Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:1292

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-02-2015
Datum publicatie
24-03-2015
Zaaknummer
200.124.297
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zijn onroerende zaken in Italië in de huwelijksgemeenschap van partijen gevallen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2015/97
JPF 2015/64
ERF-Updates.nl 2015-0153
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.124.297

(zaaknummer rechtbank Oost-Nederland, locatie Arnhem 221325)

arrest van de vierde kamer van 24 februari 2015

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] (Italië),

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. W.P.G.M. Schellens-Stoks,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. H.A. Schenke.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 21 mei 2013 hier over. Ingevolge dat arrest heeft op 3 juli 2013 een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de memorie van grieven tevens wijziging van eis;

- de memorie van antwoord/incidentele memorie van grieven met producties 1-3;

- de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep met producties 1-3.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.6 van het tussenvonnis van 20 juni 2012.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Partijen zijn op [datum] met elkaar gehuwd zonder het maken van huwelijkse voorwaarden en hebben hun huwelijksdomicilie tijdens het huwelijk in Nederland gehad. [appellante] had destijds en heeft ook nu nog de Italiaanse nationaliteit; [geïntimeerde] heeft de Nederlandse nationaliteit. Tussen partijen is - naar het oordeel van het hof terecht - niet in geschil dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het Nederlands recht. Het huwelijk van partijen is op 1 juli 1981 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Partijen hebben de ontbonden huwelijksgemeenschap nimmer verdeeld. Tussen partijen zijn geschillen ontstaan over de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Die geschillen betreffen de vraag:

( a) of de onroerende zaken gelegen in de gemeenten [plaatsnaam] en [plaatsnaam] in Italië die [appellante] vóór het huwelijk heeft verkregen in de gemeenschap van goederen zijn gevallen;

( b) op welke wijze de woning aan de [straatnaam] te [woonplaats], kadastraal bekend [gemeente] sectie G nummers 3711 en 3712 in de verdeling moet worden betrokken.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 19 december 2012 voor recht verklaard dat de onroerende zaken in Italië privé eigendom van [appellante] zijn en niet vallen in de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen en de woning in [woonplaats] aan [geïntimeerde] toegedeeld onder de verplichting bij de levering van de woning aan [appellante] een bedrag van

€ 103.396,- te voldoen. De rechtbank heeft de peildatum voor de overwaarde van de woning te [woonplaats] in het kader van de verdeling bepaald op 1 juli 1981, die overwaarde berekend op ƒ 98.000,- en vervolgens de vordering wegens onderbedeling van [appellante] van ƒ 49.000,- gecorrigeerd met een enkelvoudige rente van 5% over de periode van 1 juli 1981 tot en met 31 december 2012 en is aldus gekomen tot het door [geïntimeerde] te betalen bedrag van € 103.396,-.

3.2

De grieven van [appellante] in het principaal hoger beroep richten zich tegen de beslissingen van de rechtbank over de peildatum voor de waarde van de woning te [woonplaats] en de berekening van de overwaarde. Zij vordert in het principaal hoger beroep, na wijziging van eis, dat het hof het dictum onder 3.2 en 3.3 van het eindvonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest:

  1. aan [geïntimeerde] zal toedelen het onroerend goed aan de [straatnaam] te [woonplaats], (…) onder de voorwaarde dat [appellante] bij de levering van het onroerend goed aan [geïntimeerde] wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheekschuld, zo die nog zou bestaan;

  2. [geïntimeerde] zal veroordelen om de helft van de waarde van de ondergrond van het onroerend goed aan de [straatnaam] te [woonplaats] per 19 december 2012, vast te stellen door een door het hof benoemde makelaar, aan [appellante] te voldoen; of

  3. de helft van de waarde van de ondergrond en opstal aan de [straatnaam] te [woonplaats] per 19 december 2012, vast te stellen door een door het hof te benoemen makelaar, aan [appellante] zal voldoen, waarop in mindering komt de hypotheekschuld per 1 juli 1981 ad € 30.403,27 en de verbouwingskosten ad € 141.000,- althans een zodanig bedrag als het hof redelijk oordeelt.

3.3

De grieven van [geïntimeerde] in het incidenteel hoger beroep richten zich, kort weergegeven, tegen de verklaring voor recht dat de onroerende zaken in Italië niet in de gemeenschap zijn gevallen en op de vaststelling van de vergoeding van de overwaarde op

€ 103.396,-. De vorderingen van [geïntimeerde] in het incidenteel hoger beroep strekken kort gezegd tot verdeling van de onroerende zaken in Italië en de woning in [woonplaats].

onroerende zaken in Italië

3.4

Ingevolge artikel 1:94 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zoals dat luidde ten tijde van de huwelijkssluiting, geldt dat goederen die één van de echtgenoten krachtens erfrecht verkrijgt in de gemeenschap van goederen vallen, met uitzondering van goederen waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen (de zogeheten uitsluitingsclausule). Indien het hof met [appellante] ervan zou uitgaan dat zij deze onroerende zaken krachtens erfrecht heeft verkregen, zijn deze, nu vaststaat dat er geen uitsluitingsclausule is gemaakt, in de gemeenschap van goederen gevallen. Dit rechtsgevolg treedt niet in indien het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat deze geërfde onroerende zaken in de gemeenschap vallen. De vrouw beroept zich op deze uitzondering en stelt dat onverkorte toepassing van artikel 1:94 lid 1 BW in strijd is met de eisen van de redelijkheid en billijkheid.

