Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:1806

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-02-2015
Datum publicatie
12-03-2015
Zaaknummer
200.140.155
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op alimentatieverzoeken Duits recht toegepast. Geoordeeld op grond van de "Düsseldorfer Tabelle".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.140.155/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/121959 / FA RK 12-1398)

beschikking van de familiekamer van 17 februari 2015

inzake

[verzoeker],

wonende te [A],

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J. Oosterhof, kantoorhoudend te Heerenveen,

tegen

1 [de vrouw],

verder te noemen: de vrouw,

2. [de jong-meerderjarige1],

verder te noemen: [de jong-meerderjarige1],

beiden wonende te [B] (Duitsland),

verweerders in het principaal hoger beroep,

verzoekers in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. A.A.M. Oude Ophuis, kantoorhoudend te Enschede.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 19 juni 2013 en 9 oktober 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 7 januari 2014;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, ingekomen op 24 februari 2014;

- het verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen op 22 april 2014;

- het journaalbericht van 15 januari 2014 met bijlage van mr. Oosterhof;

- het journaalbericht van 12 september 2014 van mr. Oosterhof;

- het journaalbericht van 12 september 2014 met bijlagen van mr. Oosterhof;

- het journaalbericht van 5 november 2014 met bijlagen van mr. Oosterhof.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 20 november 2014 plaatsgevonden. De man en de vrouw zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. [de jong-meerderjarige1] is - met bericht -niet verschenen.

Mr. Oude Ophuis heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van een door haar overgelegde pleitnotitie.

2.3

In hoger beroep is een door [de jong-meerderjarige1] ondertekende machtiging overgelegd waaruit blijkt dat hij de vrouw gemachtigd heeft om namens hem de onderhavige procedure te voeren en ermee heeft ingestemd dat mr. A.A.M. Oude Ophuis mede zijn belangen in deze procedure behartigt. Derhalve is de ter zitting gegeven toelichting door mr. Oude Ophuis, mede namens [de jong-meerderjarige1] gegeven.

3 De vaststaande feiten en de procedure in eerste aanleg

3.1

Partijen zijn [in] 1998 met elkaar gehuwd. Uit de voorhuwelijkse relatie tussen de man en de vrouw is [in] 1995 [de jong-meerderjarige1] (voornoemd) geboren en uit het huwelijk is [in] 1999 [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1]) geboren. [de jong-meerderjarige1] en [de minderjarige1] hebben - sinds de echtscheiding - hun hoofdverblijf bij de vrouw in Duitsland.

3.2

De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Duitse nationaliteit. [de jong-meerderjarige1] en [de minderjarige1] hebben zowel de Duitse nationaliteit als de Nederlandse nationaliteit.

3.3

Bij beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 28 juni 2000 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De zaak is voor wat betreft de door de vrouw verzochte bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en dat van de kinderen door de rechtbank verwezen naar een nadere terechtzitting.

3.4

Bij beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 18 september 2002 zijn - voor zover hier van belang - de alimentatieverzoeken van de vrouw afgewezen.

3.5

De vrouw heeft de rechtbank bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen bij de griffie van de rechtbank op 5 september 2012, verzocht te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag van € 682,-- per kind per maand, bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, met ingang van de datum van verzending van het verzoek om informatie (te weten: 24 juli 2012), althans enige andere datum door de rechtbank in goede justitie te bepalen, althans een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

3.6

De man heeft daartegen verweer gevoerd bij verweerschrift en verzocht om het verzoek van de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.

3.7

De rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 19 juni 2013 - voor zover hier van belang - de vrouw opgedragen een Nederlandse vertaling over te leggen van de Düsseldorfer Tabelle met Anhang en Leitlinien zum Unterhalt en de man in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

3.8

Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank - kort gezegd - bepaald dat de man met ingang van 5 september 2012 € 240,-- per kind per maand aan de vrouw dient te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de jong-meerderjarige1] en [de minderjarige1]. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is door de rechtbank afgewezen.

