen. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw, had het op de weg van de man gelegen opheldering te verschaffen over de Audi door het overleggen van het eigendomsbewijs en de datum van tenaamstelling. Nu de man zulks heeft nagelaten, zal het hof het gemotiveerde en consequent ingenomen standpunt van de vrouw volgen. Bij gebreke van gegevens omtrent de waarde van beide auto's op de peildatum zal het hof de Volkswagen aan de vrouw toedelen en de Audi aan de man, zonder nadere verrekening.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de bezwaren van de man gedeeltelijk. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 5 maart 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt vast dat de inboedel, lijfsieraden en kleding tussen partijen onderling zijn verdeeld en dat ten aanzien van deze verdeling geen nadere verrekening plaatsvindt;

deelt toe aan de vrouw de Volkswagen Golf (kenteken [.....]) en aan de man de Audi (bij partijen genoegzaam bekend) en bepaalt dat partijen ter zake van de verdeling geen nadere verrekening plaatsvindt;

bepaalt dat de man als eigen schuld zal voldoen de verplichtingen uit hoofde van het doorlopend krediet bij Postbank (ING) met contractnummer [0000000], verbonden aan rekeningnummer [111111], ter hoogte van € 6.645,38, onder de verplichting van de vrouw de helft van dit bedrag, te weten € 3.322,69, aan de man te vergoeden;

bepaalt dat de man als eigen schuld zal voldoen de verplichtingen uit hoofde van de ING creditcardschuld, verbonden aan rekeningnummer [111111], ter hoogte van € 3.503,38, onder de verplichting van de vrouw de helft van dit bedrag, te weten € 1.751,69, aan de man te vergoeden;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.H. Schulten, R.A. Dozy en J.P. Balkema, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is op 12 maart 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.