Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:1301

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-02-2015
Datum publicatie
16-03-2015
Zaaknummer
200.142.880
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdelijke verbondenheid uitgetreden vennoot voor schulden van de vof die zijn ontstaan na zijn toetreding tot de vennootschap en voortvloeien uit een vóór de uittreding aangegane duurovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2015/42
AR 2015/451
JONDR 2015/547
FutD 2015-1213
OR-Updates.nl 2015-0128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.142.880

(zaaknummer rechtbank Gelderland 2179025)

arrest van de derde kamer van 24 februari 2015

in de zaak van


[appellant] ,

wonende te [woonplaats appellant],

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. R.A.U. Juchter van Bergen Quast,

tegen:

1 [geïntimeerde sub 1]
2. [geïntimeerde sub 2],
beiden wonende te [woonplaats geïntimeerden],

geïntimeerden,
advocaat: mr. A.M. Ubink.

Geïntimeerde sub 1 zal hierna [geïntimeerde sub 1], geïntimeerde sub 2 [geïntimeerde sub 2] en geïntimeerden gezamenlijk zullen (in mannelijk enkelvoud)[geïntimeerden] worden genoemd.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van
4 december 2013 dat de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Apeldoorn, tussen [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] als eisende partijen enerzijds en [appellant] als een van de gedaagde partijen anderzijds heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

[appellant] heeft bij exploot van 29 januari 2014[geïntimeerden] aangezegd van dat vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [appellant] voor dit hof. Hij heeft gevorderd dat het hof bij arrest het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de vordering van[geïntimeerden] zal afwijzen, met veroordeling van[geïntimeerden] in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

2.2

Bij memorie van grieven heeft [appellant] twee grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en heeft hij bewijs aangeboden. Hij heeft gevorderd dat het hof zal beslissen overeenkomstig de vordering in de appeldagvaarding.

2.3

Bij memorie van antwoord heeft[geïntimeerden] verweer gevoerd. Hij heeft geconcludeerd dat het hof de grieven zal verwerpen en het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van deze procedure, waaronder de kosten van rechtsbijstand van de zijde van [geïntimeerde sub 1].

2.4

Daarna heeft [appellant] een akte genomen.

2.5

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen
2.1 tot en met 2.7 van het bestreden vonnis.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

In deze zaak gaat het – verkort weergegeven – om het volgende. Met ingang van
16 augustus 2011 heeft[geïntimeerden] voor de duur van drie jaar een bedrijfsruimte verhuurd aan de vennootschap onder firma [naam firma] (hierna: de vof). Op het moment dat de huurovereenkomst werd gesloten waren [vennoot 1] (hierna: [vennoot 1]) en [vennoot 2] (hierna: [vennoot 2]) de enige vennoten van de vof. Op enig moment is [vennoot 2] als vennoot van de vof uitgetreden en op 1 januari 2013 is [appellant] als vennoot van de vof toegetreden. Circa zes weken na het toetreden van [appellant] is de vof ontbonden. Eind maart 2013 is het feitelijk gebruik van het gehuurde geëindigd.

4.2

In eerste aanleg heeft[geïntimeerden], voor zover hier van belang en verkort weergegeven, gevorderd dat de kantonrechter de huurovereenkomst zal ontbinden en de vof, [vennoot 1], [vennoot 2] en [appellant] (hierna gezamenlijk in mannelijk enkelvoud: de vof c.s.) hoofdelijk zal veroordelen aan hem te betalen een bedrag van a. € 15.229,70 aan schadevergoeding, b. € 2.781 inclusief BTW aan huur over augustus 2013 en c. € 2.832,86 inclusief BTW aan huur per maand over de periode van september 2013 tot en met
15 augustus 2014, te vermeerderen met wettelijke handelsrente en onder bepaling dat eventueel door[geïntimeerden] te ontvangen huurinkomsten daarop in mindering komen, alsmede voor recht zal verklaren dat de vof c.s. bij niet-voldoening van de onder b. en c. vermelde bedragen een boete van 2% van het verschuldigde bedrag aan[geïntimeerden] is verschuldigd en de vof c.s. hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van deze boete aan [geïntimeerde sub 1] c.s, met hoofdelijke veroordeling van de vof c.s. in de proceskosten, inclusief eventuele nakosten. Aan deze vordering heeft[geïntimeerden], voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat [appellant] in persoon mede aansprakelijk is voor de schade die[geïntimeerden] lijdt ten gevolge van het niet nakomen van de uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen door de vof.

4.3

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter, voor zover hier van belang, overwogen dat [appellant] aansprakelijk is voor de door de vof aangegane verplichtingen van vóór 1 januari 2013, omdat de toetredende vennoot, conform de ten tijde van zijn toetreding bestaande regel uit artikel 18 van het Wetboek van Koophandel (hierna: WvK), aansprakelijk kan worden gehouden voor de verplichtingen die de vennootschap voor zijn toetreding is aangegaan. De kantonrechter heeft de vordering van [geïntimeerde sub 1] c.s, met uitzondering van bedrag van € 1.187,50 aan nog niet betaalde BTW over de borg, toegewezen.

