Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:10200

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-12-2015
Datum publicatie
22-05-2017
Zaaknummer
21-001318-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:3394, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001318-15

Uitspraak d.d.: 1 december 2015

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 24 februari 2015 met parketnummer 05-000390-15 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 november 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. O.N.J. Maatje, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 5 oktober 2014, althans in de maand oktober 2014,

in de gemeente Tiel,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf een terrein aan of nabij de [a-straat 1] te Wadenoijen heeft weggenomen een aanhangwagen (merk Anssems,

type D750), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene 1], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

subsidiair:

hij op of omstreeks 5 oktober 2014, althans in de maand oktober 2014,

te Dreumel, in de gemeente West Maas en Waal, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een aanhangwagen (merk Anssems, type D750) heeft verworven, voorhanden heeft

gehad en/of heeft overgedragen,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die aanhangwagen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen aanhangwagen betrof.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het subsidiair tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder dat, blijkens de stukken van de zaak, de aanhangwagen in de nacht van 4 op 5 oktober 2014 werd gestolen en dat deze aanhangwagen binnen 24 uur na de diefstal door verdachte werd (door)verkocht aan [betrokkene 2]. Volgens verdachte heeft hij de aanhanger voor iemand anders doorverkocht, en aan die persoon het geld overhandigd. Uit de verklaring van verdachte noch de koper blijkt dat de koper verteld is dat hij met een tussenpersoon van doen had. Bij de behandeling van de zaak is herhaaldelijk aan verdachte, die het feit ontkent, gevraagd om de naam van degene voor wie hij de aanhanger heeft doorverkocht, te noemen. Verdachte heeft om hem moverende redenen de naam van die persoon niet willen noemen.

Het hof concludeert dat, gelet op de snelheid van het omzetten van de aanhangwagen en het

feit dat verdachte de naam van de leverancier van de aanhanger niet wil noemen, de herkomst van de betreffende aanhangwagen niet koosjer is. Het hof hecht om dezelfde reden geen geloof aan de hoogte van het bedrag dat verdachte zegt voor de aanhangwagen te hebben betaald. Verdachte had zich minst genomen moeten realiseren dat de aanhangwagen door misdrijf verkregen was zodat hij zich derhalve schuldig heeft gemaakt aan schuldheling.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 5 oktober 2014, althans in de maand oktober 2014,

te Dreumel, in de gemeente West Maas en Waal, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een aanhangwagen (merk Anssems, type D750) heeft verworven, voorhanden heeft

gehad en /of heeft overgedragen,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die aanhangwagen wist(en), althans redelijkerwijs had (den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen aanhangwagen betrof.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Schuldheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling van een aanhangwagen. Door het

verkopen van gestolen goederen maakt verdachte het lonend dat anderen diefstallen plegen.

Uit het ten name van verdachte staand uittreksel Justitiële Documentatie blijkt dat verdachte reeds eerder ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk tot straffen is veroordeeld. Tevens blijkt uit het uittreksel dat verdachte recent is veroordeeld in twee zaken tot deels voorwaardelijke veroordelingen tot een gevangenisstraf, waarbij hem bijzondere voorwaarden zijn opgelegd (kort gezegd: toezicht reclassering en meewerken aan een behandeling en het volgen van een gedragscursus). Uit het uittreksel blijkt eveneens dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Gelet op de recente veroordelingen en in het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, is het hof van oordeel, anders dan door de politierechter is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, dat oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.240,--. De politierechter heeft blijkens het vonnis geen beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. Het hof is van oordeel dat de uit de bewijsmiddelen blijkende gedragingen van verdachte – zoals hierboven verkort weergegeven – en de heling in zodanig nauw verband staan met elkaar staan dat door de heling rechtstreeks aan de eigenaar van de gestolen aanhangwagen de door deze geleden schade is toegebracht. Het verband tussen het bewezenverklaarde en de schade is door verdachte en zijn raadsman niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene 1] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.000,-- (éénduizend euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [betrokkene 1], ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,-- (éénduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr. C. Caminada en mr. M.A.F. Cools-Weebers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G. Heeres, griffier,

en op 1 december 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. M.A.F. Cools-Weebers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 1 december 2015.

Tegenwoordig:

mr. J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr. L.H.J. Vijlbrief-Smit, advocaat-generaal,

G. Heeres, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.