Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:1539

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-02-2015
Datum publicatie
12-03-2015
Zaaknummer
200.155.267 /01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk gezag en omgangsregeling. Beide verzoeken van de vader afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.155.267/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/98541/FA RK 13-1032)

beschikking van de familiekamer van 24 februari 2015

inzake

[verzoeker],

wonende te [A],

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. W. Geersen-Janssen, kantoorhoudend te Enschede,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [B],

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. G.J. van der Veer, kantoorhoudend te Meppel.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van de rechtbank Assen (het hof leest: rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen) van 4 juni 2014 is het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en de minderjarige [de minderjarige1], geboren [in] 2004 in de gemeente [B] (hierna: [de minderjarige1]) en het verzoek van de vader om gezamenlijk met de moeder te worden belast met het gezag over [de minderjarige1], afgewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 3 september 2014, is de vader in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 4 juni 2014. De vader verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:
1. een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [de minderjarige1] inhoudende dat
hij eenmaal per veertien dagen van vrijdagavond 17.00 uur tot zondag 18.00 uur
omgang heeft met [de minderjarige1], alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, danwel
een zodanige regeling als Uw rechtbank (het hof leest: het hof) in goede justitie zal
bepalen;
2. te bepalen dat de vader tevens zal worden belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige1].

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 16 oktober 2014, heeft de moeder het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van de beschikking.

2.3

Het hof heeft voorts kennisgenomen van het journaalbericht met bijlagen
(processen-verbaal) van mr. Geersen-Janssen van 9 december 2014. Verder heeft de raad het hof, desgevraagd, bij brief van 21 oktober 2014 laten weten niet te beschikken over nadere adviezen of rapportages in de onderhavige zaak.

2.4

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het hof gehouden te Leeuwarden op 5 februari 2015, waarbij zijn verschenen de moeder en haar advocaat mr. Van der Veer, mr. Geersen-Janssen namens de vader. Verder zijn namens de raad verschenen, in het kader van zijn adviserende taak, de heer [C] en mw. [D].

3 Feiten en achtergronden

3.1

De voornoemde minderjarige [de minderjarige1], thans tien jaar oud, is geboren uit de relatie die partijen met elkaar hebben gehad.

3.2

[de minderjarige1] is door de vader erkend en verblijft sinds het uiteengaan van partijen bij de moeder, die van rechtswege alleen het gezag over haar uitoefent.

3.3

De vader heeft sinds 2007 een relatie met mw. [E]. Zij hebben samen drie kinderen gekregen en wonen in [A].

3.4

De moeder heeft sinds 2009 een relatie met haar huidige partner dhr. [F]. Zij hebben samen één zoontje gekregen. [de minderjarige1] woont samen met haar halfbroertje in het gezin bij de moeder en [F] in [B].

3.5

De partners van partijen ([F] en [E]) zijn met elkaar gehuwd geweest en hebben samen twee kinderen ([G] en [H]). [G] en [H] wonen in het gezin bij de vader en [E]. Zij zijn in 2011 onder toezicht gesteld.

3.6

Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 12 april 2013, heeft de vader de rechtbank verzocht om hem voortaan gezamenlijk met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige1] en een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [de minderjarige1] als nader omschreven in dat verzoekschrift.

3.7

Ter zitting van 25 juli 2013 is zijdens de vrouw mondeling verweer gevoerd en verzocht om de verzoeken van de vader af te wijzen.

3.8

Bij tussenbeschikking van 7 augustus 2013 heeft de rechtbank de raad verzocht een onderzoek in te stellen met betrekking tot de verzoeken van de vader en daaromtrent te rapporteren en te adviseren. In zijn rapport van 20 december 2013 heeft de raad geadviseerd om het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag af te wijzen en geen omgangsregeling vast te leggen tussen [de minderjarige1] en de vader.

