Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:1180

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-02-2015
Datum publicatie
20-02-2015
Zaaknummer
200.141.803-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijze van totstandkoming overeenkomst. Toepassing algemene voorwaarden. Franchisegever heeft een door haar ondertekende conceptovereenkomst aan franchisenemer gezonden, met inbegrip van een set algemene voorwaarden. Franchisenemer heeft de conceptovereenkomst niet teruggestuurd. Partijen hebben vervolgens gedurende drie jaren zaken met elkaar gedaan, waarbij de franchisenemer de aan het zijn van franchisenemer verbonden rechten heeft uitgeoefend en verplichtingen is nagekomen. Franchisegever heeft daaraan het vertrouwen kunnen en mogen ontlenen dat de franchisenemer instemde met de franchiseovereenkomst, inclusief de thans in het geding zijnde, in de algemene voorwaarden opgenomen vervaltermijn. Franchisenemer kan zich niet beroepen op de artikelen 6:236 en 6:237 BW, omdat hij heeft gehandeld in de uitoefening van zijn bedrijf, ook al was hij voordien in loondienst werkzaam en enige tijd werkloos. Ook reflexwerking baat hem niet, omdat artikel 2:236 aanhef en onder g BW een beperking van een vervaltermijn tot een jaar toestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.141.803/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/127286 / HA ZA 13-156)

arrest van de tweede kamer van 17 februari 2015

in de zaak van

1 [appellant 1],

gevestigd te [woonplaats 1],

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats 2],

3. [appellant 3],

wonende te [woonplaats 2],

4. [appellant 4],

wonende te [woonplaats 1],

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk ook te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. E.B.M. Brons-Stikkelbroeck, kantoorhoudend te Zeist,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats 3],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J. Faas, kantoorhoudend te Groningen.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 15 juli 2014 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

In het tussenarrest van 15 juli 2014 heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie is gehouden op 5 augustus 2014. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal maakt deel uit van de stukken. [appellanten] hebben bij gelegenheid van de comparitie akte genomen tot het overleggen van de op 24 juli 2014 bij de griffie van het hof ingekomen producties.

1.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

1.3

De vordering van [appellanten] zoals geformuleerd in de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van vijftien (15) januari tweeduizendveertien (2014), door de Rechtbank Noord-Nederland, afdeling Privaatrecht, onder zaaknummer C/17/127286/HA ZA 13-156, tussen appellanten als (toen) gedaagden en geïntimeerde als (toen) eiser, gewezen, te vernietigen, en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van geïntimeerde alsnog af te wijzen en geïntimeerde te veroordelen tot (terug)betaling van al hetgeen geïntimeerde uit hoofde van (de executie van) voormeld vonnis van appellant heeft ontvangen c.q. zal hebben ontvangen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van de procedure in beide instanties."

1.4

De vordering van [appellanten], zoals verwoord in de memorie van grieven luidt:

"te vernietigen het vonnis op 15 januari 2014 door de rechtbank te Midden-Nederland uitgesproken tussen appellanten als gedaagden en geïntimeerde als eiser en opnieuw rechtdoende, voor zover wettelijk toelaatbaar uitvoerbaar bij voorraad;

Geïntimeerde te veroordelen tot (terug)betaling van hetgeen appellanten uit hoofde van het vonnis waarvan beroep d.d. 15 januari 2014 heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf die datum;

Geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 119a BW over voornoemde kosten vanaf 14 dagen na de datum van het arrest."

2 De verdere beoordeling

De vordering

2.1

Het hof stelt vast dat de vordering van [appellanten], zoals geformuleerd in de dagvaarding in hoger beroep afwijkt van de vordering zoals die is weergegeven in de memorie van grieven. Het hof begrijpt de formulering in de memorie van grieven als een nadere invulling en specificering van de dagvaarding. [appellanten] hebben in de memorie van grieven met name niet opnieuw gevorderd de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog af te wijzen. Uit de grieven en uit de in de memorie van grieven herhaalde vordering tot terugbetaling van hetgeen [appellanten] uit hoofde van het vonnis van 15 januari 2014 hebben voldaan, leidt het hof evenwel af, dat [appellanten] nog steeds afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] beogen. Het hof zal het geschil dan ook mede op die grond beslissen.