3.9

De man verzoekt het hof in zijn beroepschrift om, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat de beschikking van 9 oktober 2013 wordt vernietigd en de inleidende verzoeken van de vrouw alsnog worden afgewezen.

3.10

De vrouw en [de jong-meerderjarige1] verzoeken het hof in het verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel om bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, (in naar het hof begrijpt principaal appel) de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken althans de verzoeken van de man af te wijzen en (in naar het hof begrijpt incidenteel appel) de beschikking van 9 oktober 2013 te wijzigen met dien verstande dat de man met ingang van 5 september 2012 aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van

€ 490,-- per kind per maand, althans € 240,-- per kind per maand, althans enige andere bijdrage door het hof in goede justitie te bepalen, alsmede dat de beschikking voor het overige in stand blijft.

3.11

De man heeft het hof in zijn verweerschrift verzocht om bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken althans de verzoeken van de vrouw af te wijzen.

4 De omvang van het geschil

4.1

De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven hebben betrekking op de behoefte van de kinderen (grief 3) en de draagkracht van de man (grieven 1, 2 en 4).

4.2

De vrouw en [de jong-meerderjarige1] zijn op hun beurt met drie grieven in incidenteel appel gekomen van de bestreden beschikking. De grieven hebben betrekking op de behoefte van de kinderen (grief 3) en de draagkracht van de man (grieven 1 en 2).

5 De motivering van de beslissing


* de rechtsmacht en het toepasselijk recht

5.1

Het hof is - na ambtshalve toetsing - van oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt op grond van artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008), aangezien de man (in eerste aanleg verweerder) zijn woonplaats in Nederland heeft.

5.2

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat op grond van artikel 3 van het Haags Protocol 2007 (in de Alimentatieverordening wordt daarnaar verwezen in artikel 15) het Duitse recht dient te worden toegepast, nu de vrouw en de kinderen in Duitsland woonachtig zijn.

* de ingangsdatum

5.3

De rechtbank heeft de ingangsdatum van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen op de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift (te weten: 5 september 2012) gesteld. Nu daartegen niet is gegriefd, zal het hof eveneens van voornoemde ingangsdatum uitgaan.

* de 'Düsseldorfer Tabelle met Anhang en Leitlinien zum Unterhalt'

5.4

Aangezien beide partijen voor de vaststelling van de onderhoudsbijdrage van de man jegens de kinderen uitgaan van de 'Düsseldorfer Tabelle met Anhang en Leitlinien zum Unterhalt' versie 1 januari 2011 (hierna: de 'Düsseldorfer Tabelle'), zal het hof hiervan ook uitgaan.

* de behoefte van de kinderen

5.5

Het hof zal allereerst ingaan op de grieven van partijen ten aanzien van de behoefte van de kinderen.

5.6

De rechtbank is in de bestreden beschikking uitgegaan van een netto maandinkomen van de man van € 1.530,--, welk inkomen berekend is aan de hand van een bruto jaarinkomen van € 42.888,-- per jaar.

5.7

De man stelt zich op het standpunt dat de behoefte van de kinderen - conform de 'Düsseldorfer Tabelle' - bij een netto maandinkomen van € 1.530,-- slechts op een bedrag van € 446,-- per maand, derhalve op € 223,-- per kind per maand kan worden gesteld, nu de behoefteberekening gerelateerd is aan twee alimentatiegerechtigden. Volgens de man dient daarop nog de kinderbijslag in mindering te worden gebracht.

5.8

De vrouw geeft aan dat de rechtbank het netto maandinkomen niet juist heeft berekend en is van mening dat de behoefte van de kinderen, uitgaande van een netto inkomen van de man tussen € 2.301,-- en € 2.700,-- per maand en de leeftijd van de kinderen, op een bedrag van € 490,-- per kind per maand dient te worden bepaald.

