Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:1357

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-02-2015
Datum publicatie
09-03-2015
Zaaknummer
200.153.712
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heropening vereffening nalatenschap. Is de aanwijzing als begunstigde betreffende een levensverzekering aan te merken als quasi-legaat dat dient te worden verminderd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0093
ERF-Updates.nl 2015-0140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.153.712

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, 352580)

beschikking van de familiekamer van 24 februari 2015

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoekster],

advocaat: mr. J. Nagtegaal te Breukelen, gemeente Stichtse Vecht,

en

[verweerder] ,

notaris te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de notaris,

advocaat: mr. R.P.J. Hendrikx te Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen,

en

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

belanghebbende in hoger beroep,

verder te noemen: [belanghebbende],

advocaat: mr. J. Nagtegaal te Breukelen, gemeente Stichtse Vecht.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 30 april 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 29 juli 2014 (met producties 1 tot en met 13);

- het verweerschrift, ingekomen op 3 oktober 2014;

- een journaalbericht van mr. Hendrikx van 15 januari 2015 (met producties 1 tot en met 5),

ingekomen op 16 januari 2015;

- een journaalbericht van mr. Nagtegaal van 16 januari 2015 (met producties 14 en 15).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 26 januari 2015 plaatsgevonden. Verzoekster en verweerder zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten

3.1

Op 17 december 2010 is te [plaats] overleden [vader] (verder te noemen: erflater), ten tijde van zijn overlijden nog op huwelijkse voorwaarden gehuwd met [A]. Op 22 december 2010 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken. De moeder van [verzoekster] en [belanghebbende] is [B].

3.2

Erflater heeft bij testament van 25 oktober 2007 over zijn nalatenschap beschikt, op grond waarvan de enige erfgenamen van erflater zijn:

- [belanghebbende], geboren op [geboortedatum] 1992; en

- [verzoekster] (verzoekster in hoger beroep), geboren op [geboortedatum] 1995,

de beide dochters van erflater.

3.3

De nalatenschap van erflater is door [belanghebbende] en de destijds nog minderjarige [verzoekster] op

1 februari 2011 aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving. De beide erfgenamen zijn op grond van artikel 4:195 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vereffenaar. Zij hebben de notaris op grond van artikel 4:197 lid 1 BW verzocht als boedelnotaris op te treden. Als zodanig heeft de notaris zich laten inschrijven in het boedelregister.

3.4

Bij beschikking van 19 maart 2013 is door de kantonrechter op verzoek van de boedelnotaris de opheffing van de vereffening bevolen en zijn de kosten van de vereffening vastgesteld op € 17.502,84. Vervolgens is de opheffing van de vereffening op 26 maart 2013 ingeschreven in het boedelregister. De vordering van de notaris op de nalatenschap is het voormelde bedrag van de vereffeningskosten en is niet voldaan.

3.5

Erflater heeft als verzekeringsnemer bij ASR Verzekeringen twee polissen van levensverzekering gesloten onder de nummers [polisnr] en [polisnr]. Erflater heeft de begunstiging van die polissen op of omstreeks 15 april 2010 gewijzigd. De wijziging houdt in dat [A] als begunstigde is vervangen door [verzoekster]. Op de polissen is de navolgende clausule gesteld:

Bij het overlijden van de verzekerde voor de einddatum zal het lijfrentekapitaal bij overlijden, zijnde 90% van de netto reservewaarde van de verzekering, niet in contanten worden uitgekeerd, maar dienen als rekengrootheid voor de vaststelling van een nabestaandelijfrente als bedoeld in artikel 3.125, lid 1 letter b, en artikel 1.7 lid 1 van de Wet inkomstenbelasting 2001.”

Door het overlijden van erflater zijn de twee verzekeringspolissen bij ASR Verzekeringen geëxpireerd. Op 14 oktober 2011 zijn bedragen van € 23.391,72 en € 18.373,66 vrijgevallen, die op grond van de vermelde clausule in de desbetreffende polissen direct gestort zijn in dan wel hebben te gelden als rekengrootheid voor een nabestaanden Direct Ingaande Lijfrente bij ASR (polisnummer [polisnr]) ten behoeve van [verzoekster]. Met ingang van 1 oktober 2011 ontvangt [verzoekster] iedere drie maanden een netto lijfrente-uitkering van € 453,34.

4 De omvang van het geschil

4.1

Dit geschil betreft het verzoek van de notaris om hem op de voet van artikel 4:203 lid 1 sub b BW en artikel 4:209 lid 5 BW tot vereffenaar te benoemen. De rechtbank heeft overwogen dat de notaris als schuldeiser van de nalatenschap belang heeft bij dit verzoek en dat er door vermindering van het aan [verzoekster] gemaakte quasi-legaat bestaande in de onder 3.5 beschreven begunstiging voldoende baten zijn om de kosten van de vereffening te bestrijden. Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de notaris benoemd tot vereffenaar in de nalatenschap van erflater.

