Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:10180

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-12-2015
Datum publicatie
08-05-2017
Zaaknummer
21-007673-14
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:731, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-007673-14

Uitspraak d.d.: 24 december 2015

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 15 december 2014 met parketnummer 16-601093-11 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 december 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,

mr. W.S. Korteling, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep (feit 2)

Verdachte is bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde feit. Hoger beroep tegen deze gegeven vrijspraak staat niet open. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep verklaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, tenlastegelegd dat:

1:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 12 maart 2013, in de gemeente Stichtse Vecht en/of te Amsterdam en/of te Leeuwarden, althans in Nederland,

A.

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (ter hoogte van [in totaal] 533.200 Euro), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (ter hoogte van [in totaal] 533.200 Euro) was of wie bovenomschreven voorwerp(en) voorhanden had(den), en/of

B.

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (ter hoogte van [in totaal] 533.200 Euro), heeft/hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (ter hoogte van [in totaal] 533.200 Euro), gebruik heeft/hebben gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) genoemd onder A en/of B - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf en/of terwijl hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s) van dit onder A en/of B genoemde verbergen en/of verhullen en/of verwerven en/of voorhanden hebben en/of overdragen en/of omzetten en/of gebruik maken een gewoonte heeft/hebben gemaakt.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat de geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf. Verdachte heeft als getuige in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] een verklaring afgelegd over de herkomst van het geld, welke er op neerkomt dat hij als tussenpersoon werkzaam was in de handel van wagens, auto’s en/of daarbij behorende goederen. Deze verklaring is als schriftelijk bescheid in de zaak van verdachte gevoegd. Verdachte kocht met name voertuigen voor het Midden-Oosten, die verscheept werden naar de havens aldaar. Het geld werd (deels) via hawala-bankieren uit het Midden-Oosten naar Nederland overgemaakt. Bovendien worden zijn werkzaamheden als tussenpersoon bevestigd door diverse getuigen, tevens medeverdachten in de onderhavige zaak, aldus de raadsman.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

Oordeel hof

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.

Bij de beoordeling gaat het hof uit van volgende feiten:

Inleiding

Op donderdag 10 november 2011 is door de politie in de gemeente Stichtse Vecht een Range Rover met kenteken [AA-00-BB] gecontroleerd. De bestuurder was verdachte [verdachte] . De auto maakte deel uit van de bedrijfsvoorraad van het garagebedrijf [A] onder vermelding van de naam van verdachte [betrokkene 1] . De Range Rover stond geregistreerd als gestolen in Frankrijk. De verdachten [verdachte] en [betrokkene 1] zijn hierop aangehouden en de Range Rover is in beslag genomen. Onder verdachte [verdachte] zijn 58 briefjes van € 100,-- (totaal: € 5.800,--) in beslag genomen. Dezelfde avond heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de garage van [A] in Mijdrecht en in de woning van [verdachte] in Amsterdam. Op 14 november 2011 is bij de boekhouder van het bedrijf de bedrijfsadministratie van [A] in beslag genomen. Eind 2011 is een vervolgonderzoek gestart naar de Range Rover en naar een (als gestolen geregistreerd staande) Volkswagen Golf die op het terrein van [A] is aangetroffen.

In 2011 zijn de belastinggegevens van verdachte gevorderd. Uit de gegevens blijken geen noemenswaardige inkomsten of vermogensbestanddelen voor de jaren 2007 tot en met 2010.

Op de Iphone van verdachte zijn berichten aangetroffen waarin staat dat verdachte € 28.000,-- biedt op een appartement in Turkije en aangeeft een appartement in Marokko te hebben gekocht. Op een CD die in beslag is genomen uit de laptoptas uit de kofferbak van de Range Rover staat een afbeelding van ongeveer € 480.000,-- in contanten. De spullen in de kofferbak waren van verdachte.

Uit onderzoek in 2013 is gebleken dat in de periode van 2009 tot en met 2012 ongebruikelijke geldstromen hebben plaatsgevonden via verschillende rekeningen op naam van de volgende verdachten:

  • -

    [verdachte] ;

  • -

    [betrokkene 1] ;

  • -

    [betrokkene 2] ;

  • -

    [betrokkene 3] ;

  • -

    [betrokkene 4] ;

  • -

    [betrokkene 5] ;

  • -

    [medeverdachte] .