5.9

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, bedraagt het netto maandinkomen van de man - bij een bruto inkomen van € 42.888,-- per jaar - € 2.517,-- (berekend aan de hand van de tarieven 2012-2). Het hof is van oordeel dat dit netto maandinkomen van de man tot uitgangspunt genomen dient te worden bij de bepaling van de behoefte van de kinderen. Conform de 'Düsseldorfer Tabelle' bedraagt de behoefte van [de jong-meerderjarige1] (die op 5 september 2012 16 jaar oud is) en [de minderjarige1] (die op 5 september 2012 12 jaar oud is), bij een netto maandinkomen van de man tussen de € 2.301,-- en de € 2.700,--, € 490,-- per maand.

5.10

De man is van mening dat, in het geval de redenering van de vrouw wordt gevolgd, het behoeftebedrag per kind gehalveerd dient te worden nu de behoefteberekening gerelateerd is aan twee alimentatiegerechtigden. Volgens hem dient de behoefte van de kinderen dan ook op een bedrag van € 245,-- per kind per maand te worden gesteld, derhalve in totaal op een bedrag van € 490,-- per maand, waarop volgens hem de kinderbijslag nog in mindering dient te worden gebracht.

5.11

Het hof volgt de man hierin niet. De behoeftebedragen zijn weliswaar gerelateerd aan twee alimentatiegerechtigden, doch uit het rekenvoorbeeld bij de 'Düsseldorfer Tabelle' blijkt duidelijk dat de behoeftebedragen in de tabel zien op de behoefte voor één kind en niet zien op een totaalbehoefte voor twee kinderen, waarvan de man lijkt uit te gaan. Derhalve zal het hof de behoeftebedragen in de tabel niet halveren zoals door de man verzocht. Op de behoefte van de kinderen dient nog wel - zoals de man terecht heeft betoogd - de kinderbijslag in mindering te worden gebracht. Uit de bijlage blijkt dat de kinderbijslag voor het eerste en tweede kind € 184,-- per kind per maand bedraagt. Bij minderjarige kinderen dient de helft van het bedrag aan kinderbijslag, derhalve € 92,-- per kind per maand, van de behoefte te worden afgetrokken en bij meerderjarige kinderen komt de volledige kinderbijslag in mindering op de behoefte. Dit brengt met zich dat de behoefte van [de jong-meerderjarige1] en [de minderjarige1] over de periode met ingang van 5 september 2012 op een bedrag van € 398,-- per kind per maand (te weten: € 490,-- minus € 92,--) dient te worden gesteld, hetgeen overeenkomt met de in de bijlage genoemde te betalen bedragen. Aangezien [de jong-meerderjarige1] op 11 oktober 2013 meerderjarig is geworden, dient zijn behoefte met ingang van die datum op een bedrag van

€ 306,-- (te weten: € 490,-- minus € 184,--) te worden bepaald.

* de draagkracht van de man

5.12

Vervolgens zal het hof de draagkracht van de man dienen te beoordelen. Zowel de man als de vrouw heeft op dit punt een aantal grieven opgeworpen.

5.13

De rechtbank is bij de beoordeling van de draagkracht van de man in de bestreden beschikking uitgegaan van een bruto jaarinkomen van de man als directeur-grootaandeelhouder (hierna: DGA) van [C] B.V. ter hoogte van € 42.888,--.

5.14

De man is het daarmee niet eens. Hij geeft aan dat zijn huidige inkomen in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling van zijn draagkracht. De man stelt dat hij zijn werkzaamheden als DGA niet langer naar behoren kon uitvoeren, vanwege de enorme schuldenlast en de druk die daaruit voortkwam. Hij is, naar eigen zeggen, door de fiscus in privé aansprakelijk gesteld doordat hij zijn werkzaamheden onbehoorlijk heeft uitgevoerd. Vanwege zijn gezondheidstoestand heeft de man 70% van zijn aandelen overgedragen aan [D], die thans als directeur van [C] de werkzaamheden uitoefent. De man stelt sinds 1 maart 2013 in dienst te zijn bij [C] B.V. voor 20 uren per week tegen een inkomen van € 1.000,-- bruto per maand. De man verwijst in hoger beroep onder meer naar de door hem overgelegde salarisspecificaties en de jaaropgaaf 2013 waaruit een bruto inkomen van € 12.099,-- blijkt. Bij een dergelijk inkomen komt de man, naar eigen zeggen, onder het normbedrag van € 1.050,-- netto per maand, zodat de kinderalimentatie op nihil dient te worden bepaald.