4.4

Het hof stelt voorop dat [appellant] geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat moet worden aangenomen dat de voor 1 januari 2013 opgerichte vof, waarmee de huurovereenkomst is aangegaan, de vennootschap is waar [appellant] op
1 januari 2013 als vennoot is toegetreden. Voorts is van belang dat in artikel 18 WvK is bepaald dat in vennootschappen onder firma ieder van de vennoten, voor de verbintenissen van die vennootschap, hoofdelijk is verbonden.

4.5

Bij de beoordeling kan in het midden blijven of het arrest van de Hoge Raad van
15 maart 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY7840) dat betrekking heeft op de maatschap en waaruit is af te leiden dat van de persoonlijke aansprakelijkheid van de maten sprake is als de maat op het moment maat was dat i) de opdracht door de maatschap werd aanvaard of
ii) de schulden van de maatschap ontstonden, ook op de vennootschap onder firma van toepassing is. Ook indien deze vraag overeenkomstig de stelling van [appellant] bevestigend moet worden beantwoord, moet het hoger beroep worden verworpen, zoals volgt uit het navolgende.

4.6

Anders dan [appellant] heeft gesteld, kan niet worden aangenomen dat[geïntimeerden] [appellant] persoonlijk aansprakelijk houdt voor een (huur)schuld die is ontstaan voordat [appellant] tot de vennootschap toetrad. [appellant] heeft de stelling van[geïntimeerden] dat de in productie 3 bij de inleidende dagvaarding vermelde bedragen aan huurindexatie over de maanden september 2012 tot en met december 2012 en aan boete wegens het te laat betalen van de huurpenningen over de maanden december 2012 en januari 2013 zijn verrekend met het in die productie vermelde creditbedrag aan servicekosten over de periode 16 augustus 2011 tot en met 15 augustus 2012 niet betwist, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de schulden van de vennootschap die voor het toetreden van [appellant] zijn ontstaan reeds met een bate van voor het toetreden van [appellant] door de vennootschap zijn voldaan.

4.7

De gevorderde bedragen aan achterstallige huurpenningen, huurindexatie, aftrek verlichting en boete wegens te laat betaalde huurpenningen zijn alle van na 1 januari 2013 en daarmee na toetreding van [appellant] ontstaan. Ook op basis van het hiervoor vermelde criterium onder ii), indien dat van overeenkomstige toepassing wordt geacht, is [appellant] voor de voldoening van die schulden van de vof in persoon aansprakelijk. Dit strookt ook met voornoemd artikel 18 WvK op basis waarvan een vennoot voor verbintenissen van de vennootschap onder firma hoofdelijk is verbonden.

4.8

De in de akte van 4 november 2014 vermelde stelling van [appellant] dat hij voor de schulden van de vennoot niet hoofdelijk aansprakelijk is, aangezien hij was uitgetreden op het moment dat de verplichting tot schadevergoeding ontstond, moet worden aangemerkt als een grief die ingevolge de twee-conclusie-regel uiterlijk bij memorie van grieven had moeten worden gevoerd. Van gronden die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen, is niet gebleken.
4.9 Ook indien wordt aangenomen dat de grief reeds in de memorie van grieven ligt besloten, treft deze geen doel. De hoofdelijke verbondenheid van [appellant] voor schulden van de vof die zijn ontstaan na zijn toetreding tot de vennootschap, eindigt niet door zijn uittreding als vennoot indien – zoals hier – die schulden voortvloeien uit een vóór uittreding aangegane duurovereenkomst. De door [appellant] bij memorie van grieven onder
2 gestelde overeenkomst met de andere vennoten raakt alleen de interne verhouding binnen de vof en dus niet de aansprakelijkheid van [appellant] ten opzichte van[geïntimeerden]

4.10

Tot slot wordt aan de stelling van [appellant] dat de rol van [geïntimeerde sub 2] in deze zaak onduidelijk is, voorbijgegaan. [appellant] heeft geen rechtsgevolgen aan deze stelling verbonden. Bovendien is [geïntimeerde sub 2] in de huurovereenkomst tussen de vof en[geïntimeerden] vermeld en is zij door de kantonrechter, kennelijk in navolging van partijen, naast [geïntimeerde sub 1] als verhuurder aangemerkt. Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – valt niet in te zien waarin de door [appellant] gestelde onduidelijkheid is gelegen.

5 Slotsom

5.1

Grief 1 faalt, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Daarmee faalt tevens grief 2, welke grief zich richt tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

5.3

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van[geïntimeerden] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 704,-

- salaris advocaat € 1.631,- (1 punt x tarief IV)

Totaal € 2.335,-.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van 4 december 2013 dat de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Apeldoorn;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van[geïntimeerden] vastgesteld op € 704,- voor griffierecht en op € 1.631,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, Th.C.M. Willemse en P.E. de Kort en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2015.