Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:1781

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-03-2015
Datum publicatie
13-03-2015
Zaaknummer
12/00238 en 12/00247
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2012:BX6022, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur in de periode vanaf de ontvangst van de renseignementen tot het versturen van de vragenbrief het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. Belanghebbenden beantwoorden deze vraag bevestigend, de Inspecteur beantwoordt deze ontkennend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/528
V-N 2015/28.24.3
FutD 2015-0668
NTFR 2015/1927 met annotatie van Mr. R.H.J. Aelen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

nummers 12/00238 en 12/00247

uitspraakdatum: 10 maart 2015

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

erven [X] (hierna: belanghebbenden)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 19 juli 2012, nummers AWB 09/460 en 11/428, in het geding tussen belanghebbenden en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur)

1 Verzoek en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbenden is over het jaar 1995 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, waarbij bij beschikking een bedrag aan te betalen heffingsrente is vastgesteld.

1.2

Aan belanghebbenden is over het jaar 1996 een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting (hierna: de VB) opgelegd, waarbij bij beschikking een bedrag aan te betalen heffingsrente is vastgesteld.

1.3

Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 20 januari 2009 heeft de Inspecteur onder meer de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente gehandhaafd.

1.4

Belanghebbenden zijn tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft bij uitspraak van 19 juli 2012 onder meer het beroep tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996 en de daarbij vastgestelde heffingsrentebeschikkingen ongegrond verklaard.

1.5

Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.7

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2014 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord de voormalige gemachtigde van belanghebbenden, mr.drs. [A], alsmede mr. [B] namens de Inspecteur, bijgestaan door [C]. Het onderzoek ter zitting is geschorst in afwachting van het arrest van de Hoge Raad in de zaak met nummer 13/03554.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is toegezonden.

1.9

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2014 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord de voormalige gemachtigde van belanghebbenden, mr.drs. [A], alsmede mr. [B] namens de Inspecteur, bijgestaan door [C].

1.10

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

2.1

[X] (hierna: [X]) is [in] 2007 overleden. [X] was gehuwd met [D] (hierna: zijn echtgenote).

2.2

[X] bezat samen met zijn echtgenote een bankrekening bij [e-bank] (hierna: [e-bank]). Het inkomen daaruit en het vermogen heeft hij niet opgenomen in zijn aangiften IB/PVV 1995 en VB 1996.

2.3

De Belastingdienst heeft op de hierna te beschrijven wijze ontdekt dat [X] deze bankrekening bezat. De Inspecteur heeft op 19 december 2007 de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996 aan belanghebbenden als erfgenamen van [X] opgelegd.

2.4

Bij brief van 18 februari 2005 heeft de Belgische Bijzondere Belastinginspectie in het kader van een spontane uitwisseling van inlichtingen op grond van de EG-richtlijn van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid‑Staten op het gebied van de directe belastingen en heffingen op verzekeringspremies (77/799/EEG, hierna: de Richtlijn) papieren gegevens verstrekt aan de FIOD-ECD/Team Internationaal te Haarlem (verder de renseignementen). De renseignementen bevatten lijsten met gegevens (namen, valuta, data, nummers, en bedragen) over rekeningstanden per 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996. De zogenoemde rekeningstandenlijsten bevatten in totaal ongeveer 2000 namen. De renseignementen bestaan uit een Nota met twaalf bijlagen. De bijlagen behorende bij de Nota zijn genummerd als B1, B2, enzovoorts. B1, B2 en B6 zijn rekeningstandenlijsten. B9 betreft een adressenlijst.

2.5

Op 1 maart 2005 heeft de FIOD-ECD de renseignementen ontvangen. De FIOD-ECD heeft de renseignementen (met namen en bedragen, alsmede – maar niet altijd – voorletter(s) en voorvoegsels) omgezet in digitale bestanden.