In 2009 zijn grote geldbedragen uit (vermoedelijk) het Midden-Oosten op de rekening op naam van verdachte [verdachte] gestort. Na 2009 zijn dergelijke grote geldbedragen niet meer rechtstreeks op zijn eigen rekening, maar op rekeningen op naam van verdachten [betrokkene 2] en [betrokkene 3] gestort. De bedragen zijn door hen binnen enkele dagen overgeboekt naar [verdachte] of naar een derde of contant opgenomen. Een derde heeft het geld vervolgens weer overgeboekt naar [verdachte] of het geld is contant opgenomen.

Geldstroom [verdachte]

Op de ING-rekening met rekeningnummer [001] op naam van [verdachte] is in de periode van 9 maart 2009 tot en met 8 augustus 2012 in totaal een bedrag van € 229.319,-- bijgeschreven. Een bedrag van € 142.843,-- in 2009 en een bedrag van € 86.476,-- in de periode van 2010 tot en met 2012.

In 2009 bestaan de totale bijschrijvingen uit overboekingen uit het buitenland en uit contante stortingen.

In de periode van 2010 tot en met 2012 betreffen de bijschrijvingen een contante storting van € 1.400,-- en een overboeking van [betrokkene 6] van € 2.000,--. Voor het overige zijn het overboekingen afkomstig van rekeningen op naam van [betrokkene 3] , [betrokkene 2] , [betrokkene 5] en [medeverdachte] voor een totaalbedrag van € 79.384,--.

De van 2009 tot en met 2012 binnenkomende bedragen zijn telkens binnen twee dagen grotendeels overgeboekt of opgenomen.

In totaal is er een bedrag van € 112.890,-- contant opgenomen. Een bedrag van € 15.200,-- is overgeboekt naar een tweede rekening op naam van [verdachte] en € 53.680,-- is door middel van twee spoedbetalingen overgeboekt onder vermelding van “ppc”. Tenslotte is € 2.470,-- overgeboekt naar een zakelijke rekening op naam van [A] .

Afgelegde verklaringen

Verdachte werd op 10 november 2011 aangehouden in verband met de verdenking van opzetheling. Dezelfde dag werd hij verhoord. Hij verklaarde onder meer dat hij geen werk had en werkzoekende was. Hij had geen inkomen. Hij woonde bij zijn moeder en zijn moeder betaalde al zijn rekeningen. Op 14 november 2011 heeft verdachte verklaard dat hij geen geld uitleent, maar juist geld leent. Hij zit bij schuldhulp Puurzuid in Amsterdam en heeft een schuld van ongeveer € 24.000,--. Op 16 november 2011 heeft verdachte verklaard dat zijn schulden worden geregeld via de schuldsanering.

Op 12 en 13 maart 2013 is verdachte door de politie verhoord in verband met de verdenking van witwassen. Verdachte heeft zich toen op zijn zwijgrecht beroepen.

Verdachte is in de zaak van medeverdachte [medeverdachte] als getuige gehoord. Deze verklaring is aan het dossier van verdachte toegevoegd. Verdachte heeft als getuige onder meer verklaard dat hij nooit een uitkering heeft gehad en dat hij nooit in de schuldsanering heeft gezeten. Hij is op een gegeven moment als tussenpersoon gaan werken. Hij bemiddelde tussen koper en verkoper en kreeg daarvoor commissie. Bij een wiellader kon dat € 1.000,-- zijn en bij een doorsnee vrachtwagen € 500,--. Als de koper tevreden was met de voorgestelde voertuigen werd het geld overgemaakt naar een vertrouwenspersoon van verdachte. Het geld kon niet op rekening van verdachte worden gestort, omdat hij er dan omzetbelasting over zou moeten betalen. Als het geld op de rekening van een vertrouwenspersoon gestort was, ging verdachte de voertuigen persoonlijk bekijken en als deze aan de verwachtingen voldeden, kocht hij de voertuigen namens de opdrachtgever. De prijs werd dan in contanten in het bezit gesteld van de verkoper. Verdachte heeft op een gegeven moment zijn zakelijke rekening veranderd in een studentenrekening. Hij ontving toen € 40.000,-- van [B] LLC. Daarna ontving hij afgerond € 40.000,-- van [betrokkene 7] . Daarvan zijn bij [C] vrachtwagens gekocht, die vanaf dezelfde rekening per bank aan de verkoper zijn betaald. [medeverdachte] is ook vertrouwenspersoon geweest. Met [betrokkene 2] sprak verdachte af dat zij geld overboekte naar de rekening van [medeverdachte] .

