Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:1092

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-02-2015
Datum publicatie
23-07-2020
Zaaknummer
200.127.740
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2639, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:402
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.127.740

(zaaknummer rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Zutphen, 108041)

arrest van de tweede kamer van 17 februari 2015

in de zaak van

1 de maatschap naar burgerlijk recht [appellant 1] & Co Accountants & Adviseurs,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

hierna: de maatschap,

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats 1] , België,

hierna: [appellant 2] ,

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het (deels voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

hierna gezamenlijk: [appellanten] ,

advocaat: mr. R. van Biezen,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde 1] Accountancy & Advies B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

hierna: [geïntimeerde 1] ,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

hierna: [geïntimeerde 2] ,

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het (deels voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

hierna gezamenlijk: [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. J.J. Dekker.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de tussen [geïntimeerden] als eisers in conventie/ verweerders in reconventie en [appellanten] als gedaagden in conventie/ eisers in reconventie gewezen vonnissen van de rechtbank Zutphen respectievelijk rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Zutphen, van 16 februari 2011 en 16 januari 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 11 april 2013,

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord in het principaal hoger beroep/tevens memorie van grieven in het deels voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

- de memorie van antwoord in het deels voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

- de pleitnota's van de op 12 januari 2015 gehouden pleidooien. Hierbij is akte verleend van de stukken die bij bericht van 4 december 2014 door mr. Van Biezen en van de stukken die bij brief van 25 december 2014 (aangevuld bij brief van 5 januari 2015) van mr. Dekker zijn ingebracht.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald op één dossier.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof heeft in zijn arrest van 20 maart 2012 het door de maatschap ingestelde hoger beroep tegen het tussenvonnis van 16 februari 2011, waarin tussentijds hoger beroep was opengesteld, afgewezen en het tussenvonnis bekrachtigd.

3.2

Ook in dit hoger beroep gaat het hof uit van de feiten die de rechtbank in het vonnis van 16 februari 2011 onder 2.1 tot en met 2.13 heeft vastgesteld.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Na het arrest van 20 maart 2012 gericht tegen het tussenvonnis van 16 februari 2011 hebben partijen in eerste aanleg doorgeprocedeerd over de (verdere) afrekening tussen partijen nadat de tussen hen geldende partnerovereenkomst per 31 juli 2008 is beëindigd. In het eindvonnis heeft de rechtbank in conventie geoordeeld dat [geïntimeerden] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen ingesteld tegen [appellant 2] en dat aan [geïntimeerden] nog een beloning toekomt van € 119.463, vermeerderd met de contractuele rente. Voorts is de rechtbank, na daartoe bewijs te hebben opgedragen aan [geïntimeerden] in het tussenvonnis, tot het oordeel gekomen dat de maatschap slechts ten aanzien van één klant aan [geïntimeerden] een goodwillvergoeding (van € 4.000) dient te betalen. In reconventie heeft de rechtbank [appellant 2] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen en de vorderingen van de maatschap afgewezen. De rechtbank heeft in conventie en in reconventie de maatschap in de proceskosten veroordeeld en het anders of meer gevorderde afgewezen. Thans zijn beide partijen in hoger beroep gekomen. [appellanten] is in principaal hoger beroep tegen het eindvonnis van 16 januari 2013 opgekomen met vijf ongenummerde grieven. [geïntimeerden] heeft het incidenteel hoger beroep gericht tegen de vonnissen van 16 februari 2011 en 16 januari 2013 met één voorwaardelijke grief en één onvoorwaardelijke grief. Het hof stelt vast dat, zowel in het principaal als incidenteel hoger beroep, geen grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in conventie, dat [geïntimeerden] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen voor zover ingesteld tegen [appellant 2] , en in reconventie, dat [appellant 2] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen. Het hoger beroep door en tegen [appellant 2] is derhalve niet-ontvankelijk.

4.2

De eerste grief in het principaal hoger beroep heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank in r.o. 2.14 dat de maatschap de gefactureerde omzet door [geïntimeerden] niet, althans niet voldoende gemotiveerd heeft betwist. Als eerste bezwaar keert de maatschap zich met betrekking tot de hierna te bespreken drie verschillen tegen de omdraaiing van de bewijslast door de rechtbank, die volgens de maatschap bij [geïntimeerden] rust.

Het hof oordeelt hierover als volgt. Anders dan de maatschap heeft aangevoerd, heeft de rechtbank de bewijslast niet omgekeerd. De rechtbank heeft uitsluitend hetgeen de maatschap ter betwisting naar voren heeft gebracht tegen de onderbouwing van [geïntimeerden] van haar vordering inzake de nog door de maatschap te betalen beloning ter zake van gerealiseerde omzet, als onvoldoende beoordeeld om de stellingen van [geïntimeerden] hieromtrent te weerleggen. Van omkering van de bewijslast is geen sprake.

4.3

In hoger beroep heeft de maatschap als productie H1een analyse overgelegd waarbij de structuur is gevolgd van de door [geïntimeerden] als productie 1 bij akte van 23 mei 2012 overgelegde "Berekening eindafrekening [appellant 2] ". De maatschap heeft achter de door [geïntimeerden] gepresenteerde cijfers een kolom toegevoegd met cijfers afkomstig uit haar centrale administratie. Volgens de maatschap blijkt dat er sprake is van een aantal verschillen, die betrekking hebben op het volgende.

- Afwijkende omzetten

4.4

Volgens de maatschap blijkt uit productie H4, waarin de omzetgegevens over 2006 en 2007 zijn overgelegd, dat er (kleine) negatieve verschillen bestaan tussen de door [geïntimeerden] gepresenteerde gegevens en die van de maatschap. Op grond van de cijfers van de maatschap is de omzet over 2006 € 2.961 minder geweest dan [geïntimeerden] in productie 1 bij akte van 23 mei 2012 heeft opgenomen en over 2007 bedraagt het verschil een bedrag van € 4.762 minder.

[geïntimeerden] benadrukt dat zij sinds haar vertrek bij [appellanten] geen toegang meer heeft gehad tot de administratie van de maatschap en dat zij - met grote inspanning - op grond van de haar in hard copy ter beschikking staande gegevens haar vordering heeft onderbouwd. [geïntimeerden] baseert haar berekeningen op de weekstaten die [geïntimeerde 2] voor zijn eigen administratie heeft bewaard. Dit zijn de staten die door [geïntimeerden] in het systeem van de maatschap werden ingevoerd. Op basis daarvan konden de thans door de maatschap als productie H4 overgelegde overzichten gemaakt worden. [geïntimeerden] voert aan dat zij niet kan ontdekken waar de verschillen precies zitten.

