Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:1585

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-03-2015
Datum publicatie
13-03-2015
Zaaknummer
14/00598, 14/00599, 14/00600, 14/00601
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:3235, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Inkomsten uit drugshandel. Strafrechtelijke veroordeling. Vermogensvergelijking. Vereiste aangifte. Omkering en verzwaring van bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/533
V-N 2015/25.19.14
FutD 2015-0664
NTFR 2015/1104 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummers 14/00598 t/m 14/00601

uitspraakdatum: 3 maart 2015

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 mei 2014, nummers AWB 13/2615, 13/2617, 13/2618 en 13/2619, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd voor het jaar 2009. Daarbij is heffingsrente in rekening gebracht. Aan belanghebbende is voorts een navorderingsaanslag over 2007 en aanslagen voor 2008 en 2009 in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd. Daarbij is telkens heffingsrente in rekening gebracht.

1.2

Deze aanslagen en beschikkingen inzake de heffingrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar verminderd.

1.3

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft vervolgens – met dagtekening 12 februari 2015 – twee nadere stukken ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, de van de Rechtbank ontvangen dossiers die op deze zaken betrekking hebben.

1.6

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 22 januari 2015 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord: belanghebbende, diens gemachtigde mr. [A] alsmede [B] en mr. [C] namens de Inspecteur.

1.7

De Inspecteur heeft een pleitnota overgelegd.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is ongehuwd. Hij woont op het adres [a-straat] 39 te [Z]. Deze woning vormt een ‘eigen woning’ in de zin van de eigenwoningregeling als bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001. Belanghebbende is lichamelijk gehandicapt. Hij gebruikt een rolstoel en een speciaal aangepaste auto. Belanghebbende was in de onderhavige jaren (2007 tot en met 2009) in dienstbetrekking werkzaam bij [D]. Daarnaast genoot hij een uitkering van het UWV wegens arbeidsongeschiktheid. Per 1 januari 2006 is mevrouw [E] bij belanghebbende als ‘huispersoneel’ in dienst getreden. Zij wordt betaald uit een persoonsgebonden budget van belanghebbende. Mevrouw [E] heeft een op 11 april 2011 gedagtekende schriftelijke verklaring aan de Inspecteur overgelegd, waarin zij verklaart dat zij voor belanghebbende kleding heeft gekocht en boodschappen heeft gedaan en doet gedurende een aantal jaren.

2.2

Met betrekking tot zijn woning aan de [a-straat] 39 te [Z] had belanghebbende een hypothecaire geldlening afgesloten. De hoofdsom van deze lening beliep € 95.000. In 2006 heeft belanghebbende de hypothecaire lening ‘overgesloten’ en verhoogd tot € 225.000. In verband hiermee heeft de notaris in juni 2006, na aftrek van kosten, een bedrag van € 124.740 op de bankrekening van belanghebbende gestort. In augustus 2006 heeft belanghebbende in totaal € 110.000 overgeboekt naar de bankrekening van zijn moeder in Suriname.

2.3

Tot de stukken van het geding behoren, kennelijk in 2006 opgestelde, documenten met betrekking tot de bouw van een woning in Suriname. In die documenten is een bedrag van US$ 130.000 vermeld voor de bouw van deze woning. De moeder van belanghebbende is in die stukken als koper genoemd. In zijn aangifte IB/PVV 2006 heeft belanghebbende vermeld dat ‘extra hypotheek wordt gebruikt voor nieuw te bouwen woning in Suriname’. In zijn aangiften IB/PVV vanaf 2010 heeft belanghebbende in box 3 een woning in Suriname verantwoord.

2.4

Belanghebbende is van eind november 2007 tot medio januari 2008 en van eind november 2008 tot medio januari 2009 in Suriname geweest. Aldaar heeft hij in het huis van zijn moeder verbleven. De kosten van de op de reis van eind november 2007 tot medio januari 2008 betrekking hebbende vliegticket naar Suriname bedroegen € 975.