De feiten

2.2

De rechtbank heeft in haar vonnis van 15 januari 2014 in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.14 diverse feiten weergegeven.

2.3

[appellanten] hebben in de grieven II, III en IV aangevoerd dat de rechtbank in haar vonnis ten onrechte verschillende in hun ogen relevante feiten, die zij in de grieven nader hebben omschreven, niet heeft vermeld.

2.4

Het hof overweegt ter zake dat er naar Nederlandse procesrecht geen rechtsregel bestaat die de rechter verplicht alle door de ene partij gestelde en door de andere partij erkende of niet weersproken feiten als vaststaand in de uitspraak te vermelden. Het staat de rechter vrij uit de tussen partijen vaststaande feiten die selectie te maken welke hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt. Anderzijds zijn [appellanten] uiteraard ook vrij in hoger beroep reeds in eerste aanleg gestelde feiten te herhalen en nieuwe feiten toe te voegen.

2.5

Het hof zal daarom voorbijgaan aan de grieven II, III en IV.

2.6

Tegen de weergave van de vaststaande feiten is verder geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, luiden als volgt.

2.7

[appellant 1], met als vennoten [appellant 2], [appellant 3] en hun zoon [appellant 4], produceert sinds 1947 schepijs. In de loop van 2008 heeft zij een nieuwe activiteit ontwikkeld in de vorm van het opzetten van een franchiseketen van ijssalons onder de naam "[X]'s ijs en chocolade" (verder te noemen [X]'s). In 2009 heeft zij de eerste vestiging geopend in [plaats 1].

2.8

[appellant 1] heeft franchisenemers geworven voor nieuwe vestigingen van [X]'s door onder meer flyers te verspreiden.

2.9

[geïntimeerde] is tot 1 januari 2009 in loondienst werkzaam geweest als commercieel medewerker. Vanaf die datum is hij werkloos geweest. Na het lezen van een flyer van [X]'s heeft hij in augustus 2009 contact gezocht met [appellant 1], wat heeft geresulteerd in een gesprek op 14 augustus 2009 met [appellant 4]. Tijdens dat gesprek heeft [geïntimeerde] een informatieblad in ontvangst genomen.

2.10

Eind augustus 2009 heeft [appellant 1] voor [geïntimeerde] een investeringsoverzicht en een prognose van de resultaten opgesteld. De prognose is gebaseerd op de (tussentijdse) resultaten van de vestiging van [X]’s in [plaats 1] en het rapport Cijfers en Trends van de Rabobank uit 2008.

2.11

Partijen hebben in oktober 2009 in een intentieverklaring hun voornemen uitgesproken om in de verhouding van franchisegever en franchisenemer te gaan samenwerken. Daarbij is [geïntimeerde] een nog niet van persoonlijke gegevens voorzien concept van de franchiseovereenkomst ter hand gesteld.

2.12

[appellant 1] heeft [geïntimeerde] op 14 januari 2010 een concept-akte van een gepersonaliseerde franchiseovereenkomst toegezonden. Op 20 januari 2010 heeft

[appellant 4] twee exemplaren van de franchiseovereenkomst aan [geïntimeerde] overhandigd met het oogmerk die ter gelegenheid van de opening van de ijssalon van [geïntimeerde] te ondertekenen. Partijen hebben de overeenkomst niet ondertekend.

2.13

In de conceptovereenkomst is in het "Algemeen Deel" het volgende opgenomen:

"D. Informatieverstrekking

De franchisegever heeft de franchisegever (hof: bedoeld zal zijn de franchisenemer) nauwkeurige schriftelijke informatie (hof: gegeven) met betrekking tot de franchiseketen in het algemeen en de onderhavige franchiseovereenkomst in het bijzonder, waaronder begrepen de van toepassing zijnde algemene verkoop- en leveringsvoorwaarden en huishoudelijke reglementen.

De in het vorige lid bedoelde informatie bevat mede alle door de franchisegever opgestelde ramingen van exploitatiekosten, financiële prognoses en overige informatie, met betrekking tot de openingskosten van de franchiseonderneming. Met behulp van de verkregen informatie is de franchisenemer in staat gesteld grondig kennis te nemen van het franchisesysteem.

