Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:1067

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-02-2015
Datum publicatie
24-02-2015
Zaaknummer
200.161.185
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 15 b Faillissementswet (Fw). Appellant niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot opheffing van zijn faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer 200.161.185

(insolventienummer rechtbank Gelderland (Zutphen): F. 13/501/lt)

arrest van de tweede kamer van 16 februari 2015

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. W.J.M. van Ophuizen.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 7 juni 2013 is appellant (hierna te noemen: [appellant]) op verzoek van de Ontvanger van de Belastingdienst Midden- en Kleinbedrijf in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van [naam 1] tot curator (hierna: de curator).

1.2

[appellant] heeft de rechtbank verzocht om zijn faillissement te beëindigen onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Ter zitting van 29 oktober 2014 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoek aangehouden om [appellant] onder meer in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van het advies van de curator van 1 augustus 2014. Ter zitting van 28 november 2014 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoek voortgezet. Daarbij is [appellant] niet verschenen.

1.3

Bij vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 5 december 2014 is het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling onder gelijktijdige opheffing van het faillissement afgewezen. Het hof verwijst naar voornoemd vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 12 december 2014 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 5 december 2014 en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en (zo begrijpt het hof) zijn verzoek tot opheffing van het op 7 juni 2013 uitgesproken faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling, alsnog toe te wijzen.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, van het V-formulier met bijlagen van 29 januari 2015 van de advocaat van [appellant], alsmede van de brief met bijlagen van 13 januari 2015 namens de curator.

2.3

In het kader van de ambtshalve toetsing van de ontvankelijkheid van het verzoek van [appellant], heeft de griffier van het hof de griffier van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, verzocht het hof kopieën toe te zenden van de processen-verbaal van de zittingen van 21 mei 2013 en 4 juni 2013, de “griffiersbrief” als bedoeld in artikel 3 lid 1 Faillissementswet (hierna: Fw) en van de uitdraai van het track en tracesysteem van PostNL, de zogenoemde “Detailpagina zending”. Na ontvangst van deze stukken heeft de griffier van het hof de advocaat van [appellant] en de curator telefonisch medegedeeld dat ter mondelinge behandeling de ontvankelijkheid van het verzoek [appellant] aan de orde zou kunnen komen en heeft hun vervolgens kopieën van de van de rechtbank ontvangen stukken toegezonden. Ook het hof heeft van deze stukken kennisgenomen.

2.4

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 februari 2015, waarbij [appellant] in persoon is verschenen, bijgestaan door de kantoorgenoot van zijn advocaat, mr. E.M. Uijttewaal. Namens de curator is verschenen diens kantoorgenoot [naam 2].

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling onder gelijktijdige opheffing van het faillissement afgewezen, omdat, kort gezegd, niet aannemelijk is geworden dat [appellant] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van de schulden aan Aegon en de Belastingdienst en voorts omdat niet aannemelijk is geworden dat [appellant] de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen.

3.2

[appellant] kan zich niet verenigen met het vonnis van de rechtbank en betwist dat hij ten aanzien van de schulden aan Aegon en de Belastingdienst niet te goeder trouw zou zijn geweest. [appellant] is verder van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet naar behoren zal nakomen, omdat [appellant] tijdens zijn faillissement de informatieplicht jegens de curator niet zou zijn nagekomen.

3.3

Allereerst dient te worden beoordeeld of [appellant] ontvankelijk is in zijn verzoek om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Ingevolge artikel 15b juncto artikel 3 Fw is de mogelijkheid voor de schuldenaar om - nadat het faillissement is uitgesproken op verzoek van een schuldeiser - alsnog toepassing van de schuldsaneringsregeling te verzoeken beperkt tot het geval dat de schuldenaar wegens hem niet toe te rekenen omstandigheden heeft nagelaten binnen de in artikel 3 Fw genoemde termijn van veertien dagen na verzending van de brief van de griffier opheffing van het faillissement en gelijktijdig van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling te verzoeken.

3.4

In het onderhavige geval ligt de vraag voor of [appellant] de griffiersbrief, bedoeld in artikel 3 lid 1 Fw, heeft ontvangen. De griffier van de rechtbank Gelderland heeft aangegeven dat de griffiersbrief altijd tegelijk met de oproepingsbrief voor de behandeling van de faillissementsaanvraag wordt verzonden. [appellant] heeft desgevraagd ter mondelinge behandeling van het hof verklaard dat hij de oproep met als bijlage het faillissementsverzoek met bijbehorende stukken heeft ontvangen maar dat hij de


“griffiersbrief” als bedoeld in artikel 3 Fw niet heeft ontvangen dan wel niet heeft gezien. [appellant] stelt voorts dat hij na ontvangst van het aangetekende poststuk meteen de focus heeft gelegd op zijn verweer tegen de faillissementsaanvraag van de Ontvanger. Naar zijn mening was er geen sprake van een faillissementstoestand. Een verzoek om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling zou volgens [appellant] dan ook niet logisch zijn geweest.