4.5

Het hof stelt vast dat de maatschap thans in hoger beroep de hiervoor genoemde stukken heeft overgelegd ter betwisting van de door [geïntimeerden] reeds eerder overgelegde stukken bij haar akte van 23 mei 2012. De cijfers van [geïntimeerden] over de jaren 2005 en 2008 heeft de maatschap niet betwist. De betwisting heeft louter betrekking op twee relatief kleine verschillen over de jaren 2006 en 2007. Het hof is van oordeel dat de maatschap niet kan volstaan met het overleggen van de stukken in hoger beroep zonder preciezer aan te geven op grond waarvan deze door haar gesignaleerde verschillen zijn ontstaan. Dit had op de weg van de maatschap gelegen nu zij (voor het eerst in hoger beroep en ondanks herhaald aandringen van [geïntimeerden] ) stukken heeft overgelegd uit haar centrale administratie. Het hof is van oordeel dat de maatschap weliswaar thans haar betwisting van de onderbouwde stelling van [geïntimeerden] over de hoogte van de eindafrekening nader heeft gemotiveerd, maar het enkele overleggen van een aantal producties en een totaal overzicht (in productie H1) is onvoldoende om de door haar aangevoerde verschillen te kunnen verklaren nu deze ook niet zonder meer uit de overgelegde stukken volgen. Een dergelijke verklaring ontbreekt, ondanks het door [geïntimeerden] gevoerde verweer, dat het haar - onder verwijzing naar de in hoger beroep overgelegde weekstaten over 2006 en 2007 die zij tot haar beschikking had en op grond waarvan de invoering in het centrale administratiesysteem heeft plaatsgevonden - niet duidelijk is waarin de verschillen precies zitten en zij daardoor niet in staat was om daarop te reageren. Het hof is dan ook van oordeel dat het op de weg van de maatschap had gelegen om zich - in dit stadium - niet te beperken tot het noemen van door haar gesignaleerde verschillen maar dat zij preciezer had moeten duiden op welke wijze haar berekening verschilt met die van [geïntimeerden] Door dit niet te doen heeft de maatschap, ook in hoger beroep, de stellingen van [geïntimeerden] onvoldoende gemotiveerd betwist. Dit leidt er toe dat de maatschap onvoldoende heeft gesteld om tot tegenbewijs te worden toegelaten.

- Kilometervergoeding

4.6

Een ander verschil tussen de in hoger beroep overgelegde berekening van de maatschap en de berekening van [geïntimeerden] waarvan de rechtbank is uitgegaan, wordt volgens de maatschap veroorzaakt doordat [geïntimeerden] ten onrechte in haar berekening kilometervergoedingen heeft opgenomen. De maatschap betwist, onder verwijzing naar artikel 2 lid 6 van de partnerovereenkomst, dat zij een kilometervergoeding verschuldigd is. Over de jaren 2005 tot en met 2008 heeft [geïntimeerden] ten onrechte een totaal bedrag van € 5.433 in haar berekeningen meegenomen. [geïntimeerden] stelt hiertegenover dat het gaat om reiskosten die aan de klanten werden doorbelast en dus aan haar toekomen.

4.7

Het hof oordeelt als volgt. Uit productie H4 (omzetgegevens 2006 en 2007) aan de zijde van de maatschap in samenhang gezien met de door [geïntimeerden] bij akte van 23 mei 2012 overgelegde berekening volgt, dat de daarin opgenomen geclaimde kilometers in de omzetgegevens van de maatschap zijn opgenomen, zoals [geïntimeerden] ook heeft aangevoerd. Dit wijst erop dat ook de maatschap ervan is uitgegaan dat deze kosten bij de klanten in rekening zijn gebracht. Zonder nadere toelichting, die de maatschap niet heeft gegeven, moet er dan ook van worden uitgegaan dat de door [geïntimeerden] geclaimde kilometervergoeding, ook in de optiek van de maatschap tot de door [geïntimeerden] gegenereerde omzet behoort en dus moet worden meegenomen bij de afrekening. Feiten of omstandigheden op grond waarvan de maatschap redelijkerwijs anders had moeten begrijpen, heeft zij niet aangevoerd, zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen.

- Interest

4.8

De maatschap betwist het door [geïntimeerden] in haar afrekening opgenomen gevorderde en toegewezen bedrag aan rente van in totaal € 9.098, nu [geïntimeerden] deze rente zelf heeft uitgerekend en zij geen onderbouwing heeft gegeven van deze berekening. [geïntimeerden] heeft bij memorie van antwoord in principaal hoger beroep als productie 1 een geactualiseerde eindafrekening per 31december 2013 opgenomen alsmede een gespecificeerde interestberekening, die - afgerond - correspondeert met het totaal bedrag van € 9.098.

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] met deze berekening de door haar gevorderde interest voldoende gespecificeerd heeft onderbouwd. De maatschap heeft geen andere bezwaren tegen de toegewezen interest aangevoerd.

Uit het voorgaande volgt dat de eerste grief in het principaal hoger beroep faalt.

4.9

De tweede grief in het principaal hoger beroep en de voorwaardelijke grief 1 in het incidenteel appel hebben betrekking op de vraag welke afboekingen door het oordeel van de rechtbank en van het hof (in zijn arrest van 20 maart 2012) dat de maatschap haar recht heeft verwerkt om in het kader van de nog te maken afrekening nog afboekingen door te voeren, zijn getroffen en welke niet. De maatschap onderscheidt drie categorieën van situaties waarin zij haar recht om tot afboeking over te gaan volgens haar niet heeft verwerkt. Schematisch kan dit als volgt worden weergegeven.

Uren medewerkers

Uren [geïntimeerde 2]

Eigen klanten

Categorie I: nog af te boeken bedrag € 12.164

(art. 2 lid 3 partner-overeenkomst)

Categorie II: nog af te boeken bedrag € 6.344

(art. 2 lid 3 partner-

overeenkomst)

Haagse/overige klanten

rechtsverwerking > door de maatschap aanvaard

Categorie III: nog af te boeken bedrag € 59.703

(art. 2 lid 1 partner-

overeenkomst)

[geïntimeerden] heeft, samengevat, hier tegenover gesteld dat de maatschap ten aanzien van alle genoemde categorieën haar recht heeft verwerkt om alsnog tot enige afboeking over te gaan. [geïntimeerden] is pas in het voorjaar van 2008 op de hoogte gesteld dat de bevoorschotting reeds vanaf 2005 te hoog zou zijn geweest, terwijl zij eerst bij brief van 24 april 2009 (productie 18 bij inleidende dagvaarding) van [appellant 2] namens de maatschap aan (de advocaat van) [geïntimeerden] een cijfermatige uiteenzetting heeft ontvangen welke afboekingen er volgens de maatschap moeten plaatsvinden. [geïntimeerden] stelt dat zij vanaf 2005 tot de brief van 24 april 2009 geen zicht had op welke afboekingen er plaatsvonden, dat zij daardoor ernstig is benadeeld nu haar daardoor de mogelijkheid is ontnomen om zelf in te grijpen of een bijdrage te leveren in het innen van de haar aangaande openstaande debiteuren, dan wel bezwaar te maken tegen deze gang van zaken, dan wel haar werkzaamheden voor de maatschap te staken. [geïntimeerden] heeft bij wijze van voorwaardelijk incidenteel hoger beroep aangevoerd, dat in het geval het hof van oordeel is dat de rechtsverwerking niet geldt voor alle categorieën, dit alsnog door het hof moet worden geconcludeerd.