4.2

[verzoekster] is van de bestreden beschikking in hoger beroep gekomen en heeft twee grieven geformuleerd. Met grief 1 bestrijdt zij het oordeel van de rechtbank dat de notaris als schuldeiser van de nalatenschap belang heeft bij zijn verzoek. Grief 2 betreft het oordeel van de rechtbank dat er door vermindering van het aan [verzoekster] gemaakte quasi-legaat voldoende baten zijn om de kosten van de vereffening te bestrijden. Aan haar beide grieven legt [verzoekster] ten grondslag dat de begunstiging uit levensverzekering geen quasi-legaat is in de zin van artikel 4:126 lid 2 onder b BW is en dat zij niet is gehouden de waarde daarvan op grond van artikel 4:127 BW aan de nalatenschap te vergoeden. Zij voert aan dat de begunstiging geen gift is, maar door de erflater is gedaan ter nakoming van een natuurlijke verbintenis jegens haar, althans ter nakoming van zijn wettelijke onderhoudsverplichting. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, het verzoek van de notaris tot heropening van de vereffening van de nalatenschap van erflater alsnog af te wijzen, althans een beslissing te nemen die het hof juist acht.

4.3

De notaris voert verweer en verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het hoger beroep van [verzoekster] ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van deze procedure.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 2:203 lid 1 onder b BW kan de rechtbank na een aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving een vereffenaar benoemen op verzoek van een belanghebbende of van het openbaar ministerie, wanneer hij die met het beheer der nalatenschap is belast in ernstige mate in de vervulling van zijn verplichtingen tekort schiet, daartoe ongeschikt is of niet voldoet aan een last tot zekerheidstelling, wanneer de schulden der nalatenschap de baten blijken te overtreffen, of wanneer tot een verdeling van de nalatenschap wordt overgegaan voordat deze vereffend is. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de door de rechter benoemde persoon als vereffenaar in de plaats van de erfgenamen treedt.

5.2

In artikel 2:209 lid 5 BW is bepaald dat indien, zoals hier, na opheffing van een vereffening de benoeming van een vereffenaar wordt verzocht, de verzoeker verplicht is aan te tonen dat er voldoende baten aanwezig zijn om de kosten van de vereffening te bestrijden.

5.3

Het hof oordeelt dat de notaris als schuldeiser van de nalatenschap als belanghebbende in de zin van artikel 4:203 lid 1 onder b BW is aan te merken. Nu de schulden van de nalatenschap de baten overtreffen kan de rechtbank een vereffenaar benoemen, mits er voldoende baten aanwezig zijn om de kosten van de vereffening te bestrijden. Het hof zal hierna beoordelen of aan de benoeming van de vereffenaar in de weg staat dat de aanwijzing van [verzoekster] als begunstigde bij de levensverzekeringen geen quasi-legaat is dat voor vermindering vatbaar is, zoals [verzoekster] aanvoert.

5.4

Het hof stelt voorop dat artikel 7:188 lid 1 BW gelezen in samenhang met artikel 1:126 lid 2 sub b BW de aanwijzing van een begunstigde bij een sommenverzekering (waarvan hier sprake is), wanneer zij is aanvaard of kan worden aanvaard, aanmerkt als een gift, tenzij zij geschiedt ter nakoming van een verbintenis anders dan uit een schenking. Hieruit volgt dat het op de weg van [verzoekster] ligt om aan te tonen dat de aanwijzing is geschied ter nakoming van een verbintenis anders dan uit schenking.

5.5

Het hof is van oordeel dat [verzoekster] onvoldoende heeft aangetoond dat de aanwijzing van haar als begunstigde is geschied ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis. Evenmin heeft [verzoekster] naar het oordeel van het hof aangetoond dat de begunstiging heeft gestrekt tot nakoming van de onderhoudsverplichting van erflater jegens haar.

5.6

Het hof overweegt daartoe als volgt. De aanwijzing van [verzoekster] als begunstigde had plaats omstreeks april 2010, toen [verzoekster] veertien jaar oud was; zij heeft de begunstiging aanvaard na het overlijden van erflater, toen zij vijftien jaar oud was. Blijkens een handgeschreven fax van erflater gedateerd 14 april 2010 aan [C] van Holland Huis Financiële Diensten (productie 5 bij het beroepschrift), verzoekt erflater om de begunstiging in de polissen te wijzigen in die zin dat [A] vervangen dient te worden door [verzoekster]. Een reden voor deze wijziging is daarbij niet vermeld en ook overigens is van een expliciete beweegreden voor wijziging niet gebleken. Dat in de polis(sen) wordt gesproken van ‘verzorging’, dat ouders jegens hun kinderen onderhoudsplichtig zijn en dat een nabestaandenlijfrente bij uitstek bedoeld is voor de verzorging van nabestaanden acht het hof een onvoldoende concrete onderbouwing van het gestelde. Andere concrete feiten en omstandigheden die nu juist in deze zaak rechtvaardigen dat erflater door de aanwijzing van [verzoekster] als begunstigde heeft voldaan aan een op hem rustende natuurlijke verbintenis jegens haar zijn gesteld noch gebleken. Dat [belanghebbende], zoals ter zitting onweersproken is gesteld, al eerder een vergelijkbaar bedrag van erflater heeft verkregen kan evenmin leiden tot het oordeel dat ten opzichte van [verzoekster] sprake is van een natuurlijke verbintenis van erflater.

