Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:1302

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-02-2015
Datum publicatie
16-03-2015
Zaaknummer
200.143.279
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Horeca zaak. Wie is contractspartij? Gerechtvaardigd vertrouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/439
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.143.279

(zaaknummer rechtbank Overijssel, kantonrechter, zittingsplaats Enschede 428805)

arrest van de derde kamer van 24 februari 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DD&E Enschede B.V.,

gevestigd te Enschede,

appellante,

hierna: DD&E,

advocaat: mr. M. Nijkamp,

tegen:

de naamloze vennootschap

Inbev N.V.,

gevestigd te Breda,

geïntimeerde,

hierna: Inbev,

advocaat: mr. R. Dijkema.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 9 juli 2013 en 3 december 2013 die de rechtbank Overijssel, kantonrechter, zittingsplaats Enschede, tussen Inbev als eiseres en DD&E als gedaagde heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 27 februari 2014,

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord,

- de akte aan de zijde van DD&E met producties,

- de akte aan de zijde van Inbev.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

3.2

[aandeelhouder] (hierna: [aandeelhouder]) is enig aandeelhouder en bestuurder van DD&E.

3.3

Vanaf 2009 heeft DD&E de horecagelegenheid aan [adres horecagelegenheid] te [vestigingsplaats horecagelegenheid] genaamd “[naam horecagelegenheid]” geëxploiteerd. De feitelijke exploitatie werd verricht door [persoon 1] (hierna: [persoon 1]) en [persoon 2] (hierna: [persoon 2]).

3.4

Op 11 februari 2010 heeft [aandeelhouder] voor [naam horecagelegenheid] een overeenkomst getekend met Inbev waarin onder meer het volgende is bepaald.

“AB Inbev is met u overeengekomen dat AB Inbev zorg draagt voor de duur van 3 jaar voor de exclusieve levering van haar bieren en overige dranken ten behoeve van uw bedrijf gevestigd in het bedrijfspand op het volgende adres: [adres horecagelegenheid], [vestigingsplaats horecagelegenheid]. De ingangsdatum van deze overeenkomst is 01-01-2010. (…)

(…)

Voor de uitbetaling van de kortingen, automatische incasso’s en alle overige financiële verrekeningen wordt bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van DD E te Enschede gebruikt.”

3.5

Vanaf 1 januari 2010 heeft Inbev aan [naam horecagelegenheid] drankwaren en aanverwante goederen geleverd. De bestellingen daarvan werden geplaatst door [persoon 1] en/of [persoon 2].

3.6

In het procesdossier bevindt zich een door [aandeelhouder] en [persoon 1] getekende overeenkomst waarin is te lezen dat DD&E de inventaris, de goodwill en de handelsnaam van [naam horecagelegenheid] per 10 augustus 2011 onder een opschortende en een ontbindende voorwaarde heeft verkocht aan [persoon 1].

3.7

DD&E heeft vier op haar naam gestelde facturen van Inbev voor in december 2011 uitgevoerde leveranties tot een bedrag van € 10.257,47 onbetaald gelaten.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Inbev heeft in eerste aanleg gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, DD&E zal veroordelen om aan haar te betalen een bedrag van € 13.282,51 (€ 10.257,47 hoofdsom, € 417,98 rente tot de dag van de dagvaarding en € 2.607,06 aan buitengerechtelijke kosten), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente van 8% daarover vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening, met veroordelingen van DD&E in de proceskosten.

4.2

De kantonrechter heeft bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, van 3 december 2013 DD&E veroordeeld om aan Inbev te betalen een bedrag van € 13.282,51, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van DD&E in de proceskosten.

4.3

DD&E heeft bij exploot van 27 februari 2014 aangezegd van de vonnissen van 9 juli 2013 en 3 december 2013 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Inbev voor dit hof. Zij heeft bij memorie van grieven tegen het bestreden vonnis vier grieven gericht en geconcludeerd dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vonnissen waarvan beroep zal vernietigen, Inbev in haar vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, althans de vordering van Inbev zal afwijzen, met veroordeling van Inbev in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente. De grieven leggen het geschil in volle omvang aan het hof voor.