5.15

De vrouw heeft de stellingen van de man met betrekking tot zijn inkomen gemotiveerd weersproken. Onder meer heeft de vrouw de noodzaak van de gewijzigde dienstbetrekking en inkomensverlaging betwist. Volgens de vrouw is sprake van een doelbewuste constructie. Zij vermoedt dat de man ook nog andere inkomsten moet hebben waar hij geen stukken van heeft overgelegd. De vrouw benoemt in dit verband de betrokkenheid van de man bij een tweetal ondernemingen ([E] B.V. en [F] NV). De man heeft in een interview aangegeven eigenaar te zijn van [F] N.V., van welk interview de vrouw een afschrift in het geding heeft gebracht. Daarenboven heeft de man de door hem gestelde gezondheidstoestand niet met medische stukken onderbouwd, terwijl dit wel door hem was toegezegd, aldus de vrouw. Volgens de vrouw blijkt nergens uit dat de man niet meer in staat zou zijn om minimaal het DGA-salaris ter hoogte van € 42.888,-- te genereren dan wel in ieder geval fulltime te gaan werken. Zij merkt op dat het opvallend is dat de rekening-courant verhouding van de man is toegenomen. Voor zover het hof wel van oordeel is dat er sprake is van inkomensverlies, meent de vrouw dat er sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. De vrouw is dan ook primair van mening dat rekening dient te worden gehouden met een bruto jaarinkomen van € 44.184,-- (te weten: het geïndexeerde inkomen van € 42.888,--), dan wel een bruto jaarinkomen van € 42.888,--. Subsidiair meent de vrouw dat uitgegaan dient te worden van een gemiddeld inkomen over de jaren 2011 tot en met 2013 ter hoogte van € 34.229,-- bruto per jaar.

5.16

Het hof is van oordeel dat de man - mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw - onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een daling van zijn inkomen. Het overweegt daartoe als volgt.

5.17

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de man voorheen 100% van de aandelen in [C] B.V. hield, welke onderneming als de moedermaatschappij kan worden aangeduid en [G] B.V. en [E] B.V. als de dochtermaatschappijen. Door de man zijn zowel enkelvoudige jaarstukken ten aanzien van [C] B.V. overgelegd, alsmede geconsolideerde jaarstukken ten aanzien van [C], B.V., [G] B.V. en [E] B.V.

5.18

Door de man zijn daarnaast bescheiden overgelegd waaruit blijkt dat hij 70% van de aandelen in [C] B.V. heeft overgedragen aan zijn partner (te weten: mw. [D]), waarbij zij onder meer zijn overeengekomen dat [D] als algemeen directeur een bruto jaarsalaris van € 20.000,-- en de man als algemeen medewerker en bruto jaarsalaris van

€ 12.000,-- zal ontvangen op basis van een 20-urige werkweek. Deze stukken lijken bevestiging te vinden in de door de man overgelegde arbeidsovereenkomst met [C] B.V., de salarisspecificaties en de jaaropgaaf 2013 waaruit een inkomen van

€ 12.099,-- blijkt.

5.19

Echter, uit de overige stukken komt een ander beeld naar voren. Immers, uit de aangifte inkomstenbelasting 2013 van de man blijkt van een totaal inkomen van de man uit loondienst bij [C] B.V. van € 19.866,-- (te weten: € 12.099,-- + € 7.767,--). Daarbij komt dat uit de geconsolideerde en enkelvoudige jaarstukken niet van een wijziging blijkt, zoals door de man is gesteld. Blijkens de geconsolideerde jaarrekeningen waren er in 2013 - evenals in 2012 - drie werknemers in dienst op basis van een volledig dienstverband. Uit de enkelvoudige jaarstukken van [C] B.V. blijkt dat er in 2013 één werknemer in dienst was op basis van een volledig dienstverband, evenals in 2012 en 2011. De stelling van de man dat hij in 2013, anders dan in de voorgaande jaren, nog slechts parttime werkzaam is vindt derhalve geen steun in de jaarstukken. Daarenboven blijkt ook uit de in de geconsolideerde jaarrekeningen opgenomen brutolonen niet van een wijziging (ten nadele) in het inkomen van de man ten opzichte van voorgaande jaren. Zo is er in 2013 een bedrag van € 102.772,-- en in 2012 een bedrag van € 91.108,-- aan brutolonen uitgekeerd. In de enkelvoudige jaarrekeningen blijkt evenmin van een wijziging, daar er in 2013 een bedrag van € 60.569,--, in 2012 een bedrag van € 42.000,-- en in 2011 een bedrag van € 41.000,-- aan brutolonen is uitbetaald.