2.5

Belanghebbende bezat een auto met kenteken [00-YY-YY]. In februari 2009 heeft belanghebbende een andere auto (een Cabriolet) gekocht bij de firma [F] auto’s te [L]. Deze auto, met kenteken [00-YYY-0], is op verschillende onderdelen grondig aangepast aan de wensen van belanghebbende (onder meer de ombouw van handgeschakeld naar automaat en vervanging van diverse onderdelen door BMW-onderdelen). Belanghebbende heeft voor de aankoop van de auto € 20.000 contant betaald. Voorts heeft hij zijn auto met kenteken [00-YY-YY] ingeruild voor € 15.000. In opdracht van belanghebbende heeft taxateur [G], verbonden aan [H] b.v. te [M], de door belanghebbende gekochte auto getaxeerd. In zijn op 20 maart 2009 opgemaakte taxatierapport heeft de taxateur een waarde aan de auto toegekend van € 72.500. In zijn rapport heeft de taxateur onder meer geschreven:

ALGEHELE INDRUK: Deze mooie [F] S 6C 4.4 is ook technisch in een vrijwel nieuwstaat gezet. Het geheel is nieuw gebouwd op een BMW 645i Cabriolet chassis van 2007 en met originele BMW delen afgebouwd met er bij “Extra’s” genoemde accessoires. Het geheel is volledig BMW en volledig aangepast aan de lichamelijke beperkingen van de eigenaar. De wagen is onlangs in Nederland nieuw gebouwd. Na de uitvoerige taxatie achten wij de tellerstand als zijnde 30.185 km correct.

Staat van de wagen is waargenomen zonder enige demontage en laat zich mechanisch en uiterlijk alsook het interieur, omschrijven als:

“ UITSTEKEND”

(…)’.

2.6

Naar aanleiding van een tweetal meldingen via het meldpunt Meld Misdaad Anoniem en een aantal meldingen van de Criminele Inlichtingen Eenheid die erop neerkomen dat belanghebbende zich schuldig zou maken aan het dealen van drugs, is ten aanzien van belanghebbende in november 2008 een strafrechtelijk onderzoek ingesteld door de FIOD-ECD. In het kader van dit onderzoek zijn onder meer gesprekken via de telefoon van belanghebbende afgeluisterd en is gebruik gemaakt van een observatieteam.

2.7

Op 7 april 2009 is belanghebbende als verdachte aangehouden en is zijn woning door opsporingsambtenaren, onder leiding van een rechter-commissaris, doorzocht. Daarbij is ongeveer 80 gram cocaïne in beslag genomen en een geldbedrag in contanten van € 8.145, waaronder acht biljetten van € 500 en vijf biljetten van € 200.

2.8

Op die dag – 7 april 2009 – had [I] de woning van belanghebbende bezocht. [I] is eveneens op 7 april 2009 aangehouden door de politie. Hij had toen 0,4 gram cocaïne in zijn bezit. Ten overstaan van de politie heeft [I] onder meer verklaard dat: hij cocaïne koopt bij belanghebbende, het daarbij meestal om een halve gram per keer gaat, een halve gram € 25 kost, hij per week € 75 kwijt is aan het kopen van drugs en dat hij ongeveer drie jaar geleden voor het eerst drugs bij belanghebbende heeft gekocht.

2.9

Naar aanleiding van de bevindingen van het strafrechtelijke onderzoek (delen van het proces-verbaal behoren tot de gedingstukken) is belanghebbende door de strafrechter in hoger beroep bij arrest van 18 maart 2011 (nr. 21-002976-09) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden voor handel in en bezit van cocaïne en voor het witwassen van geld en goederen in de periode van 28 januari 2009 tot en met 7 april 2009. Voorts is belanghebbende door de strafrechter in hoger beroep bij arrest van 18 maart 2011 (nr. 21-003116-09) in het kader van een ontnemingsprocedure veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 29.154 aan de Staat ter ontneming van het door belanghebbende wederrechtelijk verkregen voordeel in de periode van april 2006 tot en met 7 april 2009. Daarbij is de strafrechter ervan uitgegaan dat belanghebbende in genoemde periode van 3 jaar daadwerkelijk in totaal 117 weken heeft gehandeld en dat per week gemiddeld 15 huisbezoeken hebben plaatsgevonden, zodat 1755 keer (117 x 15) cocaïne is verkocht door belanghebbende voor een prijs van € 25 per keer, zodat de opbrengst € 43.875 bedraagt. Aan kosten heeft de strafrechter een bedrag van € 14.721 in aanmerking genomen. Belanghebbende heeft tegen deze arresten geen beroep in cassatie ingesteld.