4.10

Het hof stelt het volgende voorop. Van rechtsverwerking kan sprake zijn indien de schuldeiser zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt, dat de schuldeiser zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in het geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog gelden zou maken.

Vaststaat dat het arrest van 20 maart 2012 kracht van gewijsde heeft en dat daarmee tussen partijen vast staat hetgeen het hof onder 4.4 van dat arrest heeft overwogen. Het hof roept in herinnering dat de voor dit oordeel relevante grieven van de maatschap gericht waren tegen r.o. 4.9 tot en met 4.13 van het tussenvonnis. Zoals het hof in het arrest van 20 maart 2012 onder 4.3 heeft vermeld, stond daarbij het partijdebat centraal over het antwoord op de vraag of [geïntimeerden] cliënthandler was van vrijwel alle cliënten van het Haagse kantoor. In dat kader heeft (ook) het hof onder 4.4 geoordeeld dat de maatschap haar recht heeft verwerkt om [geïntimeerden] in het kader van de nog te maken afrekening tussen partijen met afboekingen van door andere medewerkers gemaakte uren voor klanten waarvoor [geïntimeerden] cliënthandler is.

Het hof is van oordeel dat ook de vraag of de maatschap haar recht heeft verwerkt om bij de afrekening tussen partijen uren af te boeken van medewerkers op eigen klanten van [geïntimeerden] , daartoe niet beperkt tot het Haagse kantoor, bevestigend moet worden beantwoord. Doorslaggevend voor dit oordeel is dat de maatschap [geïntimeerden] in een zodanig stadium over de afboekingen heeft geïnformeerd dat [geïntimeerden] daardoor de mogelijkheid is ontnomen om zich te beraden op haar positie en om zelf nog enige invloed uit te oefenen op de factoren die de afboekingen en de omvang daarvan beïnvloedden. Dit betekent dat de maatschap ook haar rechten heeft verwerkt ten aanzien van categorie I.

4.11

De maatschap heeft haar standpunt ten aanzien van categorie III onderbouwd door als productie H3 een "compleet overzicht van de afboekingen/niet geïnde bedragen betreffend uren van [geïntimeerden] op de Haagse klanten (overige) klanten" in het geding te brengen. De overgelegde stukken zijn afkomstig uit de centrale administratie van de maatschap. Volgens de maatschap betreft deze afboekingen van "voornamelijk de Haagse klanten, dus de klanten waarvoor [geïntimeerden] zelf verantwoordelijk was. Althans in de zin dat hij zorg droeg voor facturatie, afboekingen en vaststellen van budgetten".

Over de vraag of [geïntimeerden] als cliënthandler van de Haagse klanten beschouwd moet worden, is, zoals uit het voorgaande volgt, reeds geoordeeld. De maatschap heeft niet voldoende onderbouwd waar zij het verschil legt tussen "Haagse" en "overige" klanten. Voor zover dit eigen klanten zijn van [geïntimeerden] zal hierover hierna worden geoordeeld. Het oordeel over categorie III wordt niet anders door de in hoger beroep overgelegde producties H5 en H6 aan de zijde van de maatschap, die concept-afrekeningen bevatten over 2005 en 2006. Juist is dat in dit overzicht regels zijn opgenomen met betrekking tot afboekingen. Achter de regels is echter "PM" opgenomen. Onder het overzicht is een tekst opgenomen dat [geïntimeerde 2] heeft gewerkt op klanten die behoren tot een andere cliënthandler, waarbij de productie nog niet is geïnd. Een en ander laat echter onverlet dat [geïntimeerden] tot 2009 geen inzicht had of geïnformeerd was over de (omvang) van de afboekingen. Dat er mogelijk afboekingen zouden plaatsvinden, heeft [geïntimeerden] ook niet betwist. Waar het om gaat is dat [geïntimeerden] doordat zij daarmee eerst in 2009 werd geconfronteerd, volledig buiten spel is geplaatst. Om die reden heeft de maatschap ook ten aanzien van categorie III haar recht verwerkt om in het kader van de afrekening [geïntimeerden] alsnog met deze kennelijke afboekingen te belasten.

4.12

Anders ligt dit naar het oordeel van het hof met betrekking tot categorie II. Hierbij gaat het om afboekingen van door [geïntimeerde 2] zelf gemaakte uren ten behoeve van zijn eigen klanten. Uit de stukken van [geïntimeerden] volgt (onder meer: inleidende dagvaarding onder 53, akte van 23 mei 2012 onder 5, akte van 8 augustus 2012 onder 1 en 2 en pleitnota van 20 februari 2012 pagina 2, 5e alinea laatste regel in het pleidooi voor het hof in de zaak waarin het hof op 20 maart 2012 arrest heeft gewezen) dat [geïntimeerden] afboekingen van de uren van [geïntimeerde 2] op de eigen klanten aanvaardt. Hierbij heeft [geïntimeerden] echter telkens de kanttekening geplaatst zij dergelijke afboekingen slechts aanvaardbaar acht mits de maatschap stukken overlegt waaruit volgt dat de afboekingen gerechtvaardigd zijn. In onderhavig hoger beroep heeft [geïntimeerden] de stelling betrokken dat de maatschap ook ten aanzien van het afboeken van deze uren haar recht heeft verwerkt. [geïntimeerden] heeft dit, desgevraagd, tijdens het pleidooi bevestigd. Het hof volgt [geïntimeerden] hierin echter niet en oordeelt als volgt. De maatschap draagt de bewijslast van haar stelling dat zij een bedrag van € 6.344 heeft afgeboekt op de door [geïntimeerde 2] op eigen klanten gemaakte uren. [geïntimeerden] heeft betwist dat het hier gaat om oninbare vorderingen. Het hof stelt vast dat de maatschap geen stukken heeft overgelegd waaruit kan volgen wat zij heeft gedaan om deze vorderingen te innen, zoals bijvoorbeeld aanmaningen en eventuele reacties daarop, zodat geen inzicht is gegeven wat deze vorderingen tot oninbaar heeft gemaakt. Dit betekent dat de maatschap overeenkomstig haar bewijsaanbod in beginsel moet worden toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat het gaat om oninbare vorderingen. Het hof stelt ook vast dat de maatschap niet voldoende de stelling van [geïntimeerden] heeft bestreden dat zij ten aanzien van alle afboekingen, dus ook die van haar eigen uren op haar eigen klanten, geen gelegenheid heeft gehad om achter de debiteuren aan te gaan. Het hof is van oordeel dat het na zoveel jaren nooit althans zeer moeilijk valt te achterhalen of de afgeboekte vorderingen wel of niet te innen zouden zijn geweest en dat het uiteindelijk neerkomt op een kansschatting van de schade die door partijen is geleden. Gelet hierop zal het hof dan ook geen bewijsopdracht gelasten, maar de schade ex aequo et bono begroten in die zin dat elke partij de helft van het afgeboekte bedrag dient te dragen. Dit betekent dat op het aan [geïntimeerden] uitgekeerde bedrag nog een bedrag van € 3.172 in mindering dient te worden gebracht. Dit brengt met zich dat de tweede grief in het principaal hoger beroep en daarmee ook de voorwaardelijke grief 1in het incidenteel hoger beroep gedeeltelijk slaagt met betrekking tot de afboekingen van categorie II.

