Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:1300

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-02-2015
Datum publicatie
27-02-2015
Zaaknummer
200.138.137
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

7:312, 7:369, 7:370 en 7:376 BW

Gebruiksruil: twee samenhangende pachtovereenkomsten. Opzegging van beide pachtovereenkomsten over en weer.

Na plotseling overlijden van één van de pachters bij de ene overeenkomst wordt landbouwbedrijf beëindigd. De opzegging op die grond leidt tot beëindiging.

De omstandigheid dat de ene pachtovereenkomst eindigt, is een argument van gewicht voor de beëindiging van de andere pachtovereenkomst, welk argument meeweegt bij de belangenafweging als bedoeld in art. 7:370 lid 1 onder c BW. Bij die belangenafweging moeten echter ook de overige omstandigheden van het geval worden betrokken. De omstandigheid dat het gepachte deel uitmaakt van het huisperceel van het melkveebedrijf van pachter en diens redelijke verwachtingen wegen voor het hof zwaarder dan het aan de gebruiksruil ontleende argument voor beëindiging.

Uitvoerbaarbijvoorraadverklaring van beëindigingsbeslissing ondanks de norm van art. 7:369 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvAR 2016/5823, UDH:TvAR/12655 met annotatie van E.H.M. Harbers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.138.137

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen 355382)

arrest van de pachtkamer van 24 februari 2015

inzake

[A] ,

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal beroep,

geïntimeerde in het incidenteel beroep,

hierna: [A],

advocaat: mr. B. Nijman,

tegen:

1 [X],

wonende te [woonplaats],

2. [Y],

wonende te [woonplaats],

3. de maatschap naar burgerlijk recht Maatschap [Z],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerden in het principaal beroep,

appellanten in het incidenteel beroep,

hierna gezamenlijk: maatschap [Z] (in enkelvoud), en afzonderlijk: [X], [Y] en de maatschap,

advocaat: mr. P. Sipma.

1 Het verloop van het geding

1.1

Voor het geding tot aan het arrest van 25 november 2014 (hierna: het tussenarrest), verwijst het hof naar dat arrest.

1.2

Het vervolg van de procedure blijkt uit:

■ de door partijen ingevolge de opdracht in het tussenarrest ingediende vragenformulieren zoals bedoeld in artikel 9.3.4 Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven, wat betreft de maatschap [Z] met bijlagen;

■ de eveneens ingevolge de opdracht in het tussenarrest door de maatschap [Z] in het geding gebrachte luchtfoto;

■ het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 26 januari 2015.

1.3

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Bij schriftelijke en door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst van 1 december 2001 hebben [X] en [Y] met ingang van 1 januari 2002 verpacht aan wijlen [B] en [A] enkele percelen grasland te [plaats], kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie V, nummers 292, 1143 en 409, ter grootte van in totaal 3.06.40 ha, voor de prijs van € 300,— per hectare.

2.2

Bij schriftelijke en door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst van eveneens 1 december 2001 hebben wijlen [B] en [A] met ingang van 1 januari 2002 verpacht aan [X] en [Y] enkele percelen grasland te [plaats], kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie V, nummers 954 en 267, ter grootte van in totaal 4.25.30 ha, voor de prijs van € 300,— per hectare.

2.3

Deze pachtovereenkomsten zijn de formalisering van een gebruiksruil die rond 1979 tot stand was gekomen tussen de vader van [X] en de vader van wijlen [B] (broers van elkaar). Het verschil in grootte tussen de onder 2.1 en 2.2 bedoelde percelen werd gecompenseerd doordat door de maatschap [Z] aanvullende grond ter grootte van ongeveer een hectare aan wijlen [B] en [A] in gebruik werd gegeven en/of doordat de maatschap [Z] maïs aan het bedrijf van wijlen [B] en [A] ter beschikking stelde. Tussen partijen vonden geen pachtbetalingen plaats.

2.4

[B] is op 2 juli 2006 plotseling overleden. Kort daarvoor was hij samen met [A] een maatschap aangegaan met [loonwerker 1] en [loonwerker 2] (hierna: [loonwerker.]). In augustus 2010 heeft [A] haar bedrijf verkocht aan [loonwerker.]. Aanvankelijk maakten ook de onder 2.2 bedoelde percelen van de transactie deel uit. Nadat van de zijde van de maatschap [Z] erop was gewezen dat daarmee haar voorkeursrecht was geschonden, is de transactie wat betreft die percelen begin 2012 ongedaan gemaakt, zodat [A] thans weer eigenaar en verpachtster is.