Alle informatie is door de franchisegever naar beste kunnen en weten opgesteld en gebaseerd op ervaringen met één of meer zaken vergelijkbaar met de aan de franchisenemer voorgestelde zaak. De franchisegever garandeert de franchisenemer dat de in de vorige leden verstrekte informatie juist, objectief en verifieerbaar is, doch wenst niet geacht te worden garantie te geven dat de prognoses daadwerkelijk worden gerealiseerd.

(…)

De franchisenemer garandeert de franchisegever de juistheid en volledigheid van de door de franchisenemer op verzoek van de franchisegever verstrekte gegevens.

Onjuistheid of onvolledigheid van de in de vorige leden genoemde gegevens wordt geacht toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de uit de onderhavige overeenkomst voortvloeiende verplichtingen op te leveren, tenzij blijkt, dat de desbetreffende partij te goeder trouw heeft gehandeld en de gebrekkigheid van dien aard is dat zij bij de beoordeling niet essentieel is geweest.

E. Bedenktijd of beraadperiode

(…)

Een vordering voortvloeiende uit hetgeen onder D en E is gesteld vervalt, indien deze niet binnen één jaar na aanvang van de onderhavige overeenkomst is ingesteld."

2.14

[appellant 1] is betrokken geweest bij de ontwikkeling en inrichting van de ijssalon van [geïntimeerde] in [plaats 2]. De opening van de ijssalon onder de naam "[X]'s ijs en chocolade" heeft op 29 januari 2010 plaatsgevonden. Vanaf dat tijdstip is de ijssalon bevoorraad door [appellant 1] en heeft [geïntimeerde] deelgenomen aan de activiteiten van [X]'s.

2.15

Bij e-mails van 29 augustus 2011, 26 september 2011 en 17 februari 2012 heeft [geïntimeerde] bij [appellant 1] klachten geuit over het verstrekte cijfermateriaal en gewezen op zijn slechte financiële positie.

2.16

[appellant 1] heef haar rechten uit de franchiseovereenkomsten per 1 juni 2012 overgedragen aan [Franchise B.V.] Hiervan is de franchisenemers mededeling gedaan bij e-mail van 4 juni 2012.

2.17

Bij brief van 12 juni 2012 hebben de franchisenemers van de vestigingen van [X]’s in [plaats 3], [plaats 4], [plaats 5], [plaats 6], [plaats 7], [plaats 8], [plaats 1], [plaats 2] en [plaats 9] het volgende - voor zover hier van belang - aan [appellant 4] geschreven:

“Zoals reeds op de laatste franchisevergadering in Staphorst besproken zijn er grote zorgen omtrent de financiële prestaties en/of financiële situaties van de franchisenemers. Om deze reden zijn op maandag 4 juni 2012 een aantal franchisenemers bij elkaar gekomen. Financiële resultaten en situaties zijn besproken en de resultaten hiervan zijn eenduidig. De conclusie is dat franchisenemers onvoldoende inkomen genereren uit de exploitatie van hun vestiging(en). Het gevolg hiervan is dat op korte en/of lange termijn de formule van [X]'s hierdoor geschaad zal worden, omdat er vestigingen (noodgedwongen) zullen sluiten."

2.18

In een op verzoek van [geïntimeerde] door drs. [Y] RV (verder ook: [Y]) van [bedrijf] op 12 februari 2013 uitgebracht rapport is als conclusie opgenomen:

"7. Conclusie

Naar aanleiding van de in deze brief verwoorde bevindingen blijkt dat de door de

franchisegever afgegeven prognose niet realistisch was. Daarnaast blijkt dat er tijdens het

opstellen van de prognose voor de franchisegever informatie voorhanden was (met name

de cijfers van de vestiging [plaats 1]) die bij deugdelijk onderzoek hadden geleid tot een

andere prognose.”

De vordering en de beslissing in eerste aanleg

2.19

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de rechtbank de tussen hem en [appellant 1] gesloten franchiseovereenkomst vernietigt op grond van dwaling en daarnaast voor recht verklaart dat [appellanten] onrechtmatig hebben gehandeld tegenover hem, een en ander onder de bepaling dat de aan hem te betalen schadevergoeding zal worden opgemaakt bij staat en zal worden vereffend volgens de wet. Tevens heeft hij gevorderd dat [appellanten] zullen worden veroordeeld in de kosten van de procedure, waaronder buitengerechtelijke kosten en de kosten van de deskundige [Y].

2.20

De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen, met uitzondering van de buitengerechtelijke kosten.