4.13

De derde grief in het principaal hoger beroep en de onvoorwaardelijke grief 2 in het incidenteel hoger beroep zijn gericht tegen het oordeel van rechtbank over de door de maatschap verschuldigde goodwill. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen. Niet zozeer in geschil is het criterium dat de rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen bij haar beoordeling of [geïntimeerden] recht heeft op een goodwillvergoeding, maar de toepassing daarvan. Uitgangspunt is dat een recht op goodwill bestaat indien het gaat om klanten die op de zogeheten bijlage 1-lijst (bij de partnerovereenkomst) staan. Op de bijlage 1-lijst staan klanten die door [geïntimeerden] (feitelijk: [geïntimeerde 2] ) op persoonlijke titel en uit het persoonlijk netwerk zijn ingebracht. De grief van de maatschap keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat zij ten aanzien van Carli Advocaten een goodwillvergoeding aan [geïntimeerden] verschuldigd is. [geïntimeerden] keert zich met haar grief tegen alle overige klanten waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat de maatschap geen goodwillvergoeding verschuldigd is. Voorts bestrijdt zij dat de toegekende goodwillvergoeding inzake Carli Advocaten € 4.000 bedraagt; volgens haar dient dit € 6.000 te zijn. Het hof zal per klant beoordelen of de maatschap een goodwillvergoeding verschuldigd is. Alvorens dit te doen stelt het hof vast dat de maatschap geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank (onder r.o. 4.15 van het tussenvonnis en r.o. 2.24 van het eindvonnis) dat tot de bijlage 1-lijst ook klanten behoren die na 15 augustus 2005 klant zijn geworden. Voor zover grief IX in het hoger beroep van het tussenvonnis begrepen moet worden als zijnde tegen dit oordeel gericht, heeft het hof door het tussenvonnis in zijn arrest van 20 maart 2012 te bekrachtigen, hierover reeds bindend beslist. Voor zover de maatschap dit in het onderhavige appel onder 13 bij memorie van antwoord in deels voorwaardelijk incidenteel beroep alsnog doet, is deze grief bovendien tardief ingesteld.

4.14

Bij de navolgende beoordeling stelt het hof voorop dat uit de considerans van de partnerovereenkomst volgt dat uitgangspunt is dat de maatschap systemen heeft ontwikkeld om ondernemende professionals zich maximaal te laten ontplooien via eigen opbouw van een cliëntportefeuille en dat de maatschap [geïntimeerden] in staat stelt om zelfstandig uit de opgebouwde cliëntportefeuille een fee te verwerven. [geïntimeerden] heeft dit tijdens het pleidooi nogmaals nader toegelicht. Dit uitgangspunt heeft de maatschap niet betwist.

- Klanten geworven via BNI-netwerk: Merkenwerk en De Vlieger Fysiotherapie

4.15

Het hof is van oordeel dat de klanten die door [geïntimeerden] zijn geworven via het BNI-netwerk als door haar ingebrachte klanten moeten worden beschouwd. Redengevend hiervoor zijn de niet voldoende betwiste stellingen van [geïntimeerden] dat BNI bij uitstek een organisatie is waarbij de deelnemers een persoonlijk netwerk vormen, [geïntimeerde 2] buiten kantooruren de verplichte ontbijtbijeenkomsten bijwoonde op externe locaties, [geïntimeerde 2] door zijn penningmeesterschap van de plaatselijk BNI-vereniging veel persoonlijke goodwill kweekte en de kosten van de deelname aan het BNI-netwerk door [geïntimeerde 2] werden betaald. Het enkele feit dat [geïntimeerde 2] bij zijn contacten via het BNI-netwerk gebruik maakte van visitekaartjes, briefpapier met het logo en adres van de maatschap maakt dit niet anders. Ook de door de maatschap als productie H7 overgelegde stukken brengen hierin geen verandering. De handgeschreven notitie ("tlv rek-crt [voornaam geïntimeerde 2] of maatschap? Eea conform partnerovk") op een factuur van BNI gericht aan [geïntimeerde 2] op het adres van de vestiging in Den Haag waaruit zou moeten blijken dat BNI gezien werd als onderdeel van de partnerovereenkomst, kan zonder nadere toelichting die de maatschap niet heeft gegeven, niet worden beschouwd als in tegenspraak met het uitgangspunt van de partnerovereenkomst (zie considerans). Aan bewijslevering wordt niet toegekomen omdat de maatschap geen stellingen heeft betrokken die indien bewezen tot een ander oordeel kunnen leiden.

4.16

De maatschap heeft ten aanzien van deze klanten alsook ten aanzien van andere hierna nog te behandelen klanten aangevoerd, dat die klanten niet als persoonlijke klant van [geïntimeerden] kunnen worden beschouwd omdat de reden voor klanten om klant van de maatschap te worden was, niet was gelegen in de persoonlijke aanwezigheid van [geïntimeerde 2] , maar in de mogelijkheid om van het "full service concept" gebruik te kunnen maken, dat louter via de maatschap aan die klanten kan worden geboden.

Het hof volgt de maatschap niet in deze stelling. Dit zou er feitelijk op neerkomen dat, anders dan uit de partnerovereenkomst blijkt, [geïntimeerden] niet tot nauwelijks in staat zou zijn om klanten binnen te brengen die als "uit het persoonlijk netwerk" van [geïntimeerden] ingebracht (artikel 1 lid 4 van de partnerovereenkomst) kunnen worden beschouwd. In de considerans is immers juist opgenomen dat [appellant 2] & Co systemen heeft ontwikkeld om ondernemende professionals zich maximaal te laten ontplooien via eigen opbouw van een cliëntenportefeuille. Niet gesteld of gebleken is hoe [geïntimeerden] zich anders had dienen te presenteren dan via visitekaartjes en briefpapier met het logo van de maatschap om de in de considerans opgenomen doelstelling te bereiken. Daarbij komt dat [geïntimeerden] onbetwist heeft gesteld dat bij het maken van een keuze door klanten voor een accountant de persoonlijke "klik" van groot belang is. Dat deze accountant deel uitmaakt van een groter kantoor zal daarbij ongetwijfeld een rol spelen, maar dat zou niet anders zijn indien [geïntimeerden] aan een ander vergelijkbaar kantoor verbonden zou zijn geweest. De maatschap heeft in ieder geval niet voldoende gesteld en ook is niet gebleken dat bij door [geïntimeerden] ingebrachte klanten de keuze voor het kantoor van de maatschap een meer doorslaggevende rol heeft gespeeld dan de keuze voor de accountant die de werkzaamheden voor hen ging verrichten. Aan bewijslevering wordt om die reden niet toegekomen.

