Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:1303

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-02-2015
Datum publicatie
26-03-2015
Zaaknummer
200.143.080
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling van de geschatte verbruikskosten van bij Stedin afgenomen energie. Verhuur van de panden door de wederpartij van Stedin niet van belang.

Schatting van de schade op grond van artikel 6:97 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.143.080

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, afdeling civiel recht, kantonrechter, locatie Utrecht, 859195)

arrest van de derde kamer van 24 februari 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [plaatsnaam],

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. H.L.D. van Holland,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Stedin Netbeheer B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna: Stedin,

advocaat: mr. A. Ester.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 29 mei 2013 en 4 december 2013 die de rechtbank Midden-Nederland (afdeling civiel recht, sector kanton, locatie Utrecht) tussen [appellant] als gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring, Stedin als eiser in de hoofdzaak en [persoon 1] (hierna: [persoon 1]) als gedaagde in vrijwaring heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 26 februari 2014,

- de memorie van grieven, met één productie,

- de memorie van antwoord, met producties,

- de aantekeningen van de op 7 januari 2015 gehouden pleidooien.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten.

3.2

[appellant] is eigenaar van een bedrijfspand aan [adres]. [de oom], een oom van [appellant], is eigenaar van een bedrijfspand aan [adres] (hierna beide: de panden).

Op enig moment heeft [appellant] met (de rechtsvoorganger van) Stedin voor beide percelen een overeenkomst gesloten voor de levering van energie, tegen betaling van verbruikskosten.

3.3

[appellant] en [persoon 1] hebben op 15 maart 2012 een huurovereenkomst ondertekend met betrekking tot [adres] en [adres].

3.4

Op of omstreeks 20 augustus 2012 heeft de Regiopolitie Utrecht twee hennepkwekerijen aangetroffen in de panden aan [adres]. Later op die dag heeft Stedin, tezamen met de politie, voornoemde panden bezocht. Naar aanleiding van de daar aangetroffen situatie heeft Stedin aangifte gedaan van diefstal van energie.

3.5

Aan de hand van een schadeberekening heeft Stedin [appellant] vervolgens (onder meer) bij brief van 3 september 2012 aansprakelijk gesteld voor een schadebedrag van € 9.485,78 ten aanzien van de kwekerij aan [adres] en voor een schadebedrag van € 6.337,73 ten aanzien van de kwekerij aan [adres]. Het totaalbedrag van € 15.823,50 is onbetaald gebleven.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Stedin heeft in de inleidende dagvaarding gevorderd dat [appellant] zal worden veroordeeld om aan haar te voldoen een bedrag van € 15.823,50 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten.

[appellant] heeft in het geding in vrijwaring gevorderd dat [persoon 1] zal worden veroordeeld tot betaling van het volledige bedrag waartoe [appellant] in de hoofdzaak mogelijk zal worden veroordeeld, vermeerderd met rente en kosten.

De kantonrechter heeft in het vonnis van 4 december 2013 zowel de vordering van Stedin in de hoofdzaak als de vordering van [appellant] in de vrijwaringszaak toegewezen. [appellant] is met twee grieven tegen de toewijzing van de vordering in de hoofdzaak in hoger beroep gekomen.

4.2

Met de eerste grief komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de correcte verzorging van de meters en de correcte afname van elektriciteit voor rekening en risico van [appellant] komen als energiecontractant, ongeacht de verhuur van de panden.

