Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:1556

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-03-2015
Datum publicatie
09-03-2015
Zaaknummer
200.158.155
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging kinderalimentatie; vaststelling behoefte kind, kindgebonden budget en alleenstaande-ouderkop

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0094
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.158.155

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 362122)

beschikking van de familiekamer van 3 maart 2015

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.M. Wigman te Den Haag,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M. Vleesch du Bois te De Bilt.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 30 juli 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift, ingekomen op 23 oktober 2014;

  • -

    het verweerschrift, ingekomen op 3 december 2014;

  • -

    een journaalbericht van mr. Wigman van 29 januari 2015 met bijlagen, ingekomen op
    2 februari 2015;

  • -

    een journaalbericht van mr. Vleesch du Bois van 2 februari 2015 met bijlagen, ingekomen op 3 februari 2015.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 10 februari 2015 plaatsgevonden. De man is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. De vrouw is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat en [A], tolk in de Turkse taal.

2.3

Ter mondelinge behandeling heeft mr. Vleesch du Bois een bijlage overgelegd, te weten een jaaropgave 2014 van de vrouw.

2.4

Artikel 1.4.4 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

2.5

Desgevraagd hebben mr. Vleesch du Bois en mr. Wigman ter mondelinge behandeling meegedeeld dat zij over en weer voldoende hebben kunnen kennisnemen van de ingediende journaalberichten van respectievelijk 29 januari 2015 en 2 februari 2015 en de ter mondelinge behandeling overgelegde bijlage, dat zij zich voldoende hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat zij instemmen met overlegging van die stukken zonder nadere maatregel van het hof. Het hof slaat daarom ook acht op die stukken.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is op 3 maart 2008 ontbonden door echtscheiding.

3.2

Partijen zijn de ouders van:

  • -

    de thans meerderjarige [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1995, en

  • -

    [kind 2], geboren op [geboortedatum] 2000.

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [kind 2].

3.3

Bij (echtscheidings)beschikking van 31 oktober 2007 heeft de rechtbank Utrecht, onder andere, bepaald dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] € 200,- per maand zal voldoen.

3.4

Bij beschikking van 23 april 2008 heeft de rechtbank Utrecht met verwijzing naar hetgeen de man en de vrouw zijn overeengekomen, bepaald dat de man maandelijks € 250,- netto per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw zal betalen. Deze bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2014 ingevolge de wettelijke indexering € 278,71 per maand.

3.5

De man, geboren op [geboortedatum] 1975, is alleenstaand. Uit een relatie met [B] (hierna: [B]) is op [geboortedatum] 2014 [kind 3] (hierna: [kind 3]) geboren. De man heeft [kind 3] erkend.

3.6

De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1975, vormt met [kind 2] een gezin.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2]. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de man de beschikking van de rechtbank Utrecht van 23 april 2008 te wijzigen in die zin dat de kinderalimentatie ten behoeve van [kind 2] per datum inleidend verzoekschrift, ofwel per 1 februari 2014 wordt vastgesteld op nihil, althans op een door de rechtbank redelijk te achten bedrag, afgewezen.

4.2

De man is met vijf grieven in hoger beroep gekomen tegen de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, zijn verzoek in eerste aanleg alsnog toe te wijzen, in die zin dat de kinderalimentatie per datum verzoekschrift althans per 1 februari 2014 althans per datum hoger beroepschrift wordt vastgesteld op nihil althans op een bedrag dat het hof juist acht, met bepaling dat de vrouw de te veel ontvangen kinderalimentatie binnen vier weken na datum van deze beschikking aan hem dient terug te betalen. De man heeft zijn verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar verklaring bij voorraad ingetrokken.

4.3

De vrouw verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, althans zijn beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

In de eerste plaats is aan de orde of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW). Tussen partijen staat vast dat de man na 2007 minder uren in loondienst is gaan werken (van een 40-urige naar een 32-urige werkweek), zodat naar het oordeel van het hof in dit geval reeds hierom sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW die vanaf 1 februari 2014 een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigt. Hiermee slaagt grief 1, waardoor de man met betrekking tot de vraag of hij ontvankelijk is in zijn verzoek geen belang heeft bij de bespreking van de grieven 2 tot en met 4.

5.2

Op 1 april 2013 zijn nieuwe aanbevelingen voor de berekening van kinderalimentatie van de Expertgroep Alimentatienormen (hierna: de Expertgroep) uitgebracht. Deze aanbevelingen zullen worden toegepast bij wijzigingen in de behoefte die zich na 1 januari 2013 hebben voorgedaan en bij wijzigingen in de draagkracht die zich na 1 april 2013 hebben voorgedaan dan wel bij bijdragen die nadien voor het eerst worden vastgesteld.

5.3

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [kind 2] in 2007 € 350,- per maand bedroeg. Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt haar behoefte per 1 januari 2014
€ 398,78 per maand en per 1 januari 2015 € 402,- per maand.

5.4

Over het jaar 2014 strekt op dit bedrag in mindering het kindgebonden budget over dat jaar van € 104,- per maand, zodat voor dat jaar moet worden uitgegaan van een resterende behoefte van [kind 2] van € 294,78 per maand.