- Spreekuur Kamer van Koophandel: Cee Too

4.17

Anders dan bij de klanten geworven via het BNI-netwerk is het hof van oordeel dat de klant (Cee Too) geworven via het accountantsspreekuur bij de Kamer van Koophandel niet beschouwd kan worden als ingebracht op persoonlijke titel en uit het persoonlijk netwerk van [geïntimeerden] heeft onvoldoende betwist dat de maatschap al jaren dit spreekuur verzorgde. Dat Cee Too met [geïntimeerde 2] in zee is gegaan omdat kennelijk er sprake was van voldoende vertrouwen in [geïntimeerde 2] , maakt nog niet dat deze klant kan worden beschouwd als geworven uit het persoonlijk netwerk van [geïntimeerden]

- Dart Design

4.18

[geïntimeerden] stelt, samengevat, dat Dart Design is aangebracht via de heer [A.] met het oog om deze klant voor haar praktijk te werven, dat onomstreden is dat [A.] tot zijn persoonlijk netwerk behoort, dat ook relaties (Dart Design) van eigen relaties ( [A.] ) als door [geïntimeerden] ingebracht hebben te gelden en dat niet relevant is dat de maatschap aan [A.] een aanbrengfee heeft betaald. De maatschap betwist dat Dart Design als door [geïntimeerden] ingebracht kan worden beschouwd, nu het immers de maatschap is, die op grond van een met [A.] gesloten samenwerkingsovereenkomst (productie 10 bij akte na comparitie van partijen van 15 september 2010) gericht op de werving en selectie van klanten voor de maatschap jaarlijks aan hem een fee betaalt. Bovendien is Dart Design een klant uit het persoonlijk netwerk van [A.] en niet van [geïntimeerden]

4.19

Het hof oordeelt als volgt. Niet in geding is dat [A.] een persoonlijke relatie van [geïntimeerde 2] was. Partijen verwijzen ter onderbouwing van hun standpunt naar e-mails en andere documenten in relatie tot [A.] . In de e-mail van 2 februari 2007 van [A.] (productie 3 van de akte van 23 mei 2012 aan de zijde van [geïntimeerden] ) schrijft [A.] dat hij "alleen om [voornaam geïntimeerde 2] ( [geïntimeerde 2] , hof) behulpzaam te zijn bij de opbouw van zijn praktijk" klanten werft. Dit is geheel in lijn met de considerans van de partnerovereenkomst, zie onder 4.14. Ook is niet in geding dat het de bedoeling was dat [A.] meer werkzaamheden voor de maatschap zou gaan doen, maar dat door een relatie- en concurrentiebeding de samenwerkingsovereenkomst met de maatschap (vooralsnog) beperkt moest blijven tot het werven van klanten. Het hof acht het daarom niet van doorslaggevend belang dat de maatschap aan [A.] een fee betaalt. Het verweer van de maatschap dat in het memo van 7 mei 2008 van [appellant 2] aan [geïntimeerde 2] , waarin Dart Design twee maal wordt vermeld als " [initialen geïntimeerde 2] cliënten" niet de betekenis kan worden toegekend dat Dart Design een door [geïntimeerden] ingebrachte klant is, omdat het ziet op toerekening van afboekingen en niet op de vraag of goodwill verschuldigd is, is zonder nadere toelichting, die de maatschap niet heeft gegeven, niet te volgen. Eerder wijzen die vermeldingen erop dat ook de maatschap Dart Design als een door [geïntimeerden] ingebracht klant beschouwt. Dit wordt bovendien bevestigd door de niet weersproken stelling van [geïntimeerden] (laatste alinea van de pleitnota in hoger beroep) dat zij het onderhanden werk met betrekking tot Dart Design volgens de maatschap moest financieren en dat uit bijlage 3 van de partnerovereenkomst (bladzijde 1, boven a.) volgt dat een dergelijke financiering betrekking had op "onderhandenwerk/debiteuren voortvloeiend uit cliënten door Partner bij [appellant 2] & Co ingebracht". De conclusie is dan ook dat Dart Design moet worden beschouwd als een op persoonlijke titel en uit het persoonlijk netwerk ingebrachte klant waarover de maatschap een goodwillvergoeding dient te betalen.

- Stichting Boog

4.20

[geïntimeerden] heeft bij het pleidooi in eerste aanleg haar eerder ingenomen standpunt dat Stichting Boog is geworven via [B.] , herzien en gesteld dat het contact met Stichting Boog tot stand is gekomen op voorspraak van de heer [C.] van Stichting Boog. De stichting is nooit klant van de maatschap geweest. Dit standpunt heeft [geïntimeerden] weliswaar in hoger beroep herhaald, maar zij heeft dit niet verder toegelicht. De maatschap heeft dit (na pleidooi in eerste aanleg herziene) standpunt in hoger beroep betwist en aangevoerd dat Stichting Boog is binnengehaald via bestaande contacten van de maatschap.

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] in het incidenteel hoger beroep en ook bij gelegenheid van pleidooi in hoger beroep, onvoldoende heeft gesteld om tegenover de stellingen van de maatschap haar standpunt te ondersteunen dat de Stichting Boog als een op persoonlijke titel en uit het persoonlijk netwerk ingebrachte klant moet worden beschouwd. Aan bewijslevering wordt om die reden niet toegekomen.

- Capricorn

4.21

Volgens [geïntimeerden] heeft de rechtbank weliswaar terecht beslist dat Capricorn een eigen klant van haar was, maar heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat [geïntimeerden] deze klant zou hebben meegenomen. Volgens [geïntimeerden] is de e-mail van 4 juli 2008 van [geïntimeerde 2] aan de maatschap, waarin hij aangeeft dat (onder meer) Capricorn een klant is die hij behoudt, achterhaald. De maatschap heeft, onder verwijzing naar eerder genoemde e-mail en naar een uitdraai van het verkoopboek (productie 4 bij akte van 18 juli 2012) waaruit blijkt dat Capricorn geen omzet meer heeft gegeneerd, herhaald dat het hier gaat om een klant van [geïntimeerden] die door haar is meegenomen.

4.22

Het hof oordeelt als volgt. [geïntimeerden] heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar productie 2.c bij akte van 23 mei 2012. Dit betreft een door [geïntimeerden] opgestelde overdrachtlijst van 5 juli 2008. Hierop staat in de kolom "Status/actie door" met betrekking tot Capricorn vermeld "LvZ/ [initialen geïntimeerde 2] (geen overdracht, beëindiging opdracht)", en in de kolom "Wanneer" staat vermeld "Juli". Dit wijst erop dat, en dat komt ook overeen met de door de maatschap overgelegde productie 4, de werkzaamheden voor Capricorn per juli 2008 zijn beëindigd. Nu noch [geïntimeerden] noch de maatschap na juli 2008 nog werkzaamheden voor deze klant hebben verricht en het er voor moet worden gehouden dat het contract met deze klant vanaf toen was beëindigd, is Capricorn niet als een door [geïntimeerden] meegenomen klant te beschouwen, maar evenmin als een door de maatschap behouden klant. Alleen al om die reden is de maatschap geen goodwill verschuldigd.