2.6

Vanaf april 2005 heeft [E], EDP-auditor/onderzoeker en medewerker van de Belastingdienst, een model ontwikkeld met als uitgangspunt een geautomatiseerde identificatie. Daarbij heeft hij het sofinummer van de (vermoedelijke) gerechtigden gekoppeld aan de gerenseigneerde bankrekeningnummers, het zogenoemde sofiëren. Indien en voor zover uit de vergelijking met het systeem Beheer van relaties slechts één persoon met de ingevoerde combinatie van voorletters, achternaam-achternaam naar voren kwam, is deze persoon door [E] als rekeninghouder aangemerkt. Als [E] niet met zekerheid de koppeling van één bankrekeningnummer aan één natuurlijke persoon heeft kunnen maken, heeft hij meerdere mogelijke sofinummers aan dat bankrekeningnummer gekoppeld. Voorts heeft hij daarbij aangegeven wie de meest waarschijnlijke gerechtigde is. Over zijn werkzaamheden heeft hij op 23 januari 2014 ter zitting van het gerechtshof te Amsterdam (vermeld in onder meer de uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam van 22 april 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1411) verklaard:

“Ik heb mijn urenoverzicht bekeken en daaruit blijkt dat ik er tussen de acht en twintig uur per week aan gewerkt heb. Het aantal uren varieert. Mij staat niet bij dat mij is gezegd wanneer de opdracht af moest zijn. [...]

Er zijn een aantal problemen die ik tegenkwam bij de identificatie van de namen.

Een naam kan op verschillende manieren op een bankafschrift staan. In deze bestanden stonden een naam, een tweede naam, voorvoegsels en voorletters. Maar er stonden ook voorletters en voorvoegsels op allerlei plekken in de naam. Je moet dus de namen op een uniforme manier gaan schrijven voordat je ermee kunt werken. Bijvoorbeeld de eerste of tweede naam eruit halen en mogelijke combinaties bekijken. De letters “vd” kunnen voorletters zijn of afkortingen van voorvoegsels. Ik moest dit dus bij mijn analyse controleren: zijn er mensen met die specifieke voorvoegsels/voorletters.

Al deze mensen kunnen de potentiele kandidaat voor dat rekeningnummer zijn. Soms staat een voorvoegsel achteraan, dat kan van de eerste of de tweede naam zijn. Ik moest daar langdurig aandacht aan besteden om dit uniform te krijgen alvorens zoekslagen te kunnen verrichten. Is ‘Y’ bijvoorbeeld ‘Y’ of ‘IJ’. In ‘[naam 5]’ moet ik alle ‘[naam 5]’ met ‘ij’ en met ‘y’ nemen. Dit moet allemaal in een bestand zodat de beslisser hierover een beslissing kan nemen. Dit heb ik per naam gedaan met programmatuur maar ik moest er ook een visuele blik over laten gaan. Er gaat dus veel tijd in zitten. […]

Vrij snel nadat ik begon met de opdracht zag ik dat de identificatie van rekeninghouders zou lukken. Vooral bij hele specifieke namen of mensen met ‘Q’ en ‘X’ in hun voorletters.”

2.7

In het kader van zijn werkzaamheden heeft [E] namen van de afschriften op een eenduidige wijze geschreven (waarbij bij twijfel alle mogelijkheden onderzocht moesten worden), geautomatiseerde zoekvragen bedacht, query’s aangevraagd, informatie gekoppeld en een rangorde van mogelijke rekeninghouders gemaakt. Hij heeft ongeveer 80 bestanden aangemaakt.

2.8

[E] heeft gedurende de periode april 2005 tot en met november 2005 aan het project gewerkt, daarna heeft hij in februari 2006 nog een aanpassing aan het opgeleverde model gedaan.

2.9

Het managementteam van de Belastingdienst heeft vervolgens mede aan de hand van de resultaten van [E]’ onderzoek besloten verder te gaan met de renseignementen voor heffingsdoeleinden. Daarbij hebben zij gekozen voor een projectmatige aanpak.