4.4

Het belangrijkste verweer dat DD&E voert is dat de overeenkomst van 11 februari 2010 met Inbev niet met haar is aangegaan, maar met [aandeelhouder]. Dit verweer wordt verworpen. Vast staat immers dat [aandeelhouder] de overeenkomst met Inbev ten behoeve van [naam horecagelegenheid] heeft gesloten en dat [naam horecagelegenheid] ten tijde van de ondertekening werd geëxploiteerd door en een handelsnaam was van DD&E, terwijl [aandeelhouder] enig aandeelhouder en bestuurder van DD&E is. Daarbij komt dat niet in geschil is dat het bankrekeningnummer genoemd onder 3.4 van de overeenkomst toebehoort aan DD&E. Onweersproken is dat Inbev daarvan bij de uitvoering van de onderhavige overeenkomst gebruik heeft gemaakt (in ieder geval voor het uitkeren van bonussen). DD&E heeft ook niet gesteld dat zij tegen het gebruik door Inbev heeft geprotesteerd. Geoordeeld wordt dan ook dat DD&E de contractspartij is terzake van de overeenkomst die Inbev in deze zaak aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, althans dat Inbev daarvan gerechtvaardigd heeft mogen uitgaan.

4.5

Het verweer van DD&E dat zij niet de feitelijke exploitant was van [naam horecagelegenheid] en dat de leveranties waarop de vordering van Inbev is gebaseerd, zijn besteld door en uitgeleverd aan [persoon 1] en [persoon 2], verwerpt het hof eveneens. Hierbij wordt vooropgesteld dat onweersproken is dat de onbetaald gebleven leveranties zijn uitgevoerd op grond van de overeenkomst van 11 februari 2010, terwijl DD&E geen feiten heeft gesteld waaruit blijkt dat die overeenkomst aan Inbev is opgezegd noch dat Inbev eind 2011 bekend was met de onder 3.6 genoemde overeenkomst tussen DD&E en [persoon 1]. Voorts staat als onbetwist vast dat de onbetaalde leveranties door [naam horecagelegenheid] zijn ontvangen. Dat [persoon 1] en/of [persoon 2] de bestellingen voor de onbetaald gebleven leveranties hebben verricht, kan DD&E niet baten, nu niet in geschil is dat zij vanaf 1 januari 2010 bij Inbev doorlopend bestellingen voor [naam horecagelegenheid] hebben geplaatst. Blijkens de memorie van grieven was het juist ook de bedoeling van DD&E dat [persoon 1] en [persoon 2] zorg droegen voor de feitelijke exploitatie van [naam horecagelegenheid], zodat kan worden geconcludeerd dat DD&E ervan op de hoogte was dat zij voor [naam horecagelegenheid] bestellingen bij Inbev plaatsten en DD&E daarmee ook heeft ingestemd. Dit laatste kan ook worden afgeleid uit het feit dat DD&E de haar bekende situatie heeft laten voortbestaan en zij niet heeft gesteld daartegen op enig moment en kenbaar voor Inbev bezwaar te hebben gemaakt. Naar het oordeel van het hof mocht Inbev in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd vertrouwen op de bevoegdheid van [persoon 1] en [persoon 2] om namens DD&E ten behoeve van [naam horecagelegenheid] bij haar bestellingen te plaatsen. Hieraan kan niet afdoen dat [persoon 1] kennelijk een aantal aan DD&E gerichte facturen van Inbev heeft voldaan, nu op grond van artikel 6:30 BW een verbintenis door een ander dan de schuldenaar kan worden nagekomen. De slotsom is dat DD&E gebonden is aan de bestellingen ten behoeve van [naam horecagelegenheid] verricht door [persoon 1] en [persoon 2], zodat zij de vordering van Inbev moet voldoen.

4.6

Het verweer dat DD&E voert tegen de in eerst aanleg toegewezen buitengerechtelijke kosten, treft evenmin doel. DD&E heeft de omvang van de in eerste aanleg toegewezen buitengerechtelijke kosten niet betwist, terwijl Inbev voldoende onderbouwd en gespecificeerd heeft dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan Inbev in eerste aanleg vergoeding heeft gevorderd moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskosten geen vergoeding plegen in te sluiten.

4.7

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen faalt ook de grief over de proceskostenveroordeling in eerste aanleg.

4.8

Het door DD&E gedane bewijsaanbod zal worden gepasseerd omdat geen feiten zijn gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.

5 Slotsom

De grieven falen. De bestreden vonnissen moeten worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof DD&E in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Deze kosten aan de zijde van Inbev zullen worden vastgesteld op € 1.920,00 aan griffierecht en € 1.341,00 aan salaris advocaat (1,5 punt x tarief II).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Overijssel, kantonrechter, zittingsplaats Enschede van 9 juli 2013 en 3 december 2013;

veroordeelt DD&E in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Inbev vastgesteld op € 1.920,00 voor verschotten en op € 1.341,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, Th.C.M. Willemse en P.E. de Kort en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2015.