De grieven

2.21

Grief V is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de omstandigheid dat partijen het concept van de franchiseovereenkomst nooit hebben ondertekend steun biedt aan de stelling van [geïntimeerde] dat hij het aanbod van [appellanten] om een franchiseovereenkomst te sluiten overeenkomstig het concept, niet heeft aanvaard (rechtsoverweging 4.2). [appellanten] hebben aangevoerd dat [geïntimeerde] op het moment van het tekenen van de intentieovereenkomst al wist wat de inhoud van de latere franchiseovereenkomst zou zijn en dat hij daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt. Uit de intentieverklaring in combinatie met de e-mails van 2 en 4 oktober 2009 met de bijbehorende bijlagen, blijkt volgens [appellanten] precies wat de verdere inhoud van de overeenkomst zou zijn. Op 14 januari 2010 is [geïntimeerde] een conceptovereenkomst toegestuurd met de ingevulde naam en de adresgegevens en op 20 januari 2010 zijn [geïntimeerde] twee te ondertekenen exemplaren overhandigd bij gelegenheid van een training voorafgaand aan de opening van de ijssalon. [geïntimeerde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de concepten en is na de opening van de ijssalon op 29 januari 2010 aan de slag gegaan als franchisenemer, waarbij hij zich steeds heeft gedragen naar de afspraken als verwoord in de franchiseovereenkomst, aldus [appellanten] Zij hebben er daarom volgens hen op mogen vertrouwen dat de in de franchiseovereenkomst genoemde rechten en verplichtingen tussen partijen van toepassing zijn, waaronder de onder E genoemde vervaltermijn. Zij hebben gesteld dat [geïntimeerde] pas geruime tijd na het verstrijken van die vervaltermijn een beroep op dwaling heeft gedaan. [geïntimeerde] heeft naar hun mening evenmin binnen een bekwame tijd als bedoeld in artikel 6:89 BW geklaagd over de beweerdelijk gebrekkige informatie.

2.22

[geïntimeerde] heeft gesteld dat partijen geen schriftelijke franchiseovereenkomst hebben gesloten. Hij heeft weliswaar verschillende conceptovereenkomsten ontvangen, maar hij is daar nooit mee akkoord gegaan. [geïntimeerde] heeft verder betoogd dat hij evenmin kan worden geacht de inhoud van de concepten te hebben aanvaard, te meer niet nu het voor partijen duidelijk was dat hij expliciet akkoord diende te gaan met de schriftelijke franchiseovereenkomst.

2.23

Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in het geding dat tussen [appellant 1] en [geïntimeerde] een franchiseovereenkomst tot stand is gekomen (zie ook punt 15 memorie van antwoord). Wel worden zij verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of er een overeenkomst tot stand is gekomen op basis van de door [appellant 1] aan [geïntimeerde] toegestuurde concepten, dan wel een overeenkomst ingekleurd door de intentieverklaring en het door [appellant 1] aan [geïntimeerde] overhandigde handboek.

2.24

Het hof heeft ter comparitie van 5 augustus 2014 de gang van zaken rond de totstandkoming van de franchiseovereenkomst nogmaals met partijen besproken. Op grond van de vaststaande feiten, nader ingekleurd door de ter comparitie verkregen informatie, kan de volgende gang van zaken worden gereconstrueerd.

Nadat [geïntimeerde] naar aanleiding van een flyer van [X]'s contact had opgenomen met [appellant 1] en een of meer oriënterende gesprekken hadden plaatsgevonden, hebben [geïntimeerde] en [appellant 1] in oktober 2009 een intentieverklaring ondertekend, waarbij zij de intentie hebben uitgesproken te komen tot de realisering van een [X]'s ijssalon aan het [adres] te [plaats 2] op basis van een franchiseovereenkomst met [appellant 1] als franchisegever en [geïntimeerde] als franchisenemer. Bij die gelegenheid zijn aan [geïntimeerde] een handboek en een conceptovereenkomst uitgereikt. In de daarop volgende periode is in overleg tussen [appellant 1] en [geïntimeerde] de inrichting en opening van de ijssalon voorbereid. In de woorden van partijen zaten zij in een rijdende trein.