2.10

De Kennisgroep Landelijke Acties is met de projectmatige aanpak belast. Over de aanpak door de Kennisgroep Landelijke Acties heeft [F], tijdens een zitting van de rechtbank Leeuwarden op 21 maart 2012, als getuige verklaard:

“Vanaf het voorjaar 2006 ben ik betrokken geraakt bij het project Bank zonder naam. Dat heeft geduurd tot begin 2008. (…)

De stand van zaken in maart 2006 van het project Bank zonder naam was dat het werd overgedragen aan de Kennisgroep Landelijke Acties. Er moesten voorbereidende werkzaamheden worden verricht om tot actie over te gaan. (…) Ik ben betrokken geweest bij de risico-analyse van het project Bank zonder naam. Dat hoort bij een projectmatige aanpak. Er bestaan altijd risico’s en die moet ik beoordelen. Een van de zorgen was dat er niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel mocht worden gehandeld. Een andere zorg was dat alle voorschriften nageleefd moesten worden en dat er geen ongewenste effecten zouden optreden. (…) Ook is bekeken wat de aanpak van het project Bank zonder naam betekende voor andere projecten. Dit heeft al met al tot de zomer van 2006 geduurd. (…)

Identificeren en sofiëren is niet voldoende om een vragenbrief te sturen naar een belastingplichtige. Daarvoor is meer informatie nodig. Er moet nagekeken worden of er al aangifte is gedaan en of er wel een belang is. Dat vergt meer onderzoek. Er moeten ook rechtsvragen worden beantwoord, zoals de vraag of in een bepaald geval wel een brief verstuurd mag worden. De rechtsvragen worden niet individueel beantwoord. Dat gebeurt in één keer voor de hele groep. De aangifte wordt per individu beoordeeld.(…)”

2.11

In een op 20 september 2011 gedagtekend document heeft [F] verklaard:

“In de periode tussen maart 2006 zijn en augustus 2006 zijn de eventuele risico’s die een projectaanpak met zich mee kon brengen onderzocht en zijn een aantal rechtsvragen beantwoord. Verder heeft er afstemming plaatsgevonden met het Ministerie van Financiën over verschillende aspecten van de projectaanpak. Daarnaast is er voortgegaan met het verifiëren en veredelen van gegevens en het identificeren van rekeninghouders.”

2.12

Over de voortzetting van het project Bank zonder naam heeft [F] verklaard, dat de Kennisgroep Landelijke Acties eerst het project Bank zonder naam “op de rails” heeft gezet. Deze werkzaamheden hebben tot de zomer van het jaar 2006 geduurd. Daarna is de beslissing genomen om het project voort te zetten en is een projectleider gezocht.

2.13

Na de werving van een projectleider op 24 augustus 2006, drs. [G], is het project Bank zonder naam voortgezet. Over de taken van de projectleider staat in het Draaiboek Bank zonder naam, versie 7 maart 2007:

“1.5. Opdracht

De projectleider heeft de volgende opdracht:

- draag zorg voor de identificatie en sofiëring van de beschikbare renseignementen;

- ontwikkel een draaiboek voor de administratiefrechtelijke behandeling van de posten op de regiokantoren;

- draag zorg voor eenheid van beleid en uitvoering door afstemming van de verschillende onderdelen, door een geïntegreerde aanpak en door een strakke regie op de uitvoering;

- draag zorg voor voortgangsbewaking, informatie en communicatie en (tussentijdse) rapportage.”

2.14

In november 2006 hebben zogenoemde kick-off bijeenkomsten plaatsgevonden waarbij medewerkers van de Belastingdiensteenheden zijn geïnformeerd over de aard, de achtergronden en de wijze van aanpak van het project.

2.15

Het versturen van vragenbrieven door de Belastingdiensteenheden is enkele weken opgeschort, nadat op 24 november 2006 de [e-bank] aangifte had gedaan van afpersing.

2.16

Bij brief van 7 maart 2007 heeft de Inspecteur vragen aan [X] verstuurd, deze brief wordt hierna aangeduid als: “de vragenbrief”.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur in de periode vanaf de ontvangst van de renseignementen tot het versturen van de vragenbrief het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. Belanghebbenden beantwoorden deze vraag bevestigend, de Inspecteur beantwoordt deze ontkennend.

3.2

Belanghebbenden verwijzen voor de onderbouwing van hun standpunt naar de uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam van 3 juli 2014 zonder overlegging van die uitspraak.

3.3

De Inspecteur heeft in hoger beroep twee pleitnota’s overgelegd die hij heeft overgelegd tijdens zittingen van het gerechtshof te Amsterdam. In de pleitnota’s wordt gereageerd op de uitspraken van dat gerechtshof van 22 april 2014 en 3 juli 2014.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt voorts aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5

Belanghebbenden concluderen tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur en vernietiging van de navorderingaanslagen en heffingsrentebeschikkingen.