- Carli Advocaten

4.23

Met haar derde grief in het principaal hoger beroep stelt de maatschap aan de orde dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat Carli Advocaten een door [geïntimeerden] ingebrachte klant is. Volgens de maatschap heeft Carli Advocaten zelfstandig contact opgenomen met het kantoor en is na een gesprek met [geïntimeerde 2] en de heer [D.] , werkzaam op het kantoor van de maatschap in [vestigingsplaats 3] , dat zich specifiek richt op advocaten en notarissen, klant geworden. [geïntimeerden] stelt dat Carli Advocaten door haar is verworven via een persoonlijk gesprek tussen [geïntimeerde 2] en de eigenaren van het advocatenkantoor, die hij persoonlijk had ontmoet. Dat [D.] bij dit eerste gesprek aanwezig was, was op verzoek van [appellant 2] , maar was niet nodig omdat diens expertise niet bij advocatenkantoren lag en hij naderhand ook geen enkele bemoeienis met de klant heeft gehad, aldus [geïntimeerden] Daarom laat dit volgens haar onverlet dat deze klant beschouwd dient te worden als een op persoonlijke titel en uit het persoonlijk netwerk ingebracht klant.

4.24

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] onvoldoende heeft gesteld om haar stelling te onderbouwen dat Carli Advocaten als klant uit het persoonlijk netwerk van [geïntimeerden] kan worden beschouwd. Het bewijsaanbod van [geïntimeerden] , op wie de bewijslast rust, zal worden gepasseerd, omdat [geïntimeerden] niet voldoende weersproken heeft dat de klant zelf contact heeft opgenomen met de maatschap en toen door [geïntimeerde 2] en [D.] te woord is gestaan. Het enkele binnenhalen van een klant die zich zelf bij de maatschap meldt, voldoet echter niet aan het hiervoor genoemde criterium om voor goodwillvergoeding in aanmerking te komen. De derde grief in het principaal hoger beroep slaagt derhalve.

- NSO Galvani

4.25

Niet in geschil is dat deze klant zelfstandig contact per e-mail van 15 november 2006 (productie 5 bij akte van 18 juli 2012) heeft opgenomen met het kantoor van de maatschap. De e-mail bevat geen enkele aanwijzing naar [geïntimeerden] , hetgeen [geïntimeerden] ook niet betwist. [geïntimeerden] heeft louter gesteld dat NSO Galvani na een persoonlijk gesprek met [geïntimeerde 2] en de eigenaresse klant is geworden. [geïntimeerden] heeft daarmee geen voldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan volgen dat NSO Galvani als een klant heeft te gelden die op persoonlijke titel en uit het persoonlijk netwerk is ingebracht. Aan bewijslevering wordt om die reden niet toegekomen.

- 1 Info Company (inclusief Buonsenso)

4.26

Ook ten aanzien van 1 Info Company (inclusief Buonsenso) heeft [geïntimeerden] slechts gesteld dat deze klant via een persoonlijk gesprek met de eigenaar van het bedrijf is geworven. [geïntimeerden] heeft onvoldoende weersproken dat het 1 Info Company (inclusief Buonsenso) vooral te doen was om andere deskundigheid dan waarover [geïntimeerde 2] beschikte en dat om die reden bij het gesprek ook iemand van de maatschap aanwezig was die deze deskundigheid wel bezat. Gelijk hiervoor ten aanzien van NSO Galvani is geoordeeld, heeft [geïntimeerden] daarmee geen voldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan volgen dat 1 Info Company (inclusief Buonsenso) als een klant heeft te gelden die op persoonlijke titel en uit het persoonlijk netwerk is ingebracht. De enkele opmerking dat [geïntimeerden] deze klant buiten de maatschap heeft leren kennen, is daartoe onvoldoende. Aan bewijslevering wordt om die reden niet toegekomen.

- Dr. [E.]

4.27

[geïntimeerden] heeft ten aanzien van dr. [E.] verwezen naar hetgeen zij ten aanzien van 1 Info Company heeft gesteld. Ook ten aanzien van deze klant is het hof van oordeel dat [geïntimeerden] onvoldoende heeft gesteld dat deze klant is geworven op persoonlijke titel en afkomstig is uit het persoonlijk netwerk van [geïntimeerden] , zodat ook hier daarom niet aan bewijslevering kan worden toegekomen.

4.28

[geïntimeerden] heeft in het kader van de onvoorwaardelijke grief 2 in het incidenteel hoger beroep nog aangevoerd dat reeds op grond van de stukken geoordeeld kan worden dat over de door haar genoemde klanten een goodwillvergoeding verschuldigd is. Volgens [geïntimeerden] volgt dit uit de gehanteerde nummerreeksen in de administratie van de maatschap. De maatschap heeft dit gemotiveerd betwist.

Het hof volgt [geïntimeerden] hierin niet. Het enkele feit dat - zoals [appellant 2] ook tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg (proces-verbaal van 17 juni 2010, pag. 5) heeft verklaard - klanten een klantencode krijgen die de klant identificeert aan de persoon die de klant heeft ingebracht, maakt nog niet dat reeds op grond van de stukken kan worden geconcludeerd in de zin als [geïntimeerden] voorstaat, omdat over de betekenis van de codering voor de aanspraak op goodwillvergoeding partijen met elkaar van mening verschillen. Bepalend voor de aanspraak op goodwillvergoeding is het in de (bijlage bij de) partnerovereenkomst overeengekomen criterium dat een klant op persoonlijke titel en uit het persoonlijk netwerk moet zijn ingebracht. Of aan dit criterium is voldaan, is in het voorgaande beoordeeld, waarbij de conclusie is dat de derde grief in het principaal hoger beroep slaagt, evenals de onvoorwaardelijke grief 2 in het incidenteel hoger beroep voor zover dit de klanten Merkenwerk, De Vlieger Fysiotherapie en Dart Design betreft.

Hoogte goodwillvergoeding

4.29

Op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep zal het hof thans het verweer van de maatschap tegen de hoogte van de gevorderde goodwillvergoedingen beoordelen. Volgens de maatschap komt als goodwillvergoeding in aanmerking 1,5 maal de omzet over 2006 en 2007 met betrekking tot de werkzaamheden die tot de kerncompetentie (accountancy werkzaamheden) van [geïntimeerden] behoren. De door [geïntimeerden] genoemde omzetten zijn niet alleen geschatte omzetten, maar er wordt ook geen rekening gehouden met afschrijvingen, onbetaalde omzet en met omzet die niet tot de goodwill behoort, zoals kosten, fiscaal en juridisch advies. Volgens de maatschap is die discussie nog niet gevoerd. De maatschap heeft in dit kader omzetgegevens en facturen over Dart Design en NSO Galvani overgelegd (productie H8 en H9). Voorts heeft de maatschap bij brief van 4 december 2014 ten behoeve van het pleidooi in hoger beroep op 12 januari 2015 productie H10 overgelegd, bestaande uit een spreadsheet met de berekening van 4 december 2014 inzake de goodwill inclusief onderliggende facturen van de klanten waarover in hoger beroep thans nog debat is. [geïntimeerden] heeft tijdens het pleidooi op 12 januari 2015 het hof verzocht de ten behoeve van het pleidooi ingediende stukken van de maatschap buiten beschouwing te laten met een beroep op "unfair play" (zodat ook haar eigen voorafgaand aan het pleidooi ingediende reactie op deze stukken buiten beschouwing kan worden gelaten). [geïntimeerden] heeft desondanks getracht de ingediende stukken te beoordelen, maar stuitte (wederom) op een groot aantal onjuistheden en hiaten, waarvan zij op pagina 2 van haar pleitnota en tijdens het pleidooi een samenvatting en nadere toelichting heeft gegeven en waarbij zij ook verschillen zichtbaar heeft gemaakt in vergelijking met de bij brief van 9 november 2012 aan de rechtbank door de maatschap toegezonden stukken en de thans door de maatschap overgelegde stukken.