3.5

Het hof oordeelt als volgt. Uit ambtshalve navraag bij de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, is gebleken dat de rechtbank [appellant] bij aangetekende brief van 24 april 2013 heeft uitgenodigd voor de behandeling van het faillissementsverzoek en bij die oproep tevens het faillissementsverzoek en de brief als bedoeld in artikel 3 lid 1 Fw met bijbehorende folder heeft gevoegd. De rechtbank Gelderland heeft het hof onder meer een afschrift van laatstgenoemde brief alsmede de “Detailpagina zending” doen toekomen. Uit genoemde detailpagina blijkt dat de stukken, waaronder dus de mededeling van de griffier als bedoeld in artikel 3 lid Fw, op 26 april 2013 zijn afgeleverd op het adres Achterstraat 49 te 4054 MS Echteld, derhalve op het adres van [appellant]. Het hof gaat er dan ook van uit dat [appellant] door de bezorging van de enveloppe met inhoud op 26 april 2013 daarmee ook de mededeling van de griffier als bedoeld in artikel 3 Fw moet hebben ontvangen. Het argument van [appellant] dat hij de griffiersbrief niet heeft gezien, kan hem niet baten omdat verder niet gebleken is van feiten en omstandigheden die aan de kennisneming van die brief in de weg hebben gestaan.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat [appellant] wegens hem toe te rekenen omstandigheden niet binnen de in artikel 3 lid 1 Fw genoemde termijn van veertien dagen een verzoekschrift tot omzetting in de wettelijke schuldsaneringsregeling heeft ingediend. Dit brengt mee dat de rechtbank [appellant] in zijn verzoek niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Hoewel het dictum dat de rechtbank heeft gebezigd (afwijzing van het verzoek) strikt genomen ook kan worden gehanteerd in geval van niet-ontvankelijkheid van de verzoeker, zal het hof voor de duidelijkheid het vonnis waarvan beroep vernietigen en daarvoor het dictum van niet-ontvankelijkverklaring in de plaats stellen.

3.6

Ook als het hof aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van [appellant] zou toekomen, zou het verzoek dienen te worden afgewezen.

In het algemeen geldt dat [appellant] geen of onvoldoende inzicht heeft verschaft in de ontstaansgronden en ontstaansdata van zijn schulden. Met name door het ontbreken van jaarstukken en belastingaangiften is het voor het hof niet mogelijk na te gaan hoe en waarom de schulden zijn ontstaan, wat de resultaten van de onderneming zijn geweest en welk inkomen [appellant] uit de onderneming heeft genoten, zodat het hof niet kan beoordelen of [appellant] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden al dan niet te goeder trouw is geweest.
Het hof is verder met de rechtbank van oordeel dat [appellant] (in ieder geval) onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden aan Aegon en de Belastingdienst te goeder trouw is geweest. Uit de stukken blijkt immers dat de uitkering door Aegon was gekoppeld aan een arbeidsongeschiktheidsuitkering van het UWV en vaststaat dat [appellant] Aegon niet heeft geïnformeerd over het feit dat hij al sinds maart 1995 geen arbeidsongeschiktheidsuitkering meer van het UWV ontvangt. De stelling van [appellant] dat het feit dat hij destijds heeft afgezien van een uitkering van het UWV omdat hij een eigen onderneming begon, niet betekent dat hij niet langer arbeidsongeschikt was, doet aan het vorenstaande niet af, te meer daar [appellant] geen


enkel inzicht heeft verschaft over zijn inkomsten uit die onderneming en hij blijkens de door [appellant] overgelegde stukken gehouden was om, als hij niet meer bij zijn werkgever werkte, aan Aegon door te geven wanneer hij meer of minder ging verdienen. Ook dat heeft [appellant] niet gedaan.
Wat betreft het ontstaan en onbetaald laten van de schuld aan de Belastingdienst acht het hof [appellant] ook niet te goeder trouw. Vast staat dat de schuld ambtshalve aanslagen Inkomstenbelasting en Omzetbelasting betreft die zijn opgelegd na een boekenonderzoek en als gevolg van het niet of niet tijdig doen van belastingaangiften. [appellant] heeft tegen deze aanslagen geen bezwaar en beroep ingesteld, zodat de aanslagen thans onherroepelijk zijn geworden, met als gevolg dat het hof van de juistheid van deze aanslagen dient uit te gaan.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 5 december 2014 en, opnieuw rechtdoende:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn omzettingsverzoek.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.C. Frankena. L.J. de Kerpel-van de Poel en A.S. Gratama en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2015.