4.3

Onweersproken is echter dat op de overeenkomst tot levering van energie, die [appellant] met Stedin heeft gesloten, de algemene voorwaarden van Stedin, zoals overgelegd als productie 6 bij dagvaarding in eerste aanleg (hierna: de algemene voorwaarden), van toepassing zijn. In artikel 4 lid 3 van deze algemene voorwaarden is vermeld dat de contractant gehouden is het redelijkerwijs mogelijke te doen om schade aan het in het perceel aanwezige gedeelte van de aansluiting en/of de meetinrichting te voorkomen. In artikel 4 lid 6 van de algemene voorwaarden is verder onder meer bepaald dat het de contractant niet is toegestaan handelingen te verrichten of te doen verrichten waardoor de hoeveelheid getransporteerde elektrische energie niet of niet juist kan worden vastgesteld, dan wel een situatie te scheppen waardoor het normaal functioneren van de meetinrichting of andere door de netbeheerder beheerde apparatuur wordt verhinderd. Op grond van artikel 4 lid 7 van de algemene voorwaarden kan Stedin, indien in strijd wordt gehandeld met dit artikel, de kosten van de geschatte feitelijke levering in rekening brengen en/of schadevergoeding verlangen.

4.4

Evenmin is in de onderhavige procedure weersproken dat in het pand aan [adres] de verzegeling van het deksel van de hoofdaansluitkast was verbroken en verwijderd en dat in het pand aan [adres] brand was geweest in de meterkast en dat er een andere hoofdaansluitkast was bijgeplaatst. In beide panden kon daardoor een grote hoeveelheid, onbemeten, elektriciteit worden afgenomen.

4.5

[appellant] heeft aangevoerd dat niet hij, maar zijn huurder, [persoon 1], de hennepkwekerijen heeft aangelegd en dat hij daarvan niet op de hoogte was. Volgens [appellant] is hij bij aanvang van de huur nog wel langs geweest, waarbij hem niets is opgevallen. Daarna is [appellant] niet meer bij de panden geweest, omdat hij zelf bezig was met een verhuizing.

[appellant] heeft, ter onderbouwing van zijn betoog dat hij niet op de hoogte was van de hennepkwekerijen omdat de panden door hem zouden zijn verhuurd, twee ongedateerde verklaringen van twee kennissen en een factuur ter reparatie van inbraakschade over willen leggen, die – nadat ze door de rolrechter waren geweigerd – door Stedin als productie 3 bij memorie van antwoord zijn gevoegd.

4.6

Voor de gehoudenheid van [appellant] tot betaling van de geschatte kosten van de feitelijke levering van elektriciteit en de schadevergoeding, zoals gevorderd door Stedin, is echter niet van belang of [appellant] de panden al dan niet had verhuurd. In artikel 4 lid 6 van de algemene voorwaarden is immers een verplichting voor [appellant] opgenomen om ervoor te zorgen dat er niet met de hoofdaansluitkasten wordt gefraudeerd en aldus te voorkomen dat er onbemeten elektriciteit wordt afgenomen. Zelfs indien niet [appellant], maar [persoon 1] de hennepkwekerijen buiten medeweten van [appellant] zou hebben opgezet – hetgeen gemotiveerd is weersproken door Stedin – laten de door [appellant] geschetste feiten en omstandigheden onverlet dat [appellant] niet heeft voldaan aan de hiervoor bedoelde zorgplicht. Ook in geval van verhuur van de panden rust op de verhuurder daarvan, indien hij ervoor kiest om contractant voor de levering van elektriciteit aan deze panden te blijven, de verplichting om ervoor te zorgen dat de afgenomen elektriciteit kan worden geregistreerd. Anders dan [appellant] heeft aangevoerd, beperkt deze verplichting zich niet tot het in de huurovereenkomst vermelden dat de huurder de elektriciteitskosten moet dragen, het vragen van een kopie van een paspoort (waarvan in de onderhavige procedure een onleesbare kopie is overgelegd) en telefonisch contact tussen de huurder en de verhuurder.

De ongedateerde verklaringen van twee kennissen van [appellant] kunnen evenmin iets afdoen aan de schending van deze zorgplicht. In beide verklaringen wordt slechts vermeld dat de getuigen niets is opgevallen aan de panden. In de eerste verklaring wordt bovendien niet vermeld in welk pand de kennis zijn inboedel mocht opslaan, terwijl daarin geen concrete datum wordt genoemd waarop de panden in gebruik zijn gegeven. In de tweede verklaring wordt in het geheel niet vermeld wanneer de panden door de getuige zijn bezocht.