4.30

Het hof oordeelt als volgt. De maatschap heeft zich gedurende de gehele procedure op het standpunt gesteld dat alle relevante gegevens over omzetten bij [geïntimeerden] bekend waren. [geïntimeerden] heeft dit steeds gemotiveerd betwist, onder meer door vermelding dat zij na haar vertrek geen toegang (meer) had tot het administratiesysteem van de maatschap. [geïntimeerden] heeft voorts bij voortduring aan de maatschap gevraagd om de gegevens uit haar administratie ter beschikking te stellen. Om haar vorderingen te onderbouwen heeft [geïntimeerden] op grond van de haar (in hard copy) ter beschikking staande gegevens berekeningen gemaakt (zie onder meer productie 1 bij akte van 23 mei 2012). De door [geïntimeerden] gemaakte berekeningen zijn weliswaar door de maatschap steeds betwist, maar zij heeft haar betwistingen niet onderbouwd met andere (uit haar administratie afkomstige) gegevens. Ten behoeve van het pleidooi op 20 november 2012 in eerste aanleg heeft de maatschap stukken overgelegd waaruit de afboekingen en voorzieningen in relatie tot de werkzaamheden van [geïntimeerden] zouden moeten blijken, alsook uren van [geïntimeerde 2] ten aanzien van 2005 tot en met 2008. De rechtbank heeft deze stukken bij haar beoordeling buiten beschouwing gelaten (r.o. 2.1 van het eindvonnis). Het hof heeft in de pleitnota in eerste aanleg geen voldoende toelichting op deze nader ingebrachte stukken kunnen ontdekken en constateert dat deze stukken zonder toelichting niet te doorgronden zijn, terwijl [geïntimeerden] in haar pleitnota in eerste aanleg deze stukken als onbetrouwbaar heeft geduid en gemotiveerd heeft gesteld dat de door de maatschap ingediende stukken nog steeds geen bruikbare cijfers bevatten.

Ook bij memorie van grieven in het principaal hoger beroep van 5 november 2013 en de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep van 6 mei 2014 heeft de maatschap in beperkte mate haar verweer met bescheiden onderbouwd en heeft zij een aanbod gedaan om alsnog detailinformatie over de door [geïntimeerden] gerealiseerde omzet en afboekingen over te leggen. Een toegankelijk overzicht waardoor de onderliggende stukken kunnen worden ontsloten ontbreekt echter nog steeds. Eerst ter gelegenheid van het pleidooi op 12 januari 2015 in hoger beroep heeft de maatschap de hiervoor genoemde productie H10 overgelegd. Tijdens het pleidooi heeft de maatschap opnieuw aangeboden nog nadere facturen over te leggen.

4.31

Het hof is van oordeel dat de maatschap zich in deze fase van de procedure niet meer op de als productie H10 overgelegde stukken kan beroepen. [geïntimeerden] , op wie de bewijslast ter zake rust, heeft reeds vanaf mei 2012 berekeningen overgelegd ter onderbouwing van haar vorderingen. De maatschap kan, zoals ook door de rechtbank is geoordeeld, dan niet volstaan met een niet voldoende onderbouwde betwisting. Het hof acht het in strijd met de goede procesorde dat kort voor het pleidooi in hoger beroep (weliswaar tijdig) stukken worden ingediend waarover de maatschap gedurende de hele procedure reeds de beschikking heeft gehad. Dit heeft de maatschap ook niet betwist. De maatschap heeft ook geen voldoende verklaring gegeven waarom zij niet eerder, zelfs niet bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep, deze stukken heeft overgelegd. De verklaring van de (huidige) advocaat van de maatschap dat hij eerst bij het opstellen van de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep inzicht kreeg in de wijze waarop de werkzaamheden werden geadministreerd in het systeem van de maatschap en dat daarbij een categorisering plaatsvond in accountancywerkzaamheden dan wel fiscale of juridische werkzaamheden is daartoe onvoldoende, nu het niet verklaart waarom de als productie H10 overgelegde stukken eerst bij het pleidooi in het (tweede) hoger beroep zijn overgelegd. Het hof zal deze stukken, mede gelet op de aangevoerde onderbouwde bezwaren van [geïntimeerden] , waaruit in voldoende mate blijkt dat de stukken van de maatschap weer zoveel thans nog onbeantwoorde vragen oproepen, dan ook buiten beschouwing laten. Hierbij speelt mede een rol dat onderhavige procedure een aanvang heeft genomen op 6 november 2009, derhalve al meer dan vijf jaar duurt, en de diverse vorderingen van partijen in feite zien op het afrekenen na het beëindigen van de partnerovereenkomst per 31 juli 2008, zodat het van het begin af aan duidelijk is geweest dat een ordentelijk debat over omzet en facturatie louter gevoerd kan worden indien partijen hun stellingen met de noodzakelijke stukken cijfermatig onderbouwen. Dan zouden de stellingen van de maatschap met betrekking tot de categorisering van werkzaamheden ook eerder op tafel hebben kunnen komen en had [geïntimeerden] de gelegenheid gehad er ordentelijk op te reageren.

Dit leidt tot de conclusie dat de maatschap haar betwisting onvoldoende (tijdig) heeft onderbouwd, zodat aan bewijslevering - of nadere instructie door het benoemen van een deskundige - niet wordt toegekomen. Als uitgangspunt voor de hoogte van de goodwill zal het hof zich dan ook baseren op de door [geïntimeerden] overgelegde berekeningen.

4.32

Uit het voorgaande volgt dat de maatschap aan [geïntimeerden] een goodwillvergoeding is verschuldigd ten aanzien van de klanten Merkenwerk, De Vlieger Fysiotherapie en Dart Design. Het hof zal de door [geïntimeerden] gevorderde bedragen toewijzen. De goodwillvergoeding voor Merkenwerk en De Vlieger Fysiotherapie bedraagt per klant € 6.000 en voor Dart Design € 180.000.

4.33

De vierde grief in het principaal hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in reconventie inzake de klant Flying Bites. Niet in geschil is dat [geïntimeerden] deze klant heeft meegenomen en daarna nog (enige) werkzaamheden voor deze klant heeft verricht. De maatschap stelt zich op het standpunt dat Flying Bites een klant is van de maatschap en dat [geïntimeerden] in strijd met artikel 6.2 sub 3 van (bijlage 4 van) de partnerovereenkomst heeft gehandeld door werkzaamheden te verrichten voor deze, als klant van de maatschap aan te merken, klant. De maatschap vordert wegens overtreding van dit artikel de contractuele boete van € 15.167,09, dan wel subsidiair een boete van € 7.000.

4.34

Uit voorgaande beoordeling volgt dat het hof van oordeel is dat klanten die [geïntimeerden] heeft geworven via het BNI-netwerk als door [geïntimeerden] ingebrachte klanten hebben te gelden. Dit betekent dat - nu vaststaat dat [geïntimeerden] deze klant heeft meegenomen en [geïntimeerden] overigens ook geen goodwillvergoeding inzake deze klant heeft gevorderd - het [geïntimeerden] op grond van de partnerovereenkomst vrij staat om werkzaamheden voor deze klant te verrichten, zonder dat zij daarvoor een boete aan de maatschap is verschuldigd. Dat Flying Bites een klant is afkomstig uit het BNI-netwerk, zoals [geïntimeerden] in de memorie van antwoord in het principaal appel tevens memorie van grieven in deels voorwaardelijk incidenteel appel heeft aangevoerd, heeft de maatschap niet betwist zodat dit tussen partijen vast staat.

Dit betekent dat de vierde grief in het principaal hoger beroep faalt.

4.35

De vijfde grief in het principaal hoger beroep gericht tegen de proceskosten veroordeling van de maatschap in reconventie, is derhalve eveneens vergeefs voorgedragen.

Uit randnummer 54 van de memorie van grieven volgt dat de maatschap ook onderkent dat

door haar eisvermeerdering in eerste aanleg (akte van 18 juli 2012) over de zelfstandigheid van haar reconventionele vordering geen twijfel meer bestaat. De vraag of haar (aanvankelijke) reconventionele vordering in feite slechts een beroep op verrekening betrof en niet als zelfstandige vordering had moeten worden aangemerkt, kan dan ook in het midden blijven.

5 Slotsom

5.1

De eerste, vierde en vijfde grief in het principaal hoger beroep falen. De tweede grief in het principaal hoger beroep slaagt gedeeltelijk, hetgeen betekent dat op het aan [geïntimeerden] toegewezen bedrag een bedrag van € 3.172 in mindering zal worden gebracht. De derde grief in het principaal hoger beroep slaagt, waardoor [geïntimeerden] geen aanspraak kan maken op een goodwillvergoeding inzake Carli Advocaten. Het vonnis zal op deze punten worden vernietigd.

5.2

De grieven in het incidenteel hoger beroep slagen beide gedeeltelijk. Het vonnis zal op deze punten worden vernietigd en de maatschap zal worden veroordeeld om aan [geïntimeerden] een goodwillvergoeding van in totaal € 192.000 te betalen. De maatschap zal dus in totaal (nominaal) een bedrag van € 308.291 dienen te betalen. Dit is de resultante van het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 119.463 verminderd met € 3.172 en vermeerderd met een bedrag aan goodwill van € 192.000.

5.3

Het hof zal de maatschap, als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van de eerste aanleg (voor wat betreft de conventie) en het principaal hoger beroep veroordelen. De rechtbank heeft weliswaar de maatschap in conventie reeds in de proceskosten veroordeeld, maar heeft de proceskosten begroot op grond van het door haar toegewezen bedrag. Uit het voorgaande volgt dat het hof van het totaal door [geïntimeerden] in hoofdsom gevorderde bedrag van € 382.218 een bedrag van € 308.291 zal toewijzen in plaats van het door de rechtbank toegewezen bedrag in hoofdsom van ruim € 131.000. Het hof zal dan ook van het volledige door [geïntimeerden] verschuldigde griffierecht uitgaan en tarief VI toepassen in plaats van tarief V.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg in conventie aan de zijde van [geïntimeerden] zullen worden vastgesteld op € 5.023,97 aan verschotten (€ 85,97 explootkosten en € 4.938 aan griffierecht) en op € 9.000 aan salaris advocaat (4,5 punten x tarief VI).

De kosten voor de procedure in principaal hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] zullen worden vastgesteld op € 4.961 aan verschotten (griffierecht) en op € 9.789 aan salaris advocaat (3 punten x tarief VI).

Nu in het incidenteel hoger beroep beide partijen voor een deel in het ongelijk worden gesteld, zullen de kosten van het incidenteel hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

5.4

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

5.5

Het hof ziet geen aanleiding om [appellanten] en de advocaat van appellanten hoofdelijk in de proceskosten te veroordelen. [geïntimeerden] heeft onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat sprake is van een situatie zoals genoemd in artikel 245 Rv, temeer omdat [geïntimeerden] desgevraagd heeft verklaard dat de executie van het vonnis van 16 januari 2013 inmiddels heeft plaatsgevonden.

5.6

Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellant 2] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het tussen partijen gewezen vonnis van 16 januari 2013 van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Zutphen;

verklaart [geïntimeerden] niet-ontvankelijk in het hoger beroep gericht tegen [appellant 2] ;

bekrachtigt het vonnis van 16 januari 2013 van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Zutphen, behoudens voor zover in het dictum onder 3.4 de maatschap is veroordeeld om aan [geïntimeerden] te betalen een bedrag van € 131.145,52 (éénhonderdeenendertigduizend honderdvijfenveertig euro en tweeënvijftig eurocent), vermeerderd met de contractuele rente (de rente op staatsleningen met een looptijd van 5 jaar, te bepalen per 1 januari van elk kalenderjaar met een opslag van 1,5% per jaar) over een bedrag van € 123.463 met ingang van 1 januari 2009 tot de dag van volledige betaling, alsmede vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over een bedrag van € 7.682,52 met ingang van 21 januari 2009 tot de dag van volledige betaling, en behoudens voor zover in het dictum onder 3.5 de maatschap is veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [geïntimeerden] tot op heden begroot op € 9.370,47, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, vernietigt het vonnis op deze punten en doet in zoverre opnieuw recht in conventie:

veroordeelt de maatschap om aan [geïntimeerden] te betalen een bedrag van € 308.291, vermeerderd met de contractuele rente (de rente op staatsleningen met een looptijd van vijf jaar, te bepalen per 1 januari van elk kalenderjaar met een opslag van 1,5% per jaar) over een bedrag van € 116.291 met ingang van 1 januari 2009 tot de dag van volledige betaling, alsmede vermeerderd met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 7.682,52 met ingang van 21 januari 2009 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de maatschap in de proceskosten in conventie in eerste aanleg, aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 5.023,97 voor verschotten en op € 9.000 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na dagtekening van dit arrest tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de maatschap in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 4.961 voor verschotten en op € 9.789 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt de maatschap in de nakosten, begroot op € 205, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,-- in geval de maatschap niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

compenseert de kosten van het incidenteel hoger beroep aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Ch.E. Bethlem, L.M. Croes en J.B.M. Vranken en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2015.