3.6

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank

4 Beoordeling van het geschil

4.1

De in geding zijnde navorderingsaanslagen zijn niet opgelegd binnen vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. De Inspecteur heeft zich erop beroepen dat de navorderingsaanslagen betrekking hebben op inkomsten die zijn opgekomen en vermogen dat is aangehouden in het buitenland, zodat de bevoegdheid tot navordering op grond van artikel 16, vierde lid, van de AWR pas is vervallen door verloop van twaalf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Belanghebbenden stellen daartegenover dat de Inspecteur in de periode vanaf de ontvangst van de renseignementen tot het versturen van de vragenbrief niet voortvarend heeft gehandeld, dat de verlengde navorderingstermijn in zoverre buiten toepassing moet blijven wegens strijd met het Europese recht en dat de navorderingsaanslagen en beschikkingen daarom moeten worden vernietigd.

4.2

Na beantwoording door het Hof van Justitie bij arrest van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C-155/08 en C-157/08, BNB 2009/222, van door de Hoge Raad gestelde vragen over de uitleg van het evenredigheidsbeginsel, heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 26 februari 2010, nrs. 43050bis en 43670bis, ECLI:NL:HR:BJ9092 en ECLI:NL:HR:BJ9120, BNB 2010/199 en 200, regels geformuleerd die in verband met het door het Hof van Justitie genoemde evenredigheidsbeginsel in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de (verlengde) termijn van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn van artikel 16, derde lid, van de AWR is verstreken. Op grond van de door het Hof van Justitie gegeven uitleg over de (eventuele inbreuk op) artikel 49 en 56 EG-Verdrag, oordeelt de Hoge Raad dat het evenredigheidsbeginsel zich er niet tegen verzet dat de Inspecteur met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot verlengde navordering, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van in het buitenland aangehouden spaartegoeden. De daaruit voortvloeiende beperking van het vrije verkeer moet worden aanvaard indien de navorderingsaanslag wordt opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan

4.3

Niet in geschil is dat de renseignementen die de FIOD-ECD op 1 maart 2005 heeft ontvangen de eerste aanwijzing vormden dat belastingplichtigen, waartoe [X] behoorde, buitenlandse spaartegoeden hebben aangehouden. Uit het arrest HR 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:689, BNB 2014/137 volgt dat moet worden aangenomen dat de Nederlandse belastingautoriteiten vanaf het moment van ontvangst door de FIOD-ECD van de gegevens van de Belgische autoriteiten, aan de hand daarvan een onderzoek konden instellen met het oog op de (eventuele) vaststelling van navorderingsaanslagen. Aan de hand van de renseignementen kon de FIOD-ECD nog niet met zekerheid vaststellen om welke individuele belastingplichtigen het ging. Het tijdsverloop dat noodzakelijkerwijs met het onderzoek daarnaar gemoeid is, moet tevens in aanmerking worden genomen bij het oordeel of de navorderingsaanslagen met de vereiste voortvarendheid zijn opgelegd.

4.4

In het hiervoor genoemde arrest BNB 2014/137 heeft de Hoge Raad voorts het volgende overwogen over de tijd die noodzakelijk is voor het door de FIOD-ECD ingestelde onderzoek naar de renseignementen:

“3.4.2. De Hoge Raad neemt bij de beoordeling van dit middelonderdeel tot uitgangspunt dat in een geval als het onderhavige, waarin gegevens over in het buitenland ondergebracht vermogen zijn verkregen die een groot aantal in Nederland wonende personen betreffen, de Belastingdienst over voldoende tijd moet kunnen beschikken om met voldoende mate van zekerheid vast te stellen om welke individuele belastingplichtigen het gaat en vervolgens ten aanzien van de betrokken belastingplichtigen te beoordelen of, en zo ja, voor welk bedrag belasting van hen kan worden nagevorderd. In gevallen als het onderhavige kan de Belastingdienst verder in redelijkheid tot het oordeel komen dat een landelijke coördinatie en een projectmatige aanpak geboden zijn. Indien daarvoor wordt gekozen moet tevens rekening worden gehouden met de tijd die met een zodanige aanpak en coördinatie gemoeid is, waaronder begrepen de tijd die benodigd is voor het ontwikkelen van beleid voor de behandeling van individuele gevallen, ook ten aanzien van het opleggen van boeten waartoe gelet op het bepaalde in (thans) Afdeling 5.4.1 Awb ook overleg met het openbaar ministerie geboden kan zijn. Met deze werkzaamheden, waarbij ook in het belang van de betrokken belastingplichtigen zorgvuldigheid moet worden betracht, kan geruime tijd gemoeid zijn.