2.10

In de aangiften IB/PVV en Zvw voor de jaren 2007 tot en met 2009 heeft belanghebbende geen inkomsten uit de handel in cocaïne verantwoord. Belanghebbende heeft voor de jaren 2007 tot en met 2009 aangiften IB/PVV gedaan naar belastbare inkomens uit werk en woning van onderscheidenlijk € 19.878, € 17.258 en € 7.654.

2.11

Naar aanleiding van de bevindingen en veroordelingen in het kader van het strafrechtelijke onderzoek, heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat belanghebbende in zijn aangiften inkomsten jegens de fiscus heeft verzwegen. Om de omvang van de verzwegen inkomsten te bepalen, heeft de Inspecteur een vermogensvergelijking opgesteld. Deze vermogensvergelijking behelst het volgende.

2006

2007

2008

2009

2010

Vermogen per

01-01-2006

01-01-2007

01-01-2008

01-01-2009

01-01-2010

Eigen woning

€ 185.000

€ 185.000

€ 185.000

€ 185.000

€ 185.000

Woning Suriname

-

€ 106.171

€ 106.171

€ 106.171

€ 106.171

Banktegoeden

€ 25.012

€ 10.563

€ 13.392

€ 16.335

€ 6.259

Contant geld

-

-

-

-

€ 8.155

Schuld eigen woning

-/- € 95.000

-/- € 95.000

-/- € 95.000

-/- € 95.000

-/- € 95.000

Schuld woning Suriname

-

-/- € 130.000

-/- € 130.000

-/- € 130.000

-/- € 130.000

Totaal vermogen

€ 115.012

€ 76.734

€ 79.563

€ 82.506

€ 80.585

Netto looninkomsten

€ 17.723

€ 18.304

€ 17.272

€ 8.542

Zorgtoeslag

€ 384

€ 445

€ 547

€ 687

Uitbetaalde VT

€ 1.471

€ 1.470

€ 1.485

€ 1.490

Totaal inkomen

€ 19.578

€ 20.219

€ 19.304

€ 10.719

Theoretisch eindvermogen

€ 134.590

€ 96.953

€ 98.867

€ 93.225

€ 80.585

Werkelijk eindvermogen

€ 96.953

€ 98.867

€ 93.225

€ 80.585

Bruto privé

€ 37.637

-/- € 1.914

€ 5.642

€ 12.640

Benoemde posten

[F] auto

€ 20.000

Levensonderhoud

€ 6.000

€ 6.000

€ 6.000

€ 1.500

Reizen Suriname

€ 2.000

€ 2.000

€ 2.000

-

Vakantie

€ 788

€ 975

-

-

Niet in geschil zijnde posten

€ 55.728

€ 18.799

€ 20.046

€ 15.682

Totaal benoemde posten

€ 64.516

€ 27.774

€ 28.046

€ 37.182

Netto privé

-/- € 26.879

-/- € 29.688

-/- € 22.404

-/- € 24.542

Aanschaf auto’s in Suriname

€ 40.000

-

-

-

Hogere aanschafprijs [F] auto

-

-

-

€ 52.500

Totaal netto privé

-/- € 66.879

-/- € 29.688

-/- € 22.404

-/- € 77.042

2.12

Op basis van deze vermogensvergelijking heeft de Inspecteur de aanslagen voor de jaren 2006 tot en met 2009 voor de IB/PVV en voor de jaren 2007 tot en met 2009 voor de Zvw aan belanghebbende opgelegd. Bij het vaststellen van de navorderingsaanslag IB/PVV 2006 is het bedrag van € 66.879 als belast inkomen uit werk en woning in aanmerking genomen, bij het vaststellen van de navorderingsaanslag IB/PVV 2007 het bedrag van € 29.688, bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2008 het bedrag van € 22.404 en bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2009 het bedrag van € 77.042. De aanslag IB/PVV 2009 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 85.000. De (navorderings)aanslagen in de ZvW voor de jaren 2007, 2008 en 2009 zijn opgelegd naar een bijdrage-inkomen van respectievelijk € 29.122, € 22.742 en € 32.369.

