Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:1803

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-02-2015
Datum publicatie
12-03-2015
Zaaknummer
200.153.748
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het gezag. Sprake van ernstige verwaarlozing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.153.748/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, C/08/151717 / FA RK 14-249)

beschikking van de familiekamer van 17 februari 2015

inzake

[verzoekster],

wonende te [A],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.P. van Vulpen, kantoorhoudend te Haarlem,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming regio Midden Nederland,

kantoorhoudend te Utrecht,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. [de vader],

wonende te [B],

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. E.M. van Zuuk, kantoorhoudende te Zwolle,

2. Stichting William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: WSS,

3. [de pleegouders],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 26 juni 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 30 juli 2014, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en - zo begrijpt het hof - opnieuw rechtdoende het verzoek van de raad tot ontheffing van het gezag van de moeder over [de minderjarige1], geboren [in] 2010 (hierna te noemen: [de minderjarige1]), alsnog af te wijzen.

Ter zitting in hoger beroep hebben de vader en de moeder bevestigd dat het hoger beroep zich niet richt tegen de beslissing van de rechtbank tot ontheffing van het gezag van de vader over [de minderjarige1].

2.2

Van de zijde van de raad is niet tijdig een verweerschrift ontvangen. In de op 13 november 2014 ter griffie van het hof ingekomen pleitnotitie van 29 oktober 2014 heeft de raad het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden en geconcludeerd tot afwijzing van het hoger beroep en bekrachtiging van de bestreden beschikking.

2.3

Ter griffie van het hof zijn verder binnengekomen:

- op 16 september 2014 een brief van 15 september 2014 van mr. Van Vulpen met bijlage;

- op 7 oktober 2014 een journaalbericht van 6 oktober 2014 van mr. Van Vulpen met bijlagen;

- op 15 oktober 2014 een journaalbericht van 14 oktober 2014 van mr. Van Vulpen met bijlagen;

- op 12 november 2014 een journaalbericht van dezelfde datum van mr. Van Zuuk;

- op 22 januari 2015 op verzoek van de het hof een brief van de raad van 21 januari 2015 met als bijlagen het definitieve raadsrapport d.d. 31 januari 2014 en de pleitnotitie van de raad d.d. 29 oktober 2014.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 23 januari 2015 plaatsgevonden. Verschenen is de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad is verschenen de heer [C]. Voorts is verschenen de vader, bijgestaan door zijn advocaat. Namens WSS zijn verschenen mevrouw [D] en mevrouw [E]. De pleegouders zijn - hoewel behoorlijk opgeroepen - niet verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de relatie van de vader en de moeder is [de minderjarige1] geboren. De vader en de moeder oefenden - tot de datum van de bestreden beschikking - gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige1]. De moeder heeft twee andere kinderen: [de minderjarige2] (geboren [in] 2009) en [de minderjarige3] (geboren [in] 2012).

3.2

[de minderjarige1] is met ingang van 2 mei 2011 onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is jaarlijks verlengd, laatstelijk bij beschikking van 16 april 2014 van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, tot 2 mei 2015.

3.3

De rechtbank heeft Bureau Jeugdzorg Overijssel (BJZ), uit te voeren door WSS, gemachtigd om [de minderjarige1] met ingang van 7 september 2011 uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. Die machtiging tot uithuisplaatsing is vervolgens telkens verlengd, laatstelijk bij beschikking van 16 april 2014 van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, tot 2 november 2014.

3.4

Van september 2011 tot december 2011 heeft [de minderjarige1] in een crisisgezin verbleven. Sinds december 2011 verblijft [de minderjarige1] in het huidige perspectief biedende pleeggezin. Het zusje van [de minderjarige1], [de minderjarige3], is direct na haar geboorte [in] 2012 ook bij dit pleeggezin geplaatst.

3.5

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, op 5 februari 2014, heeft de raad verzocht de vader en de moeder te ontheffen van het gezag over [de minderjarige1]. Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft de rechtbank de vader en de moeder ontheven van het gezag over [de minderjarige1] en Bureau Jeugdzorg Overijssel tot voogd benoemd over [de minderjarige1], uit te voeren door WSS.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Op grond van artikel 1:266 (oud) BW, dat in deze zaak van toepassing is gebleven, kan de rechter, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet, een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

4.2

Ingevolge artikel 1:268 lid 1 (oud) BW kan ontheffing niet worden uitgesproken, indien de ouder zich daartegen verzet. Deze regel lijdt ingevolge artikel 1:268 lid 2 onder a (oud) BW uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging dat de minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, af te wenden.

4.3

Gelet op het bepaalde in artikel 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot ontheffing van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

4.4

Vast staat dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] inmiddels langer hebben geduurd dan de hiervoor genoemde termijnen. De maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn in beginsel van tijdelijke aard en dienen gericht te zijn op (het werken aan) de terugkeer van het kind naar de ouder. Deze maatregelen kunnen in situaties als de onderhavige niet eindeloos worden verlengd. Op enig moment dient er duidelijkheid te komen over de (verblijf)situatie van [de minderjarige1] tot haar meerderjarigheid. Uit de duur van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, alsmede uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het perspectief van [de minderjarige1] niet bij de moeder ligt.

4.5

De moeder heeft in hoger beroep aangevoerd dat de beslissing van de rechtbank prematuur is, dat de maatregel ontheffing van het gezag op dit moment te zwaar is en dat er geen nader onderzoek is gedaan naar haar huidige situatie en opvoedingsvaardigheden. Het hof kan zich in het onderhavige geval voorstellen dat het voor de moeder moeilijk is te accepteren dat niet geprobeerd is om expliciet door een objectieve derde de opvoedingsvaardigheden van de moeder te laten vaststellen. Het hof is echter van oordeel dat de uitkomst van een dergelijk onderzoek geen wijziging zou kunnen brengen in het oordeel dat het gelet op de situatie van [de minderjarige1] in haar belang is dat de moeder wordt ontheven van het gezag over [de minderjarige1]. Het hof overweegt daartoe het volgende.