5.20

Op vragen van het hof ter zitting in hoger beroep daaromtrent heeft de man geen duidelijkheid kunnen verschaffen. De man heeft weliswaar aangegeven dat zijn bruto inkomen niet € 60.569,-- bedraagt zoals blijkt uit de jaarrekening van [C] B.V., doch hij heeft niet duidelijk kunnen maken op welke loonlijst hij dan wel staat vermeld. Mede gelet op de arbeidsovereenkomst die de man met [C] B.V. zou zijn aangegaan, de door de man overgelegde salarisspecificaties, jaaropgave 2013 en aangifte inkomstenbelasting 2013 waarbij [C] B.V. als werkgever staat genoemd, zou men verwachten dat de man op de loonlijst van [C] B.V. zou staan. De stelling van de man ter zitting in hoger beroep dat [D] dit bedrag dan wel zal ontvangen is evenmin geloofwaardig, nu door de man immers stukken in het geding zijn gebracht waaruit blijkt dat [D] als algemeen directeur € 20.000,-- bruto per jaar zou gaan verdienen. Dit alles maakt de stelling van de vrouw dat sprake is van een doelbewuste constructie van de man, des te meer aannemelijk. Daarbij komt dat de man ter zitting weliswaar heeft aangegeven dat [F] N.V. in het geheel niet actief is, doch uit het door de vrouw overgelegde interview blijkt van het tegendeel. Nu de man geen stukken in het geding heeft gebracht die zijn stelling op dat punt onderbouwen, gaat het hof er vanuit dat de man inkomsten genereert met [F] N.V. De man heeft evenmin een afdoende antwoord kunnen geven op de vraag waarom hij nog immer een rekening-courantverhouding heeft bij [C] B.V. ter hoogte van € 34.889,-- (zoals blijkt uit de geconsolideerde jaarrekening 2013), terwijl de man naar eigen zeggen geen DGA meer is. Voorts is ter zitting gebleken dat - anders dan de man stelt - hij (nog) niet in privé aansprakelijk is gesteld door de fiscus. Ook zijn door hem gestelde en door de vrouw betwiste gezondheidstoestand heeft de man niet onderbouwd met stukken.

5.21

Aangezien het de man is die zich op het standpunt stelt dat hij geen draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, ligt het op zijn weg om dit aannemelijk te maken. De man heeft - gelet op hetgeen de vrouw heeft aangevoerd - niet aannemelijk gemaakt dat er per 1 maart 2013 aan zijn zijde sprake is van een inkomensvermindering. Dit dient naar het oordeel van het hof dan ook voor rekening en risico van de man te blijven. Derhalve ziet het hof aanleiding om - evenals de rechtbank - bij de beoordeling van de draagkracht van de man uit te gaan van het inkomen dat de man ontving als directeur-grootaandeelhouder van [C] B.V. ter hoogte van

€ 42.888,-- bruto per jaar. Het hof zal - anders dan de vrouw heeft verzocht - dit inkomen niet indexeren.

5.22

Evenals conform de Nederlandse richtlijnen gebruikelijk is, kunnen conform de Duitse richtlijnen op de draagkracht van de onderhoudsplichtige bepaalde aftrekposten (waaronder de aflossing van schulden) in mindering worden gebracht.