Ook de factuur in verband met reparatie van inbraakschade kan – zonder nadere toelichting, die evenwel ontbreekt – niets afdoen aan de geconstateerde schending van de zorgplicht.

4.7

Het beroep van [appellant] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid faalt eveneens, nu de enkele omstandigheid dat [appellant] de panden zou hebben verhuurd, niet tot de conclusie leidt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [appellant] de kosten en de schade verbonden aan het handelen van de – gestelde – huurder dient te dragen.

4.8

Nu [appellant] niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht is het Stedin onmogelijk geworden de daardoor geleden schade exact te berekenen. Zowel op grond van artikel 4 lid 7 van de algemene voorwaarden als op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek, dient de schade van Stedin daarom te worden geschat.

4.9

Stedin heeft aan de hand van de door haar als producties 7 en 9 bij dagvaarding in eerste aanleg in het geding gebrachte schadeberekeningen en de daaraan ten grondslag liggende rapportages van diefstal van energie (producties 4 en 5 bij dagvaarding in eerste aanleg) haar schade gemotiveerd onderbouwd. Zo is in deze rapportages uitvoerig beschreven aan de hand van welke feiten en omstandigheden in de beide panden uitgegaan moet worden van drie eerdere oogsten. Daartoe is immers gewezen op een dermate vervuiling van de assimilatielampen en de koolstoffilters, dat deze minimaal drie maanden in werking moeten zijn geweest. Daarnaast is vermeld dat op de vloer van de panden droge afvalbladeren en natte resten van hennepplanten lagen, kennelijk afkomstig van eerdere oogsten en dat er een grote hoeveelheid vuilniszakken werd aangetroffen, gevuld met restkluiten van afgeknipte steel en wortel van hennepplanten.

Gelet op deze uitvoerige rapportages en de gedetailleerde berekening van de schade, ligt het op de weg van [appellant] om daartegen gemotiveerd verweer te voeren.

4.10

[appellant] heeft slechts gewezen op het huurcontract tussen hem en [persoon 1], hetgeen – tezamen met zijn betoog dat [persoon 1] de hennepkwekerijen buiten zijn medeweten heeft opgezet – volgens [appellant] meebrengt dat pas vanaf 15 maart 2012 hennep geteeld kan zijn in de panden. Gelet op de ontmanteling van de kwekerijen rond 20 augustus 2012, kan volgens [appellant] geen sprake zijn van afgenomen, niet geregistreerde, elektriciteit gedurende een periode van 221 dagen ([adres]), dan wel 266 dagen ([adres]).

4.11

Dit huurcontract kan echter niet dienen als voldoende concrete onderbouwing van de door Stedin gemaakte schatting.

Stedin heeft gemotiveerd betwist dat de panden feitelijk door [appellant] aan [persoon 1] waren verhuurd en dat [persoon 1] de hennepkwekerijen heeft opgezet, terwijl [appellant] vervolgens weinig plausibele en tegenstrijdige verklaringen heeft gegeven over de datum van de feitelijke verhuur van de panden, de hoogte van de huur en de wijze van betaling van de huur. Daardoor valt niet te verifiëren of en met ingang van welke datum de panden daadwerkelijk aan [persoon 1] verhuurd zijn geweest en daarmee met ingang van welke datum en door wie de hennepkwekerijen zijn opgezet.

Het feit dat de strafzaak tegen [appellant] wegens gebrek aan bewijs is geseponeerd, brengt hierin evenmin verandering, nu deze enkele omstandigheid onverlet laat dat [appellant] te weinig concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd ter betwisting van de door Stedin in het geding gebrachte rapportages.

Daarom dient te worden uitgegaan van de door Stedin gemaakte schattingen.

5 Slotsom

5.1

Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat de grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Stedin zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 1.920

- salaris advocaat € 2.682 (3 punten x tarief II)

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 4 december 2013;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Stedin vastgesteld op € 1.920 voor verschotten en op € 2.682 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest, voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.B. Boorsma, G.J. Rijken en A.A. van Rossum en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2015.