Op 14 januari 2010 heeft [appellant 1] een conceptovereenkomst aan [geïntimeerde] gezonden waarin ook de naam van [geïntimeerde] en zijn adresgegevens waren vermeld. Op 20 januari 2010 heeft [appellant 4] twee exemplaren van de (concept)franchiseovereenkomst aan [geïntimeerde] overhandigd met het oogmerk die tijdens de opening van de ijssalon te ondertekenen. De ondertekening heeft per saldo niet plaatsgevonden, omdat [geïntimeerde] de overeenkomsten tijdens de opening niet bij zich had. Hij was het, zo heeft hij ter comparitie bevestigd, niet eens met het ontbreken van de algemene leveringsvoorwaarden en enkele in de overeenkomst opgenomen voorwaarden, meer in het bijzonder het concurrentiebeding en de regeling ter zake van de omvang van het rayon. Na de opening van de ijssalon hebben partijen, zo is komen vast te staan, zaken met elkaar gedaan in overeenstemming met de inhoud en strekking van de franchiseovereenkomst. [geïntimeerde] heeft voorts, nadat aan de franchisenemers was medegedeeld dat de rechten en verplichtingen uit de franchiseovereenkomst waren overgedragen aan [Franchise B.V.], de exploitatie van zijn ijssalon op de gebruikelijke wijze met [Franchise B.V.] voortgezet.

2.25

Naar het oordeel van het hof heeft [appellant 1] aan het feit dat [geïntimeerde] vanaf de opening van de ijssalon zaken met haar heeft gedaan, zich als franchisenemer heeft gedragen, de daaraan verbonden rechten heeft uitgeoefend en zijn verplichtingen is nagekomen, het vertrouwen kunnen en mogen ontlenen dat [geïntimeerde] instemde met de franchiseovereenkomst met uitzondering van de door hem betwiste voorwaarden, doch met inbegrip van de niet bestreden voorwaarde ter zake van de vervaltermijn. Het feit dat [geïntimeerde] de hem op 20 januari 2010 voorgelegde overeenkomst niet heeft ondertekend doet daar onvoldoende aan af. Het gaat erom dat [appellanten] er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat dat de wil van [geïntimeerde] gericht was op het tot stand brengen van de franchiseovereenkomst, zoals die was vastgelegd in de door [appellant 4] overhandigde conceptovereenkomst. Dat er sprake was van franchising staat tussen partijen vast en gesteld, noch gebleken is dat [geïntimeerde] zich heeft verzet tegen de in de overeenkomst opgenomen voorwaarden. [geïntimeerde] heeft integendeel juist uitvoering gegeven aan de aldus vastgelegde overeenkomst en is dat ook na januari 2010 blijven doen.

[geïntimeerde] kan thans niet na meer dan drie jaren op de hiervoor omschreven basis zaken met [appellant 1] en later [Franchise B.V.] te hebben gedaan een nadere afweging maken ter zake van de vraag welke eerder door hem aanvaarde voorwaarden hij alsnog niet tegen zich wenst te laten gelden. Maatstaven van redelijkheid en billijkheid verzetten zich daar tegen.

2.26

[geïntimeerde] heeft gesteld dat de vervaltermijn een algemene voorwaarde is als bedoeld in artikel 6:231 BW. Volgens hem dient deze voorwaarde te worden vernietigd op grond van artikel 2:233 aanhef en onder a BW in samenhang met de artikelen 2:236 en 2:237 BW.

2.27

Het hof is met [geïntimeerde] van oordeel dat deze bepaling als algemene voorwaarde is aan te merken, omdat uit verschillende stukken blijkt dat [appellant 1] de voorwaarde standaard heeft opgenomen in alle franchiseovereenkomsten die zij met franchisenemers heeft gesloten en het geen kernbeding betreft. [geïntimeerde] kan zich echter niet beroepen op de artikelen 2:236 en 2:237 BW, omdat hij heeft gehandeld in de uitoefening van zijn bedrijf. Dat hij voordien in loondienst werkzaam is geweest en enige tijd een werkloosheidsuitkering heeft ontvangen maakt dat niet anders. Maar ook in het geval aan deze bepalingen reflexwerking zou moeten worden toegekend, zoals [geïntimeerde] heeft bepleit, baat hem dat niet, omdat artikel 2:236 aanhef en onder g BW een beperking van een verjarings- of vervaltermijn tot een termijn van een jaar toestaat. Artikel 6:237 aanhef en onder h BW is op de onderhavige situatie niet van toepassing, omdat de onderhavige bepaling het recht op vernietiging van de overeenkomst niet uitsluit, maar daar een termijn van een jaar aan verbindt.