2.5

Bij aangetekende brief van 12 december 2011 hebben [X] en [Y] – voor zover thans nog van belang – de onder 2.1 bedoelde pachtovereenkomst opgezegd tegen 1 januari 2014. Volgens de brief gebruikt [A] het gepachte niet langer bedrijfsmatig en is bovendien sprake van onderverpachting aan een derde. Bij brief van 19 januari 2012 heeft [A] zich gemotiveerd tegen de opzegging verzet.

2.6

Bij aangetekende brief van 2 april 2012 heeft [A] de onder 2.2 bedoelde pachtovereenkomst opgezegd tegen 31 december 2013. Volgens de brief is de opzegging erop gebaseerd dat een redelijke afweging van het belang van [A] bij beëindiging van de pachtovereenkomst tegen het belang van de maatschap [Z] bij verlenging daarvan, in haar voordeel uitvalt. In dit verband heeft [A] zich erop beroepen dat de onder 2.1 en 2.2 bedoelde pachtovereenkomsten een gebruiksruil inhielden. Indien de onder 2.1 bedoelde pachtovereenkomst moet eindigen, geldt dat volgens [A] ook voor de onder 2.2 bedoelde pachtovereenkomst.

3 Voortgezette motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

In conventie vordert [A], ook na eiswijziging in hoger beroep, beëindiging van de onder 2.2 bedoelde pachtovereenkomst. In reconventie vordert de maatschap [Z] beëindiging van de onder 2.1 bedoelde pachtovereenkomst. Bij het bestreden vonnis van 18 oktober 2013 heeft de pachtkamer in eerste aanleg zowel de vordering in conventie als die in reconventie afgewezen. Daartegen richten zich de grieven in respectievelijk het principaal en het incidenteel beroep.

3.2

Volgens zeggen van [A] worden de uitvoerende werkzaamheden op het door haar gepachte uitgevoerd door [loonwerker.], maar draagt zij zelf het teeltrisico. Daarvan uitgaande is geen sprake van onderverpachting. Van een bedrijfsmatige uitoefening van de landbouw is echter niet langer sprake. Met de wijze waarop zij het vragenformulier zoals bedoeld onder 1.2 heeft ingevuld, namelijk met openlating van alle vragen die gaan over de aard en omvang van het agrarisch bedrijf, en met het niet overleggen van de in dat formulier bedoelde stukken omtrent dat bedrijf, lijkt [A] ook zelf te erkennen dat zij geen agrarisch bedrijf meer heeft. Hoe dan ook valt het exploiteren van drie of vier hectare gras- en/of maïsland, zonder het aanhouden van vee, en met gebruikmaking van de diensten van een loonwerker ([loonwerker.]), niet te beschouwen als bedrijfsmatig uitgeoefende landbouw als bedoeld in artikel 7:312 Burgerlijk Wetboek. Gelet op artikel 7:370 lid 1 aanhef en onder a Burgerlijk Wetboek, mede in verband met artikel 7:376 lid 1 aanhef en onder a van hetzelfde wetboek, dient dit te leiden tot toewijzing van de vordering van de maatschap [Z] tot beëindiging van de onder 2.1 bedoelde pachtovereenkomst. De grieven in het incidenteel beroep treffen dus doel.

3.3

De onder 2.1 en onder 2.2 bedoelde pachtovereenkomsten hangen onderling met elkaar samen vanwege de door partijen ermee beoogde gebruiksruil. Wijzigingen die intreden in de ene pachtverhouding kunnen op die grond gevolgen hebben voor de andere pachtovereenkomst, afhankelijk van de aard van de overeenkomsten, de gedragingen van partijen en de verwachtingen die zij over en weer van elkaar mochten hebben en de overige feiten en omstandigheden van het geval, een en ander onverminderd de toepasselijkheid van de (grotendeels dwingendrechtelijke) wettelijke regeling van de pacht. Het hof verwijst naar zijn arrest van 23 november 2010, LJN BP7695.