4.6

De relatie van de ouders is geëindigd toen [de minderjarige1] ongeveer zes maanden oud was. Daarna heeft [de minderjarige1] met haar moeder op verschillende adressen gewoond. [de minderjarige1] is toen zij ruim elf maanden oud was uit huis geplaatst omdat er sprake was van ernstige verwaarlozing. In de periode kort na de beëindiging van de relatie van de ouders en voordat [de minderjarige1] in een pleeggezin werd geplaatst is er sprake geweest van seksueel misbruik van [de minderjarige1]. De pleegouders en de gezinsvoogd vermoeden, gelet op het seksueel overschrijdend gedrag van [de minderjarige1] bestaande uit het zich willen uitkleden en de hand van pleegmoeder pakken en in haar luier willen stoppen richting haar vagina en/of de onrust die zij in haar leven heeft ondergaan, dat [de minderjarige1] als gevolg hiervan een onverwerkt trauma heeft opgelopen. Het [F] wilde dit vanwege de jonge leeftijd van [de minderjarige1] echter niet onderzoeken.

Bij [de minderjarige1] is tevens sprake van een taalachterstand die zich zodanig uit dat het ook zorgen oproept over haar sociaal-emotionele ontwikkeling.

Duidelijk is dat [de minderjarige1] een kwetsbaar meisje is dat gelet op haar problematiek en ontwikkelingsachterstand gebaat is bij een stabiele, rustige situatie met duidelijke structuur en voorspelbaarheid in benadering. Pleegouders kunnen haar dit bieden.

In verband met haar achterblijvende taalontwikkeling gaat [de minderjarige1] naar het Audiologisch centrum voor hulp. Als er geen verbetering optreedt, kan [de minderjarige1] niet naar de (reguliere) basisschool. Om deze hulp succesvol te doen laten verlopen, is [de minderjarige1] gebaat bij continuïteit van de hulp, rust en continuïteit van haar woon- en opvoedsituatie.

4.7

[de minderjarige1] groeit thans voorspoedig op bij haar pleegouders, bij wie zij sinds december 2011 verblijft, en zij hecht zich op een positieve manier aan haar pleegouders. Terwijl [de minderjarige1] aanvankelijk 's nachts erg onrustig was en huilbuien had, is hiervan nu geen sprake meer. Ook het seksueel overschrijdend gedrag is inmiddels gestopt. Gelet op de belaste voorgeschiedenis heeft [de minderjarige1] nog steeds veel structuur, duidelijkheid en veiligheid nodig. Deze opvoedkundige aanpak wordt geboden door de pleegouders. Het geeft [de minderjarige1] rust om te weten dat zij altijd bij hen terecht kan.

4.8

Gezien het belaste verleden van [de minderjarige1] en haar kwetsbare ontwikkeling is het voortduren van het hechtingsproces van essentieel belang voor haar ontwikkeling. Het doorbreken van de hechting kan haar ontwikkeling ernstig schaden en het is om die reden van groot belang dat zij in staat zal zijn tot haar zelfstandigheid bij de pleegouders te blijven wonen, wat er ook zij van de opvoedingskwaliteiten van de moeder. De ontstane hechtingsrelatie tussen [de minderjarige1] en het pleeggezin maakt dat zij niet op termijn bij de moeder kan opgroeien en dat de moeder daarmee ongeschikt en onmachtig is om (op termijn) haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen ten aanzien van [de minderjarige1].

4.9

Het hof acht het in het belang van [de minderjarige1] dat door middel van de ontheffing duidelijk wordt dat zij (in ieder geval) tot haar volwassenheid zal opgroeien bij de pleegouders. Die duidelijkheid is te meer van belang nu de moeder de hoop heeft dat [de minderjarige1] op langere termijn bij haar kan komen wonen. Aangezien het perspectief van [de minderjarige1] blijvend in het pleeggezin ligt, zou het voortduren van het gezag van de moeder tot gevolg hebben dat de maatregelen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing jaarlijks zouden dienen te worden verlengd, hetgeen in de toekomst veel onrust en onzekerheid met zich zou brengen, nog daargelaten dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in beginsel van tijdelijke aard dienen te zijn. Bovendien valt niet uit te sluiten dat [de minderjarige1] zou worden belast door de (uitgesproken) wens van de moeder om haar op termijn bij zich te laten wonen.

4.10

Het zwaarwegende belang van [de minderjarige1] bij continuïteit van haar opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces dient naar het oordeel van het hof te prevaleren boven het emotionele belang van de moeder om het gezag over haar te behouden. Het hof is van oordeel dat voldoende gebleken is dat de maatregelen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing - door ongeschiktheid en onmacht van de ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende zijn en zijn geweest om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 (oud) BW af te wenden.

4.11

Het hof wenst ten overvloede nog op te merken dat het feit dat de moeder van het gezag over [de minderjarige1] is ontheven, niet met zich brengt dat zij voor [de minderjarige1] minder belangrijk is. Immers, de moeder zal ondanks de ontheffing altijd de moeder van [de minderjarige1] blijven.

5 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 26 juni 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.D.S.L. Bosch, voorzitter, mr. G.M. van der Meer en mr. J.P. Evenhuis, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 17 februari 2015 in bijzijn van de griffier.