2.13

De bezwaren van belanghebbende tegen de belastingaanslagen IB/PVV 2006, 2007 en 2008 zijn door de Inspecteur ongegrond verklaard. De bezwaren tegen de aanslag IB/PVV 2009 zijn door de Inspecteur ten dele gegrond verklaard. De Inspecteur heeft om die reden enkele wijzigingen aangebracht in de vermogensvergelijking. De netto looninkomsten zijn verlaagd van € 8.542 naar € 7.962, zodat het bruto privé uitkomt op € 12.060. De benoemde posten zijn verhoogd van € 37.182 naar € 42.649, zodat het netto privé (voor de correctie van de [F] auto) uitkomt op minus € 30.589 en de correctie in verband met de [F] auto is verlaagd van € 52.500 naar € 37.500. Bij uitspraak op bezwaar is voor de aanslag IB/PVV 2009 uitgegaan van het uit de aangepaste vermogensvergelijking voortvloeiende negatief privé van € 68.089 (€ 30.589 plus € 37.500). Het belastbare inkomen uit werk en woning is in verband hiermee nader vastgesteld op € 76.416. De (navorderings)aanslagen Zvw 2007, 2008 en 2009 zijn naar aanleiding van de bezwaren van belanghebbende verminderd tot (navorderings)aanslagen berekend naar een bijdrage-inkomen van onderscheidenlijk € 8.330 (2007), € 10.530 (2008) en € 21.670 (2009). Dit vanwege de omstandigheid dat de Inspecteur bij het vaststellen van de (navorderings)aanslagen Zvw voor die jaren geen rekening had gehouden met de bedragen aan inkomensafhankelijke bijdragen die reeds waren ingehouden op het loon van belanghebbende. Bij alle aanslagen is telkens heffingsrente in rekening gebracht.

2.14

De Rechtbank heeft de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar inzake de belastingaanslagen IB/PVV 2006, 2007 en 2008 en de daarbij genomen heffingsrentebeschikkingen niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn voor het instellen van beroep.

2.15

De beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar inzake de aanslag IB/PVV 2009 en (navorderings)aanslagen Zvw 2007, 2008 en 2009 en de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente zijn door de Rechtbank ongegrond verklaard.

2.16

Het Hof heeft in zijn heden gedane uitspraak inzake het geschil tussen partijen met betrekking tot de belastingaanslagen IB/PVV 2006, 2007 en 2008 en de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente (rolnummers 14/00595 t/m 14/00597) geoordeeld dat de Rechtbank het beroep van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de – in bezwaar verminderde – aanslag IB/PVV 2009 en de – in bezwaar verminderde – (navorderings)aanslagen Zvw 2007, 2008 en 2009 tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

3.2

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.3

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraken op bezwaar, tot vernietiging van de (navorderings)aanslagen Zvw 2007, 2008 en 2009 en tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2009.

3.4

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Algemeen

4.1

Gelet op het tot de gedingstukken behorende (delen van het) proces-verbaal van de FIOD-ECD inzake het strafrechtelijke onderzoek naar belanghebbende, in het bijzonder op de daarin opgenomen verklaringen van [I], op de in 2.6 en 2.7 vermelde feiten en gelet op de strafrechtelijke veroordeling in hoger beroep door de strafrechter, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende in de periode april 2006 tot en met 7 april 2009 inkomsten uit de handel in drugs heeft genoten.

4.2

In aanmerking genomen het zo-even genoemde proces-verbaal, het – tot de gedingstukken behorende – Proces-verbaal inzake wederrechtelijk verkregen voordeel van de FIOD-ECD (AH-88), de verklaringen van [I], en de uitspraak van de strafrechter in hoger beroep in de ontnemingsprocedure, acht het Hof aannemelijk dat het voordeel uit de drugshandel voor belanghebbende in de periode april 2006 tot en met 7 april 2009 ten minste € 29.154 heeft belopen.