[betrokkene 2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij op verzoek van verdachte en [betrokkene 3] geldbedragen op haar rekening liet storten. Ze hadden gevraagd of het geld op haar rekening kon worden gestort, omdat ze zelf niet meer dan een bepaald bedrag op hun rekening mochten hebben. Het geld dat op haar rekening terecht kwam, werd op verzoek van verdachte en [betrokkene 3] gepind, dan wel op hun verzoek of door hun doorgestort naar andere rekeningnummers. De namen van personen of bedrijven ( [medeverdachte] , [betrokkene 5] , [betrokkene 4] , [D] , [A] ) waarnaar het geld werd overgeboekt, zeggen haar niets.

[betrokkene 1] is op 10 november 2011 door de politie gehoord. Hij heeft toen verklaard dat hij een Wajong-uitkering heeft en dat de Range Rover waarin hij en verdachte zijn aangetroffen van verdachte is. Op 14 november 2011 heeft [betrokkene 1] verklaard dat verdachte hem financieel geholpen heeft bij het opstarten van zijn bedrijf ( [A] ). Verdachte had de beschikking over de pinpas en pincode van de bedrijfsrekening. Hij nam geld op van de rekening en liet mensen geld storten op die rekening. Voorts heeft [betrokkene 1] op 14 november 2011 verklaard dat verdachte met handel in drugs veel geld heeft verdiend en dat hij een Porsche Cayenne heeft gekocht die hij op naam van [betrokkene 8] heeft laten zetten. Op 13 maart 2013 heeft [betrokkene 1] verklaard dat hij gebruik maakte van de rekening van zijn moeder en dat verdachte daar een keer geld naar had laten overboeken.

[betrokkene 8] heeft bij de politie verklaard dat hij voor verdachte een Porsche en een Mercedes op naam heeft gehad. De Porsche is door verdachte gekocht bij [betrokkene 9] .

Door verbalisant is geconstateerd dat [betrokkene 8] van 30-11-2010 tot 12-01-2011 een Porsche Cayenne Turbo op naam heeft gehad.

[betrokkene 9] heeft in verband met de verkoop van de Porsche Cayenne een afschrift overhandigd waarop is te zien dat van de rekening van [betrokkene 2] een bedrag van € 25.250,-- is overgemaakt naar de rekening van [betrokkene 9] .

[betrokkene 4] heeft op 21 maart 2013 verklaard dat hij dat jaar daarvoor door verdachte was benaderd. Verdachte had een rekeningnummer nodig om geld te ontvangen. Verdachte wilde zijn eigen rekeningnummer niet gebruiken omdat hij een uitkering had. Hij heeft verdachte de pinpas gegeven van de [D] rekening. Verdachte reed in mooie auto’s. Hij kent verdachte van vroeger, maar verdachte is de verkeerde kant op gegaan. [betrokkene 4] heeft ook een keer € 20.000,-- ontvangen op zijn persoonlijke rekening. Dit bedrag heeft hij gepind voor verdachte.

[betrokkene 5] heeft ter zitting van de rechtbank (ook) in de zaak van verdachte verklaard dat verdachte haar had gevraagd of er geld op haar rekening gestort mocht worden. Verdachte zou schulden hebben en als het geld via zijn rekening zou lopen, zouden deurwaarders het in beslag nemen.

[betrokkene 3] heeft als getuige ter zitting van het hof verklaard dat hij op verzoek van verdachte zijn rekening ter beschikking heeft gesteld. Hij deed dit omdat verdachte geen grote bedragen op zijn eigen rekening kon ontvangen. [betrokkene 3] heeft geruime tijd dagelijks met verdachte opgetrokken. Hij is één keer met verdachte mee geweest om te kijken naar een vrachtauto. In 2007 heeft hij samen met verdachte internetfraude gepleegd en in 2011 heeft hij samen met verdachte een ander van zijn auto beroofd.