3.9

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank overeenkomstig het advies van de raad beslist en de verzoeken van de vader tot wijziging van het ouderlijk gezag over [de minderjarige1] en vaststelling van een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige1], afgewezen. Hiertegen richt zich het hoger beroep van de vader.
De standpunten

3.10

De vader heeft in zijn beroepschrift vier grieven aangevoerd die zich aldus laten samenvatten dat er geen zorgvuldig en onafhankelijk onderzoek heeft plaatsgevonden door de raad, dat ten onrechte is geoordeeld dat er teveel belemmerende factoren zijn voor het vaststellen van de omgangsregeling en dat zulks mede aan de hand van proefcontacten dient te worden beoordeeld. Ten slotte acht de vader partijen in staat om gezamenlijk het gezag uit te oefenen over [de minderjarige1].

3.11

De moeder heeft de grieven van de vader bestreden en schaart zich achter het advies van de raad en de bestreden beschikking.

3.12

De raad heeft ter zitting in hoger beroep zijn advies gehandhaafd omdat er weinig is veranderd maar daaraan toegevoegd dat het opvolgen van het advies van de raad, uiteindelijk voor [de minderjarige1] geen oplossing biedt omdat zij een moeder en een vader heeft die beiden belangrijk in haar leven (zouden moeten) zijn. Weliswaar hebben zich sinds het rapport geen ernstige incidenten meer voorgedaan maar [de minderjarige1] draagt de gevolgen daarvan nog wel met zich mee. De diepgewortelde vijandigheid en complexe familieverhoudingen spelen nog steeds. De raad acht het van groot belang dat partijen hulp gaan inschakelen.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Ter beoordeling staat het verzoek van de vader om hem voortaan gezamenlijk met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige1], alsmede zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige1]. Overeenkomstig artikel 1:253c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het verzoek van de vader om hem gezamenlijk met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige1], nu de moeder daarmee niet instemt, slechts worden afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

4.2

Wat betreft de omgangsregeling geldt, voor zover van belang, dat het verzoek slechts kan worden afgewezen op de in artikel 1:377a lid 3 BW genoemde gronden.

4.3

Voor zover de vader in zijn eerste grief zijn pijlen heeft gericht op het raadsonderzoek en het advies van de raad in deze - omdat de raad volgens de vader teveel is uitgegaan van de beleving en uitlatingen van de moeder -, volgt het hof de vader daarin niet. De vader heeft naar het oordeel van het hof geen concrete aanknopingspunten aangedragen op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de onafhankelijkheid of zorgvuldigheid van het raadsonderzoek. Ook in de stukken heeft het hof dergelijke concrete aanknopingspunten niet gevonden. Daarentegen blijkt uit het raadsrapport van 20 december 2013 dat de raad, naast onder meer de mening van de moeder, ook de mening van de vader heeft betrokken in het onderzoek en dat de raad daarnaast informatie heeft ingewonnen bij (onafhankelijke) derden, waaronder de school van [de minderjarige1], de gezinsvoogd in het gezin van de vader en de wijkagent. Het hof is niet gebleken dat de verkregen informatie eenzijdig is (gekleurd door de moeder) of dat de verkregen informatie op vooringenomen wijze is gewogen. Voor een nieuw raadsonderzoek ziet het hof dan ook geen aanleiding. Dat geldt te meer nu niet is gebleken dat zich een wezenlijke verandering heeft voorgedaan in de situatie sinds het raadsrapport van 20 december 2013. De eerste grief van de vader faalt dus.

4.4

Overigens ziet het hof in het bijzonder geen aanleiding te twijfelen aan de weergave in het raadsrapport (onder het kopje "12. Reactie op het advies") van de bedreiging die de vader aan het adres van de moeder en/of [de minderjarige1] heeft geuit jegens de raadsmedewerker bij bespreking van het raadsrapport ("als ik haar niet te zien krijg, dan zij ook niet en daar heb ik best 10 jaar gevangenisstraf voor over"), welke bedreiging destijds terecht zeer serieus is genomen door de raad gezien de context en voorgeschiedenis van de zaak. Voor zover namens de vader die bedreiging ter zitting van het hof is afgedaan als een misverstand gaat het hof daar dan ook niet in mee.