4.3

In zijn aangiften IB/PVV 2009 en Zvw 2007, 2008 en 2009 heeft belanghebbende geen inkomsten uit drugshandel verantwoord.

Navorderingsaanslag Zvw 2007

4.4

Op de gronden vermeld in overweging 10 van de aan deze uitspraak gehechte uitspraak van de Rechtbank – welke gronden het Hof voor zover zij betrekking hebben op het jaar 2007 overneemt en tot de zijne maakt – acht het Hof aannemelijk dat de door belanghebbende in 2007 met de handel in drugs behaalde inkomsten (ten minste) € 9.718 hebben belopen. Dat is hoger dan het bijdrage-inkomen dat door de Inspecteur bij de uitspraak op bezwaar inzake de navorderingsaanslag Zvw 2007 is gecorrigeerd (te weten € 8.330). Mitsdien moet worden geconcludeerd dat de na bezwaar verminderde navorderingsaanslag Zvw 2007 niet te hoog is vastgesteld.

Aanslag Zvw 2008

4.5

De Inspecteur heeft de correctie met betrekking tot het bijdrage-inkomen voor het jaar 2008 van – na bezwaar – € 10.530 gebaseerd op de door hem opgestelde vermogensvergelijking (zie 2.11). Belanghebbende heeft deze vermogensvergelijking op verschillende punten gemotiveerd betwist.

4.6

Het Hof heeft de Inspecteur ter zitting voorgehouden dat de vermogensvergelijking voor het jaar 2008 voor wat betreft het in aanmerking genomen bedrag aan ‘werkelijk eindvermogen’ van € 93.225 niet juist lijkt te zijn, omdat daarin kennelijk de inkomsten (netto-looninkomsten, zorgtoeslag en voorlopige teruggaaf) van 2009 zijn verwerkt. De Inspecteur heeft ter zitting erkend dat dit het geval is en dat zulks niet juist is.

4.7

Belanghebbende heeft onder meer gesteld dat bepaalde vermogensbestanddelen ten onrechte (woning Suriname) zijn meegenomen in de vermogensvergelijking van de Inspecteur en andere vermogensbestanddelen (auto en inventaris/inboedel) ten onrechte niet. Die stelling kan belanghebbende echter niet baten. De onderhavige vermogensvergelijking dient immers ertoe zicht te verkrijgen op de inkomsten en uitgaven van belanghebbende. Wanneer vermogensbestanddelen, zoals hier (behoudens de bankrekening), eenzelfde begin- en eindwaarde hebben, hebben die vermogensbestanddelen geen invloed op de berekende inkomsten en uitgaven. De vermogensbestanddelen leiden dan niet tot een hoger ‘bruto privé’.

4.8

Gelet op het hiervoor in 4.6 en 4.7 overwogene, kan de vermogensvergelijking voor het jaar 2008 worden vereenvoudigd tot de volgende ‘kasopstelling’:

2008

Vermogen per 01-01-2008

Banktegoeden

€ 13.392

Vermogen per 01-01-2009

Banktegoeden

€ 16.335

Mutatie

-/- € 2.943

Netto looninkomsten

€ 17.272

Zorgtoeslag

€ 547

Uitbetaalde VT

€ 1.485

Totaal inkomen

€ 19.304

Bruto privé

€ 16.361

Benoemde posten

Levensonderhoud

€ 6.000

Reizen Suriname

€ 2.000

Overige niet in geschil zijnde posten

€ 20.046

Totaal benoemde posten

€ 28.046

Netto privé

-/- € 11.685

4.9

Ter zitting hebben beide partijen desgevraagd aangegeven zich hiermee te kunnen verenigen.