Oordeel hof

Uit misdrijf afkomstig

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420 bis, eerste lid, onder a en b Sr opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp.

Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden (zie onder meer: HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787; HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2471 en HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:194).

De vragen die derhalve thans voorliggen zijn de volgende.

Zijn de geldbedragen, die via via bij verdachte (contant of via zijn bankrekening) zijn gekomen, afkomstig van enig misdrijf, en wist verdachte, of moest hij redelijkerwijs vermoeden, dat deze gelden van misdrijf afkomstig waren.

Gelet op het feit dat verdachte eerst via zijn eigen rekening en vervolgens via rekeningen van anderen de beschikking had over veel geld, volgens de belastingdienst verdachte geen noemenswaardige inkomsten of vermogen had, verdachte tijdens zijn verhoor bij de politie in 2011 heeft verklaard dat hij geen inkomsten had, zijn moeder zijn rekeningen betaalde en hij in de schuldsanering zat en de politie bij de verschillende doorzoekingen (ook in de woning van verdachte) geen enkel document heeft aangetroffen waaruit blijkt van legale inkomsten door verdachte, zijn er aanwijzingen dat het door verdachte ontvangen geld een criminele herkomst heeft.

Verdachte heeft - nadat hij werd aangemerkt als verdachte van witwassen - in zijn zaak nimmer - niet bij de politie, niet bij de rechtbank en niet bij het hof - een verklaring afgelegd over de bedragen die via de verschillende bankrekeningen bij verdachte terecht zijn gekomen. Op het moment dat verdachte in 2015 als getuige in de zaak [medeverdachte] werd gehoord, heeft hij verklaard over twee bedragen van € 40.000,-- die hij op zijn eigen bankrekening heeft ontvangen. Over het ene bedrag heeft hij slechts verklaard dat het afkomstig is van [B] LLC, maar niet over de reden van ontvangst en de bestemming van het geld. Over het tweede bedrag heeft de verdachte verklaard dat het afkomstig was van [betrokkene 7] en dat er trucks van zijn gekocht bij [C] . Dat bedrag zou per bank zijn betaald. Uit het betreffende rekeningafschrift blijkt dat verdachte op 9 maart 2009 een bedrag heeft ontvangen van € 40.000,-- van [E] LLC. Op 11 maart 2009 is een spoedbetaling van € 37.930,-- overgemaakt naar rekeningnummer [002] met als omschrijving: ‘ [...] ING spoeduitbet – [001] [verdachte] 12-3-1990 PPC JA’. Uit het dossier blijkt niet van wie dat het rekeningnummer is. Ook blijkt dus niet dat dit toebehoort aan [C] . Uit het dossier blijkt (p. 205) dat [C] gebruik maakt van rekeningnummer 382433491. Aan verbalisant is door een ING medewerker medegedeeld dat de code bij de spoedbetaling refereert naar een bank in Spanje (p. 203). Niet blijkt dat de politie nader onderzoek heeft gedaan naar de identiteit van de rekeninghouder, maar verdachte heeft ook niet gesteld dat het rekeningnummer van [C] is en ook is niet door de verdediging in een later stadium gevraagd om onderzoek te doen naar dit bankrekeningnummer. Uit de omschrijving op het rekeningafschrift blijkt evenmin dat het geld is gegaan naar [C] . Verdachte heeft niet aangegeven met wie van dat bedrijf hij contact heeft gehad. Er is geen enkel document (zoals een factuur of mailwisseling) overgelegd waaruit blijkt dat verdachte tussen [E] en [C] bemiddelde. Door de verdediging is - vlak voor de inhoudelijke behandeling van de zaak door het hof - slechts een schrijven overgelegd dat afkomstig zou zijn van [betrokkene 7] uit Irak. In dat schrijven staat weliswaar dat er (in algemene zin) zakelijke contacten tussen het bedrijf van [betrokkene 7] en verdachte zijn met betrekking tot de koop van vrachtwagens, maar in dat schrijven wordt niet ingegaan op het bedrag van € 40.000,-- en wordt de naam [C] niet genoemd.