5.7

Voor erflater bestaat geen wettelijke onderhoudsverplichting van [verzoekster] voor de periode na zijn overlijden. De aanwijzing van [verzoekster] als begunstigde kan dan ook niet zijn geschied ter nakoming van een dergelijke wettelijke verplichting.

5.8

Het hof moet het in deze ervoor houden dat de aanwijzing van [verzoekster] als begunstigde een quasi-legaat is en dat [verzoekster] verplicht is tot vergoeding van de waarde van het in mindering komende gedeelte aan de gezamenlijke erfgenamen, voor zover dit niet, alle omstandigheden in aanmerking genomen, onredelijk is. Er zijn in deze zaak vooralsnog geen omstandigheden gebleken die vergoeding naar het voordeel van het hof onredelijk maken. Dat de uitkering geschiedt in driemaandelijkse termijnen is daarvoor onvoldoende.

Grief 1van [verzoekster] faalt.

5.9

Vervolgens ligt ter beoordeling voor of de notaris heeft aangetoond dat er voldoende baten aanwezig zijn om de kosten van de vereffening te bestrijden. De notaris heeft de kosten van de (heropening van de) vereffening begroot op maximaal € 5.000,-. De notaris voert aan dat een begroting van € 5.000,- voor vereffeningkosten zeer reëel is nu de werkzaamheden enkel nog bestaan uit vermindering van het quasi-legaat, waaraan reeds uitvoering is gegeven door een tijdig gezonden brief van de notaris aan [verzoekster], de daaruit voortvloeiende vordering tot vergoeding van de waarde en de verdeling daarvan onder de crediteuren van de nalatenschap. De waarde van de lijfrentes moet worden gesteld op de contante waarde daarvan en deze is voldoende om de kosten van de vereffening te voldoen (4:126 lid 3 BW in verbinding met 4:66 BW).

5.10

[verzoekster] betwist dit en voert ter toelichting van haar tweede grief aan dat de door de notaris begrote kosten veel te laag zijn gelet op de vele handelingen die nog door de notaris moeten worden verricht in het kader van de vereffening. Bovendien zullen er nog kosten worden gemaakt in verband met nog te voeren gerechtelijke procedures. [verzoekster] heeft niet het gehele bedrag dat als rekengrootheid heeft gediend ontvangen, maar slechts periodieke uitkeringen tot in totaal € 4.983,-. Met meer kan bij de vermindering en de vaststelling van de vergoeding geen rekening worden gehouden.

5.11

Het hof is van oordeel dat de notaris heeft aangetoond dat er voldoende baten aanwezig zijn om de kosten van de vereffening te bestrijden. Het hof acht het gelet op de stellingen van partijen in deze zaak aannemelijk dat de vergoeding die [verzoekster] moet betalen hoger zal zijn dan de nog te maken kosten van vereffening. Dat is niet alleen het geval indien de vergoeding wordt bepaald op de contante waarde daarvan, maar ook als wordt uitgegaan van het totaal van de reeds uitgekeerde en nog uit te keren bedragen. Beide bedragen zijn aanmerkelijk hoger dan de begrote € 5.000,-. Het hof overweegt daarbij wel dat het mogelijk is dat de notaris als vereffenaar, anders dan in deze zaak is aangenomen, toch niet erin slaagt het quasi-legaat te verminderen of dat de notaris als vereffenaar om andere redenen meer vereffeningskosten maakt dan [verzoekster] zal vergoeden. Het risico dat de vereffeningskosten onvoldaan blijven rust bij de notaris als vereffenaar. Ook grief 2 van [verzoekster] faalt.

6 De slotsom

6.1

De grieven falen, zodat het hof de bestreden beschikking moet bekrachtigen.

6.2

Het hof ziet in de aard van deze procedure aanleiding het verzoek van de notaris om [verzoekster] in de proceskosten in deze procedure te veroordelen af te wijzen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht,

van 30 april 2014;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, R.A. Dozy en

R. Prakke-Nieuwenhuizen, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op

24 februari 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.