4.5

Het hof schaart zich, evenals de rechtbank, achter het advies van de raad. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank de afwijzing van de verzoeken van vader afdoende gemotiveerd in de bestreden beschikking zodat het hof daar kortheidshalve naar verwijst en deze motivering, na eigen onderzoek, overneemt. In aanvulling daarop overweegt het hof nog het volgende.

4.6

Uit het raadsrapport blijkt onder meer dat partijen uit elkaar zijn gegaan met veel spanningen, ruzie en geweld waarbij meerdere keren de politie aan te pas moest komen. De communicatie tussen partijen is gestagneerd en de ouders maken elkaar over en weer veel verwijten, waarbij aan de zijde van de moeder en [de minderjarige1] sprake is van angst voor de vader. [de minderjarige1] is opgegroeid in een omgeving met veel spanningen voortvloeiend uit complexe familieverhoudingen waarin zich van alles heeft afgespeeld. Een en ander heeft geleid tot een diepgewortelde vijandigheid tussen de ouders en hun nieuwe partners en bij [de minderjarige1] tot een negatief beeld van de vader, gekenmerkt door angst.

4.7

De vader wil betrokken zijn in het leven van [de minderjarige1] en heeft aangevoerd dat die betrokkenheid mogelijk het negatieve beeld dat zij van hem heeft, kan bijstellen. Het hof stelt vast dat geen wezenlijke verandering is opgetreden in de houding van de vader en de situatie sinds het raadsrapport van 20 december 2013. Weliswaar hebben zich het afgelopen jaar geen ernstige incidenten meer voorgedaan, maar het hof acht de kans op nieuwe incidenten zeer reëel wanneer partijen gezamenlijk beslissingen zouden dienen te nemen over [de minderjarige1] of een omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige1] zouden moeten uitvoeren. In dit verband is niet gebleken dat de vader (en zijn partner) professionele hulp hebben ingeschakeld om beter te leren omgaan met spanningen en agressie. Ook de moeder zou overigens hulp moeten zoeken om beter te leren omgaan met haar angst voor de vader, die zij waarschijnlijk (onbewust) op [de minderjarige1] overbrengt. Daarbij kampt [de minderjarige1] nog steeds met de gevolgen van de wijze waarop de ouders en hun nieuwe partners zich jegens elkaar hebben gedragen in het recente verleden. Dit brengt mee dat vaststelling van een omgangsregeling op dit moment in strijd moet worden geoordeeld met zwaarwegende belangen van [de minderjarige1]. Het zelfde geldt voor het organiseren van proefcontacten dan wel interactie-observatiecontacten. [de minderjarige1] is een kwetsbaar meisje met een belast verleden. Het hof is met de raad van oordeel dat er te veel belemmerende factoren zijn, ook om dergelijke contacten op te starten. De familiesituatie is daarvoor nog met veel te veel spanningen omgeven waarbij ook de dreiging van de vader bij de raad geen goed heeft gedaan. Voor aanhouding van de zaak ten aanzien van het verzoek om omgang ziet het hof dan ook geen aanleiding. De grieven 2 en 3 falen.

4.8

Het voorgaande betekent tevens dat er een reëel en onaanvaardbaar risico bestaat dat [de minderjarige1] klem of verloren zal raken tussen de ouders bij uitoefening van het gezamenlijk gezag. Gelet op de houding die partijen tot dusver hebben laten zien is naar het oordeel van het hof niet te verwachten dat daarin binnen afzienbare termijn voldoende verbetering zal komen. Ook de vierde en laatste grief van de vader mist daarom doel.

5 De slotsom

5.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 4 juni 2014 waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. den Hollander, mr. A.W. Beversluis en
mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2015 in bijzijn van de griffier.