Voor het jaar 2015 geldt het volgende. Tussen partijen is evenmin in geschil dat in 2015 de hoogte van het kindgebonden budget, inclusief de alleenstaande-ouderkop, € 359,- per maand bedraagt. De advocaat van de man heeft ter mondelinge behandeling bij dit hof erop gewezen dat dit bedrag per 1 januari 2015, conform de aanbeveling van de Expertgroep), op de geïndexeerde behoefte van € 402,- per maand in 2015 in mindering dient te strekken. De advocaat van de vrouw betwist dat. Hij stelt dat in dit geval aanleiding bestaat om af te wijken van de aanbeveling van de Expertgroep, omdat tegenover de stijging van het kindgebonden budget met € 255,- per maand voor de vrouw verlies staat van € 174,22 per maand aan toeslag op haar WAO-uitkering. Het hof ziet in dit geval geen aanleiding af te wijken van voormelde aanbeveling van de Expertgroep, nu het mogelijk verlies aan een toeslag die ertoe dient om te voorkomen dat het inkomen van een uitkeringsgerechtigde, in dit geval de vrouw, tot onder het sociaal minimum daalt, niets althans onvoldoende afdoet aan de omstandigheid dat de vrouw over een kindgebonden budget beschikt dat speciaal is bestemd voor de verzorging en opvoeding van [kind 2] en met welk budget dus bij de vaststelling van de behoefte van [kind 2] rekening gehouden dient te worden. Het hof merkt in dit verband nog op dat de Toeslagenwet nog steeds bestaat en dat de vrouw in aanmerking zou kunnen komen voor een toeslag op grond van die wet, indien mocht blijken dat haar inkomen daalt tot onder het sociaal minimum. Dit alles betekent dat de behoefte van [kind 2] met ingang van 1 januari 2015 op (€ 402,- minus € 359,- =) € 42,- per maand moet worden gesteld.

5.5

Het hof ziet geen aanleiding op de behoefte van [kind 2] in 2014 en 2015een bedrag zorgkorting in mindering te brengen. Zoals de man ter mondelinge behandeling bij dit hof heeft toegelicht, ziet hij [kind 2] bij de oma en opa (vz), omdat hij geen geschikte woonruimte heeft waar hij haar kan ontvangen. Nu [kind 2] bij de opa en oma eet en slaapt tijdens de bezoekmomenten, acht het hof niet, althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de man in natura bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] die toepassing van de zorgkorting rechtvaardigt.

5.6

De man stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om enige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] te betalen. De vrouw betwist dat.

5.7

Het hof stelt voorop dat op de man een wettelijke plicht rust bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2]. Indien de man, zoals hij stelt, over onvoldoende draagkracht beschikt, dan is het aan hem met feiten, zoveel mogelijk onderbouwd aan de hand van schriftelijke stukken, aannemelijk te maken dat hij onvoldoende draagkrachtig is. Hoewel de man zijn jaarinkomen uit arbeid in 2014 inzichtelijk heeft gemaakt met de cumulatieven op de salarisstrook van december 2014, heeft hij nagelaten zijn huurinkomsten uit twee panden in [woonplaats] toereikend te specificeren. Zo heeft de man niet-ondertekende huurovereenkomsten overgelegd, ontbreken (voldoende inzichtelijke) schriftelijke bewijsstukken van huurbetalingen en heeft hij desgevraagd geen toereikende verklaring ervoor kunnen geven dat de door hem verhuurde kamers voor € 420,- per maand per kamer via internet worden aangeboden, terwijl hij naar eigen zeggen € 350,- per maand per kamer aan huur ontvangt. De verklaring van de man dat hij geen bewijs van huurbetaling kan overleggen omdat zijn huurders, veelal studenten, hem contant betalen, overtuigen het hof niet. Zo dit al het geval zou zijn, dan had de man ten minste kwitanties van huurbetalingen kunnen overleggen. Nu de man daarmee zijn totale inkomsten onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt, heeft hij niet althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij sinds 1 februari 2014 de draagkracht mist om de door de rechtbank Utrecht bij beschikking van 23 april 2008 vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] te betalen. Dit betekent dat de man, overeenkomstig de resterende behoefte van [kind 2] van € 294,78 per maand in 2014 en van € 42,- per maand in 2015, dient bij te dragen in haar levensonderhoud.

Aan een draagkrachtvergelijking en een herberekening van de draagkracht van de man met ingang van 19 november 2014 vanwege de geboorte van [kind 3], zoals de man heeft verzocht, komt het hof niet meer toe, nu het daartoe benodigde volledige inzicht in de inkomsten van de man ontbreekt. Grief 5 behoeft dan ook geen verdere bespreking.

5.8

Uit het voorgaande volgt dat het hof de bestreden beschikking, zij het op andere gronden, zal bekrachtigen voor de periode tot 1 januari 2015, zal vernietigen voor zover het betreft de periode vanaf 1 januari 2015 en, opnieuw beschikkende, zal bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2015 met € 42,- per maand aan de vrouw zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2].

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van
30 juli 2014, voor de periode tot 1 januari 2015;

vernietigt die beschikking voor zover het betreft de periode vanaf 1 januari 2015 en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank van 23 april 2008 voor zover het betreft de periode vanaf 1 januari 2015, en bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2015 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] € 42,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J. Laurentius-Kooter, R. Krijger en J.P. Balkema, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. Krijger, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op 3 maart 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.