3.4.3.

De belastingautoriteiten hebben beoordelingsvrijheid bij de organisatie en inrichting van al deze werkzaamheden. Die vrijheid is echter niet onbegrensd. Gelet op de eisen die voortvloeien uit het recht van de Europese Unie mogen de werkzaamheden niet worden georganiseerd en ingericht op een zodanige wijze dat een voortvarende behandeling onvoldoende gewaarborgd is.

3.4.4.

Opmerking verdient dat de vereiste voortvarendheid in ieder geval niet is betracht indien bij de werkzaamheden als vermeld in 3.4.2 een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden (vgl. HR 27 september 2013, nr. 12/00738, ECLI:NL:HR:2013:717, BNB 2013/234).”

4.5

Belanghebbenden onderbouwen hun standpunt dat de FIOD-ECD niet voortvarend zou hebben gehandeld in vorenbedoelde zin door te verwijzen naar de onder 3.2. genoemde uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam. Het is partijen bekend dat hiermee wordt gedoeld op de uitspraken van 3 juli 2014, nrs. 12/00799 t/m 12/00804, 12/00809 en 12/00810, ECLI:NL:GHAMS:2014:2556 en 3 juli 2014, nrs. 12/01062 en 12/01063, ECLI:NL:GHAMS:2014:2557, waarin wordt verwezen naar de uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam van 22 april 2014, 22 april 2014, nrs. 12/00929 en 12/01060, ECLI:NL:GHAMS:2014:1411. Deze uitspraken hebben alle betrekking op de zogenoemde “Bank zonder naam”-zaken. Uit deze uitspraken volgt dat de Belastingdienst reeds in het tweede kwartaal van 2005 - in ieder geval niet later dan november 2005 - met een voldoende mate van zekerheid had kunnen vaststellen dat ten aanzien van een substantieel aantal individuele belastingplichtigen mogelijk zou kunnen worden nagevorderd. Alsdan had de Belastingdienst op dat moment in redelijkheid tot het oordeel moeten komen dat een landelijke coördinatie en een projectmatige aanpak geboden waren. Nu dat in die periode is nagelaten brengt dit mee dat niet de vereiste voortvarendheid in acht is genomen. Met de keuze om “het project op te delen in (volgtijdige) fasen” en de wijze waarop de Belastingdienst dat gedaan heeft, heeft de Belastingdienst ook in strijd met de voortvarendheidseis gehandeld.