4.10

Belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd aangegeven van de benoemde posten de post ‘levensonderhoud’ van € 6.000 te betwisten en de post ‘reizen naar Suriname’ van € 2.000. Met betrekking tot de post ‘levensonderhoud’ heeft belanghebbende ter zitting desgevraagd erkend dat hij zelf ongeveer € 300 per maand heeft besteed aan uitgaven voor levensonderhoud. Zijn kleding en boodschappen worden volgens belanghebbende door mevrouw [E] betaald. Als tegenprestatie kookt hij voor haar, aldus belanghebbende. In aanmerking genomen dat mevrouw [E] bij belanghebbende als ‘huispersoneel’ in dienst is en zij wordt betaald uit een persoonsgebonden budget van belanghebbende, acht het Hof niet aannemelijk dat mevrouw [E], naast haar eigen uitgaven voor levensonderhoud, voor eigen rekening kleding en boodschappen voor belanghebbende betaalt. De door haar overgelegde verklaring (2.1) doet daaraan niet af, aangezien in die verklaring niet wordt gerept over het betalen van kleding en boodschappen. Gelet op een en ander, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende in 2008 (ten minste) € 6.000 aan kosten van levensonderhoud heeft uitgegeven.

4.11

Met betrekking tot de post ‘reizen naar Suriname’ heeft de Inspecteur een bedrag van € 2.000 in aanmerking genomen. Nu belanghebbende ter zitting heeft bevestigd dat hij in november 2008 naar Suriname is gereisd, is aannemelijk dat hij, evenals een jaar eerder, voor een vliegticket (ongeveer) € 975 heeft betaald. De vraag of belanghebbende daarnaast nog € 1.025 in Suriname heeft uitgegeven – hetgeen door belanghebbende wordt betwist – behoeft geen beantwoording. Uitgaande van € 6.000 aan kosten van levensonderhoud, € 975 aan reizen naar Suriname en de bedragen van de overige benoemde posten die niet door belanghebbende zijn betwist, volgt immers een netto-privé van negatief € 10.660. Dit is meer dan het bijdrage-inkomen dat door de Inspecteur – na bezwaar – in aanmerking is genomen (te weten € 10.530).

4.12

De uitkomst van de (herziene) ‘vermogensvergelijking’ op een bedrag van tenminste negatief € 10.660 voor netto privé duidt erop dat belanghebbende in 2008 meer geld heeft uitgegeven dan hij aan (zichtbare) inkomsten heeft genoten. Zulks vraagt om een verklaring. Belanghebbende heeft in dit verband gesteld dat hij zijn uitgaven mede, naast zijn inkomsten uit dienstbetrekking en uitkering, heeft bekostigd uit de in 2006 afgesloten hypothecaire geldlening. Van het bedrag van € 110.000, dat hij heeft overgeboekt naar de bankrekening van zijn moeder in Suriname, is € 40.000 besteed aan een nieuw gebouwde woning in Suriname die eigendom van zijn moeder is. Het restant van € 70.000 is, aldus belanghebbende, door zijn moeder opgenomen van de bankrekening en door haar in haar huis bewaard. Wanneer hij in Suriname was gaf zijn moeder hem, aldus nog steeds belanghebbende, telkens enkele duizenden euro’s in contanten. Het Hof acht dit betoog ongeloofwaardig. Niet alleen heeft belanghebbende in zijn aangiften IB/PVV aangegeven over een huis in Suriname te beschikken van € 130.000 (zie 2.3), zodat het aannemelijk is dat belanghebbende het bedrag van € 110.000 daaraan heeft besteed; het is daarnaast ook, zonder enige nadere onderbouwing die echter ontbreekt, niet geloofwaardig dat de moeder van belanghebbende € 70.000 van de bankrekening zou hebben gehaald en dat bedrag in contanten in huis zou hebben bewaard om het vervolgens in delen in contanten aan belanghebbende te overhandigen die de contante gelden vervolgens mee naar Nederland zou hebben genomen.

4.13

Gelet op het hiervoor overwogene, is naar het oordeel van het Hof aannemelijk dat belanghebbende het bedrag van de uitgaven in 2008 dat uitstijgt boven zijn zichtbare inkomsten, heeft gefinancierd met inkomsten die niet jegens de fiscus zijn verantwoord. Zoals hiervoor in 4.2 is geoordeeld, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende ook in 2008 inkomsten uit drugshandel heeft genoten. Gelet hierop is aannemelijk dat belanghebbende in 2008 ten minste € 10.530 aan inkomsten uit drugshandel heeft genoten. Deze inkomsten zijn door belanghebbende niet verantwoord in de aangifte Zvw 2008. Gelet op een en ander, is de correctie van het bijdrage-inkomen met een bedrag van € 10.530 door de Inspecteur terecht.