Evenmin is anderszins gebleken dat de voorwaarde onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:233 aanhef en onder a BW. Bij een zorgvuldige monitoring van de bedrijfsgegevens kan binnen een jaar een voldoende duidelijk beeld worden verkregen van de nauwkeurigheid van de gepresenteerde prognoses.

2.28

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen moet worden geoordeeld dat de overeengekomen vervaltermijn van één jaar na de totstandkoming van de overeenkomst, voor welk tijdstip het hof uitgaat van de dag van de opening van de ijssalon, in de weg staat aan de vordering van [geïntimeerde] tot vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling.

Aangezien aan de vordering van [geïntimeerde] uit hoofde van onrechtmatige daad door [geïntimeerde] hetzelfde feitencomplex ten grondslag is gelegd als aan de vordering tot vernietiging van de overeenkomst, staat de meergenoemde vervaltermijn ook in de weg aan toewijzing van de vordering gebaseerd op onrechtmatige daad.

De vorderingen van [geïntimeerde] moeten daarom worden afgewezen. Aangezien de vorderingen reeds hierom moeten worden afgewezen behoeft de vraag of [geïntimeerde] de juiste partijen heeft gedagvaard geen bespreking meer, evenmin als de overige grieven.

2.29

Grief V slaagt.

Afronding

2.30

Nu grief V slaagt dient het bestreden vonnis van de rechtbank van 15 januari 2014 te worden vernietigd. Het hof zal de vorderingen van [geïntimeerde], zoals geformuleerd in de dagvaarding in eerste aanleg alsnog afwijzen.

2.31

[appellanten] hebben tevens gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen om al hetgeen zij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] hebben voldaan terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2014.

2.32

Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 30 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN7327 heeft geoordeeld, strookt het met de eisen van een goede rechtspleging de mogelijkheid aan te nemen dat in hoger beroep met het oog op het verkrijgen van een executoriale titel aan de vordering tot vernietiging van het bestreden vonnis een vordering tot ongedaanmaking van de ingevolge dat vonnis verrichte prestatie wordt verbonden.

2.33

De vordering van [appellanten] tot terugbetaling ligt voor toewijzing gereed nu het vonnis van de rechtbank van 15 januari 2014 zal worden vernietigd en de vorderingen van [geïntimeerde] zullen worden afgewezen, met dien verstande dat wettelijke rente zal worden toegewezen met ingang van de dag van betaling tot de dag van terugbetaling.

2.34

Verder zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg, als in hoger beroep.

De kosten van de procedure in eerste aanleg worden aan de zijde van [appellanten] begroot op

€ 589,- aan griffierecht en € 904,- (2 punten, tarief II, € 452,- per punt) aan geliquideerd salaris van de advocaat.

De kosten van de procedure in hoger beroep worden aan de zijde van [appellanten] begroot op € 93,80 aan explootkosten, € 704,- aan griffierecht en € 1.788,- (2 punten, tarief II, € 894,- per punt) aan geliquideerd salaris van de advocaat. De proceskostenveroordeling in hoger beroep zal worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW zoals in het dictum nader zal worden bepaald en niet met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW, zoals gevorderd, omdat een vergoeding voor proceskosten niet is aan te merken als schade voortvloeiend uit een handelsovereenkomst.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 14 januari 2014

en opnieuw recht doende:

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] tot (terug)betaling aan [appellanten] van hetgeen [appellanten] uit hoofde van de veroordeling bij vonnis van 14 januari 2014 aan [geïntimeerde] hebben betaald, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure, welke aan de zijde van [appellanten] worden begroot op:

- in eerste aanleg € 589,- aan griffierecht en € 904,- aan geliquideerd salaris van de advocaat;

- in hoger beroep op € 93,80 aan explootkosten, € 704,- aan griffierecht en € 1.788,- aan geliquideerd salaris van de advocaat;

- te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de hiervoor vermelde bedragen vanaf 15 dagen na de dagtekening van dit arrest tot de dag der algehele voldoening;

verklaart de hiervoor vermelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. B.J.H. Hofstee, mr. G. van Rijssen en mr. I. Tubben en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2015.