4.6

De Inspecteur brengt hier tegen in, dat het na ontvangst van de renseignementen niet onredelijk was de identificatiewerkzaamheden bij één persoon onder te brengen. Het was in maart 2005 niet duidelijk in hoeverre de ontvangen gegevens bruikbaar waren en tot enige vorm van belastingopbrengst zouden kunnen leiden. De Belastingdienst heeft ervoor gekozen een model te ontwikkelen voor het op geautomatiseerde wijze identificeren van rekeninghouders, zodat in een keer zoveel mogelijk rekeninghouders geïdentificeerd konden worden. De aard van deze werkzaamheden, het ontwikkelen van dit model, brengt mee dat slechts één persoon daarmee belast kon worden en dat de inzet van meer personen geen tijdwinst zou hebben opgeleverd. Met de informatie van de FIOD-ECD heeft het managementteam van de Belastingdienst een besluit kunnen nemen; de FIOD-ECD heeft geen beslissingsbevoegdheid over het in behandeling geven van de uitkomsten van het onderzoek van [E]. Het besluit van het managementteam van de Belastingdienst bestaat uit een keuze uit diverse opties voor het gebruik van de renseignementen: niets doen, het minimale doen of iets doen. Als wordt besloten tot gebruik van de renseignementen, moet het managementteam van de Belastingdienst een keuze maken op welke wijze de renseignementen behandeld zullen moeten worden: projectmatig of regulier. Elk van deze keuzes brengt verschillende risico’s, kosten en baten met zich mee en heeft consequenties voor de (project)organisatie en de aansturing. Eerst na het opleveren van de onderzoeksresultaten door de FIOD-ECD, heeft het managementteam van de Belastingdienst besloten dat en op welke wijze de renseignementen behandeld zullen gaan worden. Het is volgens de Inspecteur geen reële optie werkzaamheden te (laten) verrichten door een projectleider voor een project waarvan nog niet vast staat dat het doorgang zal vinden. Gelet op de beschikbare capaciteit binnen de Belastingdienst moeten steeds keuzes worden gemaakt welke werkzaamheden wel en welke niet uitgevoerd kunnen worden. Het niet eerder aanstellen van een projectleider dan op het moment dat definitief wordt besloten een project uit te voeren past volgens de Inspecteur binnen de beoordelingsvrijheid die de Belastingdienst heeft bij de organisatie en inrichting van zijn werkzaamheden. In de periode na het besluit tot een projectmatige aanpak tot aan het daadwerkelijk versturen van de vragenbrief hebben in het project Bank zonder naam diverse werkzaamheden plaatsgevonden. Deze werkzaamheden zijn onder andere het regelen van capaciteit in de regio’s, het informeren van de medewerkers in de regio’s, het bouwen van een projectapplicatie, het opstellen van een draaiboek, het opstellen van standaardbrieven, het verifiëren van de ontvangen gegevens (van “bekenners” en de chi-kwadraattoets) en het voeren van overleg met het openbaar ministerie en de landsadvocaat. De werkzaamheden die in deze fase van het voortraject zijn verricht, zijn volgens de Inspecteur onlosmakelijk verbonden aan de keuze om de werkzaamheden binnen de Belastingdienst op eenduidige en gelijke wijze uit te laten voeren.

4.7

Het Hof overweegt hierover het volgende. De Belastingdienst moet de werkzaamheden op een zodanige wijze organiseren en inrichten dat een voortvarende behandeling voldoende gewaarborgd is. Daarvan is geen sprake indien van de Belastingdienst met het oog op de vereiste voortvarendheid en met in achtneming van de risico-analyse en de kosten- en batenafweging, redelijkerwijs een andere organisatie van de te verrichten werkzaamheden had verlangd mogen worden dan de organisatie die de Belastingdienst heeft gekozen.

4.8

De Inspecteur heeft met hetgeen hij heeft aangedragen aannemelijk gemaakt dat de Belastingdienst haar werkzaamheden op een zodanige wijze heeft georganiseerd en ingericht dat een voortvarende behandeling voldoende gewaarborgd is. Van een onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden is het Hof niet gebleken (vgl. HR 27 september 2013, nr. 12/00738, ECLI:NL:HR:2013:717, BNB 2013/234).

4.9

Voor zover belanghebbenden stellen dat de Belastingdienst niet voortvarend heeft gehandeld, omdat de Belastingdienst heeft nagelaten tot een landelijke coördinatie en een projectmatige aanpak te besluiten op het moment dat het de Belastingdienst duidelijk was dat de renseignementen voldoende informatie bevatten om met voldoende mate van zekerheid vast te stellen wie de rechthebbende tot de desbetreffende bankrekening is (geweest), merkt het Hof het volgende op. Zoals het Hof hiervoor onder 4.8 heeft overwogen, heeft de Belastingdienst de werkzaamheden op zodanige wijze ingericht dat de voortvarende behandeling voldoende is gewaarborgd. Tot een wijziging van de organisatie is de Belastingdienst gehouden indien een bijzondere omstandigheid optreedt, waardoor de voortvarende behandeling zonder wijziging van de organisatie niet langer is gewaarborgd. Belanghebbenden hebben onvoldoende gesteld dat zich een dergelijke bijzondere omstandigheid heeft voorgedaan, zodat het onder 4.8 gegeven oordeel geen wijziging behoeft.

4.10

Alsdan is tussen partijen niet in geschil dat het hoger beroep ongegrond moet worden verklaard.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 10 maart 2015 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(K. de Jong-Braaksma )

(R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 11 maart 2015

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.