IB/PVV 2009

4.14

Voor het jaar 2009 luidt de vereenvoudigde vermogensvergelijking:

2009

Vermogen per 01-01-2009

Banktegoeden

€ 16.335

Vermogen per 01-01-2010

Banktegoeden

€ 6.259

Contant geld

€ 8.155

Mutatie

€ 1.921

Netto looninkomsten

€ 7.962

Zorgtoeslag

€ 687

Uitbetaalde VT

€ 1.490

Totaal inkomen

€ 10.139

Bruto privé

€ 12.060

Benoemde posten (niet in geschil)

€ 42.649

Netto privé

-/- € 30.589

Hogere aanschafprijs [F] auto

€ 37.500

Totaal netto privé

-/- € 68.089

4.15

De in de – door de Inspecteur in bezwaar aangepaste – vermogensvergelijking voor het jaar 2009 benoemde posten ten bedrage van € 42.649 (zie 2.13) zijn door belanghebbende – desgevraagd ter zitting – niet betwist. Dit betekent dat belanghebbende in 2009 € 30.589 meer heeft uitgegeven dan hij aan zichtbare inkomsten heeft genoten. Zulks vraagt evenzeer om een verklaring. Ook voor deze uitgaven heeft belanghebbende gesteld dat die uitgaven zijn bekostigd door de hypothecaire lening uit 2006. Op de gronden vermeld in overweging 4.12, acht het Hof dit echter niet aannemelijk. Naar het oordeel van het Hof is aannemelijk dat belanghebbende het bedrag van de uitgaven van € 30.589 dat uitstijgt boven zijn zichtbare inkomsten in 2009, evenzeer heeft gefinancierd met inkomsten die niet jegens de fiscus zijn verantwoord. Zoals hiervoor in 4.1 en 4.2 is geoordeeld, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende in 2009 inkomsten uit drugshandel heeft genoten. Gelet hierop, is aannemelijk dat belanghebbende in 2009 ten minste € 30.589 aan inkomsten uit drugshandel heeft genoten. In zijn aangifte IB/PVV 2009 heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning verantwoord van € 7.654.

4.16

De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende voor het jaar 2009 niet de ‘vereiste aangifte’ heeft gedaan, zodat – gelet op het bepaalde in artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) – de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, hetgeen betekent dat belanghebbende overtuigend dient aan te tonen dat het bij de uitspraak op bezwaar nader vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning van € 76.416 onjuist is.

4.17

Bij de beoordeling van de vraag of belanghebbende te dezen de vereiste aangifte niet heeft gedaan omdat sprake is van inhoudelijke gebreken in de aangifte, dient te worden onderzocht i) of sprake is van één of meer gebreken in die aangifte die ertoe leiden dat de volgens die aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting, ii) of het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven op zichzelf beschouwd aanzienlijk is, en iii) of belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte dit laatste wist dan wel zich dit laatste bewust moet zijn geweest (HR 9 januari 2015, nr. 13/03820, ECLI:NL:HR:2015:17).

4.18

Er is sprake van een gebrek in de aangifte IB/PVV 2009 aangezien daarin ten minste een bedrag van € 30.589 aan inkomsten uit drugshandel niet is verantwoord door belanghebbende. Het volgens de aangifte verschuldigde belasting over een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.654 is naar het oordeel van het Hof verhoudingsgewijs aanzienlijk lager dan de werkelijk verschuldigde belasting over een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.243 (€ 7.654 plus € 30.589). Het bedrag van de belasting dat als gevolg van het genoemde gebrek in de aangifte niet zou worden geheven over het bedrag van € 30.598 is op zich zelf beschouwd aanzienlijk. Gelet op het feit dat belanghebbende inkomsten uit drugshandel heeft verzwegen, moet belanghebbende naar het oordeel van het Hof ten tijde van het doen van de aangifte IB/PVV 2009 zich van dit laatste bewust zijn geweest.