Naar het oordeel van het hof is de enkele (gestelde) omstandigheid dat de erflater of erflaters niet erop bedacht hoefden te zijn dat de onroerende zaken in een gemeenschap van goederen zouden vallen, omdat naar Italiaans recht een erfenis altijd uitsluitend toekomt aan degene die erfgenaam is en niet mede aan diens (toekomstige) echtgenoot, onvoldoende om het oordeel te dragen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat deze onroerende goederen in de gemeenschap vallen. Andere feiten en omstandigheden die toepassing van de onaanvaardbaarheidsexceptie in deze zaak rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken. Vast staat dat [appellante] de Italiaanse onroerende zaken heeft verkregen voordat zij met [geïntimeerde] huwde. Zij had kunnen bewerkstelligen om bij huwelijkse voorwaarden deze onroerende zaken buiten de gemeenschap te houden. [geïntimeerde] heeft onbetwist gesteld dat [appellante] niet is ingegaan op zijn suggestie om huwelijkse voorwaarden te maken.

De grieven I en II van [geïntimeerde] slagen. Grief III ontbeert zelfstandige betekenis en behoeft daarom geen verdere bespreking. Verdeling van de Italiaanse onroerende zaken zal dienen te geschieden naar de waarde ten tijde van de uitspraak in dit hoger beroep of tegen een tijdstip dat zo dicht mogelijk daarbij ligt (HR 24 oktober 2003,

ECLI:NL:HR:2003:AL7035).

de woning aan de [straatnaam] in [woonplaats]

3.5

Tussen partijen is de peildatum voor de waardering van deze woning in geschil. Het hof stelt voorop, dat de datum van de verdeling als peildatum geldt voor de waardering van de tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende goederen. Dit is slechts anders als partijen een andere datum zijn overeengekomen of als op grond van redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard (vgl. HR 22 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7205). Gesteld noch gebleken is dat partijen anders zijn overeengekomen. Het hof ziet anders dan de rechtbank geen aanleiding op grond van de redelijkheid en billijkheid 1 juli 1981 als peildatum voor de waardering van de woning te bepalen. Dat sedert de echtscheiding meer dan dertig jaar zijn verstreken is daarvoor op zich niet voldoende. Er zijn geen andere feiten of omstandigheden komen vast te staan die afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen. Beide partijen hebben willens en wetens de mogelijkheid eerder (al dan niet in rechte) tot een verdeling te komen onbenut gelaten. Dat [appellante] het Italiaanse vermogen buiten iedere rekening en verantwoording heeft gehouden met inbegrip van de revenuen die zij daaruit verkreeg, zoals [geïntimeerde] aanvoert, kan dat niet anders maken. [geïntimeerde] was bekend met dit Italiaanse vermogen en heeft ook hier de mogelijkheid al dan niet in rechte rekening en verantwoording van [appellante] te verlangen onbenut gelaten. Dat de woning in [woonplaats] thans veel meer waard is dan in 1981 leidt niet tot een ander oordeel. Het hof constateert in dit verband tevens dat [appellante] ermee akkoord gaat dat bij de verdeling rekening wordt gehouden met de verbouwingskosten, voor zover deze komen vast te staan en de hypotheekschuld. De grieven van [appellante] slagen. De peildatum voor de waardering van de woning is 19 december 2012, nu de rechtbank de woning op die dag aan [geïntimeerde] heeft toegedeeld en partijen in dit hoger beroep niet de toedeling, maar de slechts waarde van de woning aan de orde hebben gesteld (HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6176).

3.6

Het hof ziet in dit stadium van de procedure aanleiding een comparitie te gelasten.

Tijdens de comparitie van partijen zal in elk geval aan de orde komen door wie en voor rekening van welke partij de waardebepaling in zowel Italië als in [woonplaats] zal dienen plaats te vinden. Ook zullen de mogelijkheden worden besproken om tot spoedige beëindiging van dit geschil te komen, ruim 33 jaar na de echtscheiding en met de nodige, deels kostbare en tijdrovende proceshandelingen nog in het verschiet. [appellante] wordt verzocht om uiterlijk 14 dagen voorafgaand aan de te gelasten comparitie stukken in het geding te brengen die betrekking hebben op de onroerende zaken in Italië die op 1 juli 1981 (de datum van ontbinding van het huwelijk en derhalve de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap) tot de huwelijksgemeenschap behoorden (inclusief eventuele zaaksvervanging nadien), zo mogelijk onderbouwd met kadastrale en/of notariële gegevens.

3.7

Iedere verdere beslissing wordt door het hof aangehouden.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

bepaalt dat partijen in persoon samen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hof, dat daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader door deze te bepalen dag en tijdstip, om inlichtingen te geven als hiervoor is overwogen en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bij deze comparitie bestaat geen gelegenheid om pleitnotities voor te dragen;

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden januari, februari en maart 2015 zullen opgeven op de roldatum 17 maart 2015, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door het hof zullen worden vastgesteld;

houdt alle overige beslissingen aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, J.H. Lieber en R. Prakke-Nieuwenhuizen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2015.