3.4

Tegen deze achtergrond is de omstandigheid dat de onder 2.1 bedoelde pachtovereenkomst eindigt, een argument van gewicht voor de beëindiging van de onder 2.2 bedoelde pachtovereenkomst, welk argument meeweegt bij de belangenafweging als bedoeld in artikel 7:370 lid 1 onder c Burgerlijk Wetboek. Bij die belangenafweging moeten echter ook de overige omstandigheden van het geval worden betrokken. Het door de maatschap [Z] gepachte perceel maakt deel uit van het huisperceel van het melkveebedrijf van de maatschap van in totaal 58.66 ha. Door partijen en hun rechtsvoorgangers was dat klaarblijkelijk bedoeld als een min of meer bestendige situatie. Weliswaar gingen partijen daarbij er van uit dat tegenover het gebruik van deze grond door de maatschap [Z] het gebruik van andere grond door het bedrijf van wijlen [B] en [A] zou staan, maar de omstandigheid dat die laatste verwachting door het plotselinge overlijden van [B] is doorkruist, neemt niet weg dat de maatschap [Z] bij de inrichting van haar bedrijfsvoering redelijkerwijs mocht uitgegaan van de duurzame beschikbaarheid van de ruim vier hectare pachtgrond. Nog afgezien van deze redelijke verwachtingen aan de zijde van de maatschap [Z] geldt dat aan de exploitatie van het melkveebedrijf van de maatschap twee (en in de voorstelling van de maatschap [Z] straks zelfs drie) gezinnen een inkomen ontlenen en dat een verkleining van het huisperceel van het melkveebedrijf met ruim vier hectare de bedrijfsvoering wezenlijk zou schaden. Een en ander weegt voor het hof zwaarder dan het aan de gebruiksruil ontleende argument voor beëindiging.

3.5

Voor zover [A] zich op het standpunt stelt dat het wegvallen van de onder 2.1 bedoelde pachtovereenkomst als vanzelf leidt tot het einde van de onder 2.2 bedoelde pachtovereenkomst, vanwege het wegvallen van de tegenprestatie, is dat onjuist. Het hof verwijst opnieuw naar het onder 3.3 genoemde arrest van 23 november 2010.

3.6

De grieven in het principaal beroep treffen dus geen doel en de vordering van [A] dient te worden afgewezen.

3.7

De slotsom is dat het bestreden vonnis voor zover in conventie gewezen zal worden bekrachtigd, met afwijzing van de vordering in conventie zoals in hoger beroep gewijzigd. Voor zover het bestreden vonnis in reconventie is gewezen, dient vernietiging te volgen. Opnieuw recht doende zal het hof de onder 2.1 bedoelde pachtovereenkomst beëindigen per 1 april 2015. Ook het tijdstip van de ontruiming zal het hof stellen op 1 april 2015.

3.8

Het hof zal [A], als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het principaal en het incidenteel beroep, alsmede van de eerste aanleg in reconventie. De aan de zijde van de maatschap [Z] gevallen kosten zal het hof wat betreft het principaal beroep begroten op € 683,— voor griffierecht en op € 1.788,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (twee punten tarief II à € 894,—: één punt voor de memorie van grieven en één voor de comparitie van partijen), wat betreft het incidenteel beroep op € 894,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (in totaal één punt tarief II) en wat betreft de eerste aanleg in reconventie op € 678,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (anderhalf punt tarief II à € 452,—: een half punt voor de conclusie van eis in reconventie, een half punt voor de conclusie van repliek in reconventie en een half punt voor de comparitie van partijen).

3.9

Nu [A] tegen de vordering van de maatschap [Z], voor zover gegrond op het ontbreken van een bedrijfsmatige uitoefening van de landbouw, geen inhoudelijk verweer van betekenis heeft gevoerd, zal het hof zijn arrest ook wat betreft deze beëindiging uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Het hof verwijst in dit verband naar de norm van artikel 7:369 lid 1 Burgerlijk Wetboek.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Assen, van 18 oktober 2013 voor zover in reconventie gewezen en doet in zoverre opnieuw recht;

beëindigt de tussen partijen bestaande pachtovereenkomst met betrekking tot de percelen grasland te [plaats], kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie V, nummers 292, 1143 en 409, ter grootte van in totaal 3.06.40 ha, met ingang van 1 april 2015 en stelt het tijdstip van de ontruiming vast op eveneens 1 april 2015;

veroordeelt [A] in de kosten van het principaal beroep, het incidenteel beroep en de eerste aanleg in reconventie, en begroot de aan de zijde van de maatschap [Z] tot op deze uitspraak gevallen kosten wat betreft het principaal beroep op € 683,— voor griffierecht en € 1.788,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, wat betreft het incidenteel beroep op € 894,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en wat betreft de eerste aanleg in reconventie op € 678,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

wijst af de in hoger beroep gewijzigde eis van [A];

bekrachtigt genoemd vonnis voor zover in conventie gewezen;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, H.L. van der Beek en Th.C.M. Willemse en de deskundige leden ing. L.L.M. de Lorijn en ir. H.K.C. Roelofsen, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2015.