Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:1353

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-02-2015
Datum publicatie
20-04-2015
Zaaknummer
200.152.772
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening, partneralimentatie. Ontvankelijkheid. Geen doorbrekingsgrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.152.772/01

(zaaknummer rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, 255808 FZ RK 13-2587)

beschikking van de familiekamer van 24 februari 2015

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats], Zwitserland,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. C. Waanders te Zeist,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.K. de Bruin te Utrecht.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen van 3 juni 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 22 juli 2014;

- het verweerschrift, ingekomen op 20 oktober 2014.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 14 januari 2015 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De motivering van de beslissing

3.1

In eerste aanleg heeft de vrouw een verzoek voorlopige voorzieningen gedaan tot een bijdrage in haar levensonderhoud ten laste van de man. Ten aanzien van dit verzoek geldt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt (kortheidshalve verwijst het hof naar de bestreden beschikking pag. 2, 2e alinea). Mutatis mutandis geldt dit voor de rechter in hoger beroep; het hof is aldus bevoegd van dit geschil kennis te nemen.

3.2

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 1 april 2014 aan de vrouw een bedrag van € 500,- voor levensonderhoud dient te betalen.

Het betreft hier een voorlopige voorziening voor de duur van het geding als bedoeld in artikel 822 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Ingevolge artikel 824 Rv staat tegen een zodanige beschikking geen hogere voorziening open. Aan de orde is daarom eerst de ontvankelijkheid van de man in zijn hoger beroep.

3.3

Een wettelijk rechtsmiddelenverbod kan volgens vaste rechtspraak worden doorbroken op een van de in de rechtspraak ontwikkelde doorbrekingsgronden, te weten indien de rechter buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regeling is getreden, deze ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken

3.4

De man heeft zich op voormelde doorbrekingsgronden beroepen, zodat hij in zijn hoger beroep kan worden ontvangen. Vervolgens zal het hof beoordelen of het beroep op een van de doorbrekingsgronden moet leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking.

3.5

De man voert als toelichting op zijn verzoek aan dat de rechtbank ten onrechte partneralimentatie heeft vastgesteld, terwijl de rechtbank ook oordeelt dat de man geen draagkracht heeft. Dit oordeel is niet gegrond op de wet en het systeem voor het vaststellen van partneralimentatie. Het lijkt of de rechtbank ambtshalve een rechtsgrond heeft aangevuld naast het debat over behoefte en draagkracht, door de feitelijke betalingen van de man na het uiteengaan van partijen te introduceren. Daardoor is de rechtbank buiten de rechtsstrijd getreden en heeft bovendien in strijd met de Trema-normen geoordeeld. Daarom is artikel 1:157 e.v. Burgerlijk Wetboek onjuist toegepast.

3.6

Het hof constateert dat de rechtbank inderdaad heeft vastgesteld dat de man geen draagkracht heeft voor partneralimentatie (pag. 3, 3e alinea). De rechtbank heeft echter tevens acht geslagen op betalingen die de man heeft verricht in de maand september 2013 (een bedrag van € 800,-) en in de maanden januari 2014 (€ 500,-), februari 2014 (€ 700,-) en maart 2014 (€ 500,-) en dat daarom van de man gevergd kan worden dat hij deze consequente betalingen vanaf 1 april 2014 vooralsnog voortzet, in redelijkheid met een maandbedrag van € 500,-.

3.7

Naar het oordeel van het hof is de rechtbank met dit oordeel niet buiten de rechtsstrijd van partijen getreden en/of heeft de rechtbank niet in strijd gehandeld met de wettelijke alimentatieregeling nu het in deze voorlopige voorzieningenprocedure slechts gaat om een voorlopige regeling in afwachting van het verloop en uitkomst van een bodemprocedure. Het is vaste rechtspraak dat een (mogelijke) ondeugdelijke motivering van de rechtbank geen doorbrekingsgrond oplevert als bedoeld in rechtsoverweging 3.3.

3.8

De vrouw verzoekt een proceskostenveroordeling. Het hof ziet echter aanleiding om, zoals gebruikelijk in geschillen tussen ex-echtgenoten over de afwikkeling van hun huwelijk, de proceskosten in hoger beroep tussen partijen te compenseren.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verwerpt het hoger beroep van de man;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door de mrs. A. Smeeïng-van Hees, R.A. Dozy, en R. Prakke-Nieuwenhuizen, en is op 24 februari 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.