4.19

Gelet op het overwogene in 4.18, moet worden geconcludeerd dat belanghebbende – naar de Rechtbank terecht heeft geoordeeld – de ‘vereiste aangifte’ IB/PVV 2009 niet heeft gedaan, zodat – gelet op artikel 27e AWR – de bewijslast moet worden ‘omgekeerd en verzwaard’. Dit betekent dat belanghebbende moet doen blijken, dat wil zeggen overtuigend dient aan te tonen, dat de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur onjuist is.

4.20

Deze zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast laat evenwel onverlet dat de Inspecteur gehouden is bij het ambtshalve vaststellen van de aanslag (uitspraak op bezwaar) uit te gaan van een redelijke schatting van het inkomen van belanghebbende. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag (uitspraak op bezwaar) naar willekeur wordt vastgesteld door een inspecteur (vgl. HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013: BX7184). In dat kader rust op een inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan (vgl. HR 27 januari 2006, nr. 39872, ECLI:NL:HR:2006:AV0401). Wanneer de inspecteur daarin slaagt, ligt het vervolgens op de weg van de belastingplichtige, wanneer hij de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren (vgl. HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013: BX7184).

4.21

De Inspecteur heeft bij het doen van de uitspraak op bezwaar inzake de aanslag IB/PVV 2009 een bedrag van € 37.500 aan inkomsten in aanmerking genomen welk bedrag verband houdt met de aankoop van de [F] auto. Dit bedrag is door de Inspecteur onder verwijzing naar het in 2.5 genoemde taxatierapport onderbouwd met de stelling dat ervan mag worden uitgegaan dat belanghebbende € 72.500 voor de auto heeft betaald. Nu in de vermogensvergelijking reeds € 20.000 aan contante betaling in aanmerking is genomen en belanghebbende voorts voor de inruil van zijn oude auto € 15.000 heeft gekregen, is het volgens de Inspecteur redelijk aan te nemen dat belanghebbende nog een bedrag van € 37.500 heeft betaald voor de aanschaf van de auto.

4.22

Gelet op het genoemde taxatierapport en gelet op de omstandigheid dat een duidelijke factuur met betrekking tot alle aankoopkosten van de auto ontbreekt, kan naar het oordeel van het Hof niet worden gezegd dat de schatting van de Inspecteur op dit punt de redelijkheidstoets niet kan doorstaan. Het is derhalve aan belanghebbende om overtuigend aan te tonen dat de Inspecteur ten onrechte het bedrag van € 37.500 in de vermogensvergelijking in aanmerking heeft genomen. Hierin is hij naar het oordeel van het Hof niet geslaagd. De enkele stelling dat sprake is van ‘eigen bouw’ acht het Hof daartoe niet voldoende.

4.23

De Inspecteur is ervan uitgegaan dat het bedrag van € 37.500 door belanghebbende is gefinancierd met voor de fiscus verzwegen inkomsten. Dat uitgangspunt is, gelet op de omstandigheid dat belanghebbende in drugs heeft gehandeld, niet onredelijk. Belanghebbende is niet erin geslaagd overtuigend aan te tonen dat het bedrag van € 37.500 geen belaste inkomsten van 2009 vormen.

4.24

De conclusie luidt derhalve dat het door de Inspecteur – na bezwaar – vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning van € 76.416 niet te hoog is.

Zvw 2009

4.25

Gelet op de in overweging 4.14 vermelde conclusie, kan evenmin worden gezegd dat het door de Inspecteur na bezwaar nader vastgestelde bijdrage-inkomen van € 21.670 te hoog is.

Heffingsrente

4.26

Het hoger beroep van belanghebbende wordt mede geacht te zijn gericht tegen de in rekening gebrachte heffingsrente. Belanghebbende heeft geen afzonderlijke klachten aangevoerd tegen de beschikkingen inzake de heffingsrente. Nu het hoger beroep inzake de in dit geding zijnde aanslagen geen doel treft, bestaat geen grond voor vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente.

slotsom

De grieven van belanghebbende falen. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2015.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel)

(R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op : 4 maart 2015.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.