5.23

De man stelt zich in dat kader op het standpunt dat rekening dient te worden gehouden met zijn schuld aan de Belastingdienst ter hoogte van € 123.912,--, nu hij daarop door middel van een loonbeslag aflost.

5.24

De vrouw is van mening dat hiermee geen rekening dient te worden gehouden, nu de man deze schulden verwijtbaar heeft doen laten ontstaan. De man heeft, zo stelt de vrouw, te weinig inkomen opgegeven waardoor er naheffingsaanslagen zijn opgelegd. Zij stelt zich op het standpunt dat de aflossing op deze schuld niet meegenomen dient te worden, nu de belangen van de kinderen - gelet op de naar het Duitse recht te maken belangenafweging - zwaarder dienen te wegen.

5.25

Het hof is van oordeel dat geen rekening dient te worden gehouden met de door de man gestelde aflossing op de schulden aan de Belastingdienst, aangezien de vrouw onbestreden heeft gesteld dat deze schulden verwijtbaar zijn ontstaan. Dergelijke schulden dienen, naar het oordeel van het hof, niet ten laste te komen van de door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor de kinderen.

5.26

Voorts dient bij de bepaling van de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen rekening te worden gehouden met het zogenoemde 'notwendiger Eigenbedarf' (het bestaansminimum), dat conform de van toepassing zijnde 'Düsseldorfer Tabelle' in geval van kinderalimentatie voor minderjarige kinderen voor werkenden (zoals in de onderhavige zaak de man) per 1 januari 2011 € 950,-- per maand betreft en per 1 januari 2013 € 1.000,-- bedraagt. Indien het netto-inkomen van de man - na vermindering van de vastgestelde bijdrage in de kosten van de kinderen - onder het 'notwendiger Eigenbedarf' uitkomt, dient de kinderalimentatie te worden verminderd. Het normbedrag van € 1.050,-- per maand dat de man noemt, ziet op het normbedrag dat van toepassing is in het geval partneralimentatie wordt opgelegd. Het hof zal derhalve uitgaan van de hiervoor genoemde normbedragen.

5.27

Het hof zal niet - zoals door de vrouw verzocht - het 'notwendiger Eigenbedarf' verminderen met de daarin opgenomen woonlastencomponent, nu het Duitse systeem uitgaat van forfaitaire bedragen en het hof in de onderhavige zaak geen aanleiding ziet om hiervan af te wijken.

5.28

Nu het hof het netto-inkomen van de man heeft berekend op een bedrag van € 2.517,-- per maand en de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen over de periode van 5 september 2012 tot 11 oktober 2013 op een totaalbedrag van € 798,-- per maand (te weten: € 398,-- + € 398,--) en over de periode met ingang van 11 oktober 2013 op een totaalbedrag van € 704,-- per maand (te weten: € 398,--

+ € 306,--) is gesteld, komt de man in beide perioden bij oplegging van die bedragen als onderhoudsverplichting niet onder het bestaansminimum ter hoogte van € 950,-- (over de periode tot 1 januari 2013) dan wel € 1.000,-- (over de periode vanaf 1 januari 2013) per maand terecht.

5.29

Gelet op het vorenstaande zal het hof de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de jong-meerderjarige1] over de periode van 5 september 2012 tot 11 oktober 2013 en de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] over de periode met ingang van 5 september 2012 op een bedrag van € 398,-- per kind per maand bepalen en de door de man aan [de jong-meerderjarige1] te betalen bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud en studie over de periode met ingang van

11 oktober 2013 op een bedrag van €306,-- per maand bepalen.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als na te melden.

7 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 9 oktober 2013, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de jong-meerderjarige1] over de periode met ingang van 5 september 2012 tot 11 oktober 2013 en de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] met ingang van 5 september 2012 op een bedrag van € 398,-- per kind per maand;

bepaalt de door de man aan [de jong-meerderjarige1] te betalen bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud en studie met ingang van 11 oktober 2013 op een bedrag van € 306,-- per maand;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. G. Jonkman, mr. J.D.S.L. Bosch en mr. A.H. Garos, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof op 17 februari 2015 in bijzijn van de griffier.