Het hof gaat er vanuit dat als het bedrag van € 37.930,-- betaald zou zijn aan [C] dit op een eenvoudige wijze door verdachte aan te tonen zou zijn, bijvoorbeeld door het overleggen van een factuur of mailwisseling. Het hof komt tot de conclusie dat niet is gebleken dat de € 40.000,-- die op de rekening van verdachte werd gestort, legaal handelsgeld was dat bestemd was voor de aankoop van vrachtwagens. Nu niet is gebleken van een legale herkomst en evenmin is gebleken dat de legale herkomst niet op eenvoudige wijze kon worden aangetoond en verdachte in zijn zaak over dat geld geen verklaring heeft willen afleggen, gaat het hof er van uit dat het geld een illegale herkomst had.

Ten aanzien van alle overige bedragen die direct of indirect (via de rekeningen van anderen) bij verdachte terecht zijn gekomen heeft verdachte geen verklaringen afgelegd. In algemene zin heeft hij als getuige in de zaak [medeverdachte] verklaard dat hij ervoor zorgde dat het geld dat aan hem of zijn ‘vertrouwelingen’ werd overgemaakt, contant werd overhandigd aan de (Nederlandse) verkopers van de voertuigen. Dat dit het geval was, blijkt op geen enkele wijze uit het opsporingsonderzoek. Ook [betrokkene 3] , die als getuige in de zaak van verdachte is gehoord en die heeft verklaard dat hij een groot deel van tenlastegelegde periode dagelijks met verdachte optrok, heeft niet verklaard dat hij gezien heeft dat verdachte grote contante bedragen overhandigde aan verkopers van trucks. De verklaring van verdachte is verder niet onderbouwd. Als verdachte inderdaad contante bedragen aan de verkopers zou hebben versterkt, zou hij de beschikking moeten hebben over kwitanties. Deze zijn niet door de verdachte overgelegd en zijn ook niet aangetroffen toen de woning van verdachte werd doorzocht. Verder is geen enkele verkoper die contant geld van verdachte zou hebben ontvangen bij naam genoemd. Als het gaat om Nederlandse bedrijven (dus de verkopers), komen er in de - kort voor de behandeling in hoger beroep - overgelegde documenten twee namen naar voren. Het ene bedrijf is [F] . Daarvan zijn twee geschriften overgelegd. Het ene betreft een geschrift ‘Proforma’ met informatie over de klant [betrokkene 10] en over voertuigen. Het tweede geschrift betreft Visa-aanvragen. Beide documenten hebben als datum 21 maart 2014, welke datum valt buiten de tenlastegelegde periode. Verder bevindt zich bij de documenten een factuur van [G] BV uit Groenlo aan [H] . Ook deze factuur bevat een datum die ligt buiten de tenlastegelegde periode. Uit die drie geschriften (en de andere overgelegde documenten) blijkt verder geenszins van de door de verdachte beschreven handelwijze, namelijk dat hij het geld van de koper contant aan de betreffende bedrijven verstrekt.

De vraag waarom het geld niet rechtstreeks naar de verkopers werd overgeboekt, maar via verdachte moest lopen, is nooit beantwoord. Het is verder ook niet duidelijk geworden - als het al zo was dat het geld van de kopers via verdachte naar de verkopers zou gaan - waarom het geld dan via een omweg bij de verdachte terecht kwam. Dat verdachte zelf geen grote bedragen kon ontvangen, omdat hij dan omzetbelasting zou moeten betalen (zoals hij verklaarde bij de raadsheer-commissaris) of omdat zijn uitkering in gevaar kwam, omdat er dan beslag op werd gelegd door schuldeisers of omdat hij geen grote bedragen kon ontvangen op zijn (studenten)rekening,(zoals hij verklaarde tegen medeverdachten), is niet waar. De bedragen die op de rekeningen van de ‘vertrouwelingen’ van verdachte werden gestort, kwamen namelijk (als ze niet voordien contant waren opgenomen) alsnog op rekeningen van verdachte terecht. Zo ontving [betrokkene 3] op 12 juli 2010 een bedrag van € 2.075,-- en een bedrag van € 11.975,--, beide van [I] . Dezelfde dag werd een bedrag van € 13.500 van de rekening van [betrokkene 3] overgeboekt naar de rekening van verdachte. Op 19 april 2010 is van de rekening van [betrokkene 3] een bedrag van € 7.966,-- overgeboekt naar de rekening van verdachte en op 31 augustus 2010 een bedrag van € 12.000,--. Hieruit dus blijkt dat verdachte wel (grote) bedragen op zijn bankrekening ontving. Van de hiervoor genoemde bedragen die op rekening van verdachte terecht kwamen is overigens gesteld noch gebleken dat die zijn gebruikt voor de aanschaf van een vrachtauto’s voor de personen of bedrijven die daarvoor de bedragen hadden overgemaakt naar de rekening van [betrokkene 3] . Ook zijn er bedragen via meerdere rekeningen van anderen bij verdachte terecht gekomen. Zo ontving [betrokkene 2] op 19 januari 2011 een bedrag van € 11.985,-- van [J] . Vervolgens werd op 20 januari 2011 een bedrag van € 11.000,-- van de rekening van [betrokkene 2] met spoed overgeboekt naar [medeverdachte] . Op 20 januari 2011 werd van de rekening van [medeverdachte] een bedrag van € 500,-- gepind en een bedrag van € 10.000,-- contant opgenomen. Op 3 februari 2011 ontving [betrokkene 2] op haar rekening een bedrag van € 16.475,--, wederom van [J] . Op 4 februari 2011 werd een bedrag van € 15.200,-- van de rekening van [betrokkene 2] overgemaakt naar de rekening van [medeverdachte] .

Op 4 februari 2011 werd van de rekening van [medeverdachte] € 1.000,-- gepind en € 14.100,-- overgemaakt naar de ING-rekening van verdachte. Dezelfde dag werd het geld overgemaakt van de ING-rekening van verdachte naar de Triodos-rekening van verdachte. Van het bedrag van € 16.475,-- is dus via de rekeningen van [betrokkene 2] en [medeverdachte] € 14.000,-- op de rekening van verdachte terecht gekomen. Het is in het geheel niet duidelijk geworden waarom het bedrag van € 16.475,-- (en daarvoor het bedrag van € 11.985,--) niet rechtstreeks op de rekening van verdachte geboekt kon worden. Het is verder ten aanzien van beide bedragen ook niet duidelijk geworden wat ermee is gebeurd. Ten aanzien van het bedrag op de Triodos-rekening van verdachte zijn er aanwijzingen, gelet op het overzicht van verbalisanten (p. 192), dat het geld door verdachte is uitgegeven. Van beide bedragen is in ieder geval gebleken noch gesteld dat ze zijn gebruikt voor de aankoop van voertuigen voor het bedrijf [J] .

Dat het verdachte zelf was die profiteerde van de door buitenlandse bedrijven overgemaakte geldbedragen blijkt verder uit het volgende:

Op 29 november 2010 kreeg [betrokkene 2] op haar rekening een bedrag van € 29.300,-- van [K] met als omschrijving ‘purchase of trucks’. Op 30 november 2010 werd vervolgens een bedrag van € 25.250,-- overgemaakt naar de rekening van [betrokkene 9] auto’s. Uit het opsporingsonderzoek is gebleken dat met dit geld een Porsche Cayenne werd betaald, welke auto op naam van [betrokkene 8] werd gezet, maar feitelijk van verdachte was. Het bedrag dat door [K] naar de rekening van [betrokkene 2] is overgemaakt is dus niet gebruikt voor de aankoop van een vrachtauto voor [K] , maar kwam bij verdachte terecht die door middel van aankoop van een Porsche van het geld profiteerde.

Op 7 november 2012 kreeg [betrokkene 2] op haar rekening een bedrag van € 54.590,-- van [betrokkene 11] uit Saoedi Arabië. Dezelfde dag werd twee maal een bedrag van € 26.500,-- overgemaakt naar de rekening van [D] met als omschrijving ‘jassen’. Op 8 november 2012 werd van de rekening van de [D] een bedrag van € 18.250,-- overgeschreven