Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:1057

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-02-2015
Datum publicatie
11-03-2015
Zaaknummer
WAHV 200.152.048
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtigingskwestie. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de door de gemachtigde overgelegde machtiging in algemene bewoordingen is gesteld en geen bijzondere schriftelijke volmacht inhoudt tot het instellen van beroep tegen de inleidende beschikking in deze zaak. Nu uit de stukken niet blijkt dat conform 6:6 Awb aan de gemachtigde de gelegenheid is geboden het geconstateerde verzuim te herstellen, is het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. In een overweging ten overvloede overweegt het hof dat in de fase van het beroep bij de kantonrechter de officier van justitie niet bevoegd is om de gronden van het beroep te verlangen van de betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.152.048

16 februari 2015

CJIB 158086297

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

locatie Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant

van 9 mei 2014

betreffende

[naam] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [plaats],

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],

wonende te [plaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep. Daarbij is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

De zaak is behandeld ter zitting van 2 februari 2015. De betrokkene is verschenen bij gemachtigde. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. C.T. Brontsema.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat - naar het hof begrijpt - de door de gemachtigde overgelegde machtiging vanwege de algemene bewoordingen geen bijzondere schriftelijke volmacht inhoudt tot het instellen van beroep tegen de inleidende beschikking in de onderhavige zaak.

2. De gemachtigde kan zich niet verenigen met de beslissing van de kantonrechter en voert daartoe aan dat, indien de rechtbank van oordeel is dat er een gebrek kleeft aan de machtiging, hem op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de gelegenheid had moeten worden geboden om het verzuim te herstellen.

3. Indien een ander dan de betrokkene beroep instelt, zal de kantonrechter van degene die het heeft ingesteld een schriftelijke machtiging kunnen verlangen. Wordt de gevraagde machtiging niet verstrekt of voldoet de verstrekte machtiging niet aan de daaraan te stellen eisen, dan kan ingevolge het bepaalde in artikel 6:6 Awb het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener van het beroep de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

4. Uit de stukken blijkt niet dat aan de gemachtigde de gelegenheid is geboden het geconstateerde verzuim te herstellen. Dat brengt mee dat de kantonrechter het ingestelde beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

5. Gelet op het voorgaande kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven.

Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en de zaak terugwijzen naar de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant.

6. De gemachtigde van de betrokkene heeft verzocht om vergoeding van reis- en verletkosten. Nu de beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd, komen de in hoger beroep gemaakte reis- en verletkosten voor vergoeding in aanmerking. De reiskosten worden

ingevolge het toepasselijke artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Dit betreft een kennelijke omissie van de regelgever: bedoeld is onderdeel d. Ingevolge dat artikel wordt een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Derhalve zal het hof ter zake van reiskosten aan de betrokkene een bedrag toekennen van € 51,20 ([plaats]-Leeuwarden v.v. per trein). Voorts acht het hof het ter zake van de verletkosten door de betrokkene opgegeven uurtarief (ad € 37,50,-) redelijk en zal daarvoor derhalve een bedrag van € 75,- (2 uren x € 37,50-) toekennen. In totaal bedraag de proceskostenvergoeding derhalve € 126,20 (€ 51,20 + € 75,-).

7. Ten overvloede overweegt het hof - met het oog op terugwijzing naar de kantonrechter - nog het volgende.

De gemachtigde van de betrokkene heeft bij faxbericht van 29 augustus 2012

pro-forma beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. Bij brief van

3 mei 2013 stelt de officier van justitie vast dat de gronden van het beroep ontbreken en dat de gemachtigde van de betrokkene in verzuim is. Vervolgens stelt de officier van justitie de gemachtigde in de gelegenheid het verzuim te herstellen binnen vier weken na dagtekening van de brief en wijst de gemachtigde op de gevolgen van het niet (tijdig) verstrekken van de gronden van het beroep. Niet blijkt dat de gemachtigde op voormeld schrijven d.d.

3 mei 2013 heeft gereageerd.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de WAHV kan tegen de beslissing van de officier van justitie degene die administratief beroep heeft ingesteld beroep instellen bij de rechtbank; het beroep wordt behandeld en beslist door de kantonrechter. In afwijking van artikel 6:4, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, wordt het beroepschrift ingediend bij de officier van justitie die ingevolge artikel 6, eerste lid, op het administratief beroep heeft beslist.

Uit de wetsgeschiedenis van de wijziging van artikel 9 van de WAHV (Kamerstukken II, 1995/96, 23689, nr. 6, pp. 10,11) blijkt dat de wetgever om redenen van doelmatigheid ervoor heeft gekozen bepaalde administratieve handelingen met betrekking tot het beroep bij de kantonrechter te laten verrichten door het parket van de officier van justitie (thans de CVOM) en niet meer zoals voordien door de griffie van de rechtbank. Dit houdt ingevolge de artikelen 10 en 11 van de WAHV in dat de stukken met betrekking tot het beroep worden verzameld en dat het beroepschrift en de daarop betrekking hebbende stukken ter kennis van de rechtbank worden gebracht, nadat de mededelingen betreffende de verplichting tot zekerheidstelling zijn verzonden en de zekerheid is voldaan, dan wel de termijn daarvoor is verstreken.

In dit geval is uitsluitend de kantonrechterechter bevoegd om vast te stellen dat de gronden van het beroep ontbreken en vervolgens de betrokkene, dan wel de gemachtigde van de betrokkene, in de gelegenheid te stellen dit verzuim te herstellen en eventueel consequenties te verbinden aan het niet (tijdig) verstrekken van de gronden van het beroep. In de fase van het beroep bij de kantonrechter is de officier van justitie niet bevoegd om de gronden van het beroep te verlangen van de betrokkene.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 126,20.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.