Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:1078

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-02-2015
Datum publicatie
10-03-2015
Zaaknummer
200.155.899
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep ontbindingsbeschikking. Gedragsregels advocatuur. Geen doorbrekingsgrond aanwezig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/416
AR-Updates.nl 2015-0250
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.155.899

(zaaknummer rechtbank Overijssel, team kanton en handelsrecht, locatie Almelo 3269425)

beschikking van de derde kamer van 17 februari 2015

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Muissie B.V.,

gevestigd te Almelo,

verzoekster,

hierna: Muissie,

advocaat: mr. Z. Alkan,

tegen:

[verweerster] ,
wonende te [woonplaats],

verweerster,
hierna: [verweerster],

advocaat: mr. M.E.M. Sanders.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de beschikking van
25 augustus 2014 die de kantonrechter (rechtbank Overijssel, team kanton en handelsrecht, locatie Almelo) tussen [verweerster] als verzoekster en Muissie als verweerster heeft gegeven.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift met producties (genummerd 1 tot en met 24), ingekomen ter griffie van het hof op 16 september 2014, is Muissie in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zij heeft het hof verzocht de beschikking waarvan beroep te vernietigen, en opnieuw (het hof begrijpt) beschikkende,

I [verweerster] niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans haar verzoek ongegrond te verklaren en/of af te wijzen, met instandhouding van de door de kantonrechter uitgesproken ontbinding per 1 oktober 2014;

II de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 oktober 2014 te ontbinden wegens primair een gewichtige reden, bestaande uit een dringende reden, en subsidiair wegens verandering in de omstandigheden als bedoeld in artikel 7:685 lid 2 BW, zonder [verweerster] een vergoeding toe te kennen, althans [verweerster] een in goede justitie te bepalen vergoeding toe te kennen;

III zulks met veroordeling van [verweerster] in de kosten van het geding in eerste instantie en in de kosten van deze beroepsprocedure;

IV zomede met veroordeling van [verweerster] in de wettelijke rente over de proceskostenveroordeling, indien betaling van de proceskostenveroordeling niet binnen twee dagen na betekening van de beschikking heeft plaatsgevonden.

2.2

Bij verweerschrift met producties (genummerd 1 en 2), ingekomen ter griffie van het hof op 23 oktober 2014, heeft [verweerster] verweer gevoerd. Zij heeft het hof verzocht Muissie niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans haar dit te ontzeggen, met veroordeling van Muissie in de kosten van deze procedure, alsmede in de kosten in eerste aanleg, met veroordeling van Muissie in de wettelijke rente over de proceskostenveroordeling, indien betaling van de proceskostenveroordeling niet binnen twee dagen na betekening van de beschikking heeft plaatsgevonden.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 februari 2015. Bij die gelegenheid hebben partijen de zaak mondeling doen toelichten, Muissie door
mr. Z. Alkan, advocaat te Almelo, en [verweerster] door mr. M.E.M. Sanders, advocaat te Almelo. Muissie heeft daarbij een pleitnota in het geding gebracht.

2.4

Vervolgens heeft het hof beschikking bepaald op heden.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

[verweerster] heeft een verzoekschrift, gedateerd 23 juli 2014, met producties, bij de rechtbank Overijssel, afdeling kanton, locatie Almelo, ingediend waarbij zij de kantonrechter heeft verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden per 1 oktober 2014 op grond van gewichtige redenen bestaande uit gewijzigde omstandigheden zoals in het verzoekschrift weergegeven, onder toekenning aan haar van een schadeloosstelling van € 9.500,00, met veroordeling van Muissie in de proceskosten.

3.2

Voormeld verzoekschrift is op 23 juli 2014 ter griffie van de rechtbank Overijssel, afdeling kanton, locatie Almelo, binnengekomen. Diezelfde dag is ter griffie van dat gerecht bepaald dat het verzoekschrift zal worden behandeld op 18 augustus 2014 om 10.00 uur. Zowel [verweerster] als Muissie zijn bij brief van 23 juli 2014 opgeroepen om op het verzoek te worden gehoord op het bovengenoemde tijdstip. De oproepingsbrief is aangetekend aan Muissie verstuurd. De oproeping is blijkens de bestreden beschikking van de kantonrechter bij Muissie bezorgd op 24 juli 2014, om 15.04 uur. Een medewerkster van Muissie heeft voor ontvangst getekend.

3.3

Muissie heeft geen verweerschrift ingediend.

3.4

Het verzoekschrift is behandeld op 18 augustus 2014. [verweerster] is verschenen, samen met haar gemachtigde. Namens Muissie is niemand verschenen.

3.5

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van [verweerster] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2014 toegewezen en [verweerster] ten laste van Muissie een bruto vergoeding van € 9.500,00 toegekend, met veroordeling van Muissie tot betaling aan [verweerster] van de kosten van de procedure tot een omvang van € 619,00.
3.6 Muissie is van deze beschikking in hoger beroep gekomen.

3.7

In artikel 7:685 lid 11 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is bepaald dat van een krachtens dit artikel gegeven beschikking geen hoger beroep of cassatie kan worden ingesteld. Op grond van vaste jurisprudentie is hoger beroep of cassatie echter wel mogelijk, indien de rechter buiten het toepassingsgebied van het artikel is getreden of het artikel ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel wanneer bij de behandeling zulke fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden dat niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak.

3.8

Muissie heeft gesteld dat de kantonrechter geen hoor en wederhoor heeft toegepast, waardoor geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak. Aldus kan Muissie in haar hoger beroep worden ontvangen. Of zulke fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden dat niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak, zal hierna worden beoordeeld.

3.9

Muissie heeft haar standpunt dat het fundamentele rechtsbeginsel van hoor en wederhoor is geschonden als volgt toegelicht. Op 24 juli 2014 is de oproeping voor de mondelinge behandeling op 18 augustus 2014 weliswaar bij haar bezorgd, maar deze is door een medewerkster van Muissie in ontvangst genomen, waarvoor deze medewerkster ook heeft getekend, en heeft haar directeur vervolgens niet bereikt. De directeur van Muissie was daarom niet op de hoogte van de zitting. De gemachtigde van Muissie was evenmin in kennis gesteld van het verzoekschrift dat namens [verweerster] was ingediend, terwijl de gemachtigde van [verweerster] bekend was met het feit dat Muissie werd bijgestaan door een advocaat. De gemachtigde van [verweerster] heeft nagelaten om de advocaat van Muissie als gemachtigde op te voeren in het verzoekschrift. Ook heeft de gemachtigde van [verweerster] in weerwil van de gedragsregels voor advocaten nagelaten een afschrift van het verzoekschrift naar de gemachtigde van Muissie te sturen. Het recht op hoor en wederhoor is door toedoen van de gemachtigde van [verweerster] geschonden, aldus Muissie.

3.10

[verweerster] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.11

Het hof overweegt als volgt.

3.12

Voorop staat dat Muissie overeenkomstig de hoofdregel van artikel 272 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) per aangetekende brief is opgeroepen voor de zitting op 18 augustus 2014 en dat een medewerkster van Muissie voor ontvangst van het verzoekschrift en de oproeping heeft getekend. Daarmee staat vast dat de oproeping Muissie heeft bereikt. Als de oproepingsbrief vervolgens niet onder de aandacht is gebracht van de directeur van Muissie, dan ligt dat in beginsel in de risicosfeer van Muissie. Muissie heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat dat in deze zaak anders zou zijn. Dat de gemachtigde van [verweerster] de gemachtigde van Muissie niet in kennis heeft gesteld van Stegemans verzoekschrift, kan niet leiden tot een ander oordeel. Het verzoekschrift is overeenkomstig de daarvoor geldende regels ingediend. Er is geen rechtsregel die [verweerster] ertoe verplicht (een afschrift van) het verzoekschrift ten tijde van de indiening ervan toe te sturen aan (de gemachtigde van) Muissie. Dat zelfde geldt voor het noemen van de advocaat van Muissie als gemachtigde in het verzoekschrift. De gedragsregels geldend voor de advocatuur kunnen dienen als een richtlijn voor handelen binnen de beroepsgroep, maar zij kunnen een dergelijke rechtsregel niet zelfstandig in het leven roepen.

3.13

Evenmin kan slagen het beroep van Muissie op het bepaalde in artikel 275 Rv, nu dit artikel slechts een regeling bevat voor een hernieuwde oproeping in de gevallen waarin de griffier een door hem bij aangetekende brief verzonden oproeping terugontvangt. Een situatie als bedoeld in artikel 275 Rv doet zich hier niet voor, aangezien vast staat dat de aangetekende oproepingsbrief niet door de griffier van de rechtbank Overijssel, afdeling kanton, locatie Almelo, is terugontvangen, doch integendeel, dat de brief Muissie op het juiste adres heeft bereikt. Gelet op dit laatste bestond er – mede gezien artikel 275 Rv – evenmin aanleiding artikel 2.8.3.3 van het procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbanken, kantonzaken (per 1 januari 2013), dat bepaalt dat de verweerder opnieuw zal worden opgeroepen indien deze zonder bericht niet op de mondelinge behandeling verschijnt, toe te passen. Muissie heeft zich immers ter zitting van 18 augustus 2014 kunnen uitlaten over het verzoekschrift van [verweerster].

3.14

De conclusie is dat geen sprake is (geweest) van schending van hoor en wederhoor, zodat de aangevoerde doorbrekingsgrond geen doel treft en het hoger beroep van Muissie dient te worden verworpen.

3.15

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Muissie in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [verweerster] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 308,-

- salaris advocaat € 1.788,- (2 punten x tarief II)

Totaal € 2.096,-.

3.16

Als niet weersproken zal het hof de door [verweerster] verzochte wettelijke rente over de proceskosten toewijzen, zoals hierna vermeld.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verwerpt het hoger beroep;

veroordeelt Muissie in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] vastgesteld op € 308,- voor verschotten en op € 1.788,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.096,- indien betaling daarvan niet binnen twee dagen na betekening van deze beschikking heeft plaatsgevonden.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B. Knottnerus, J.M. Rowel-van der Linde en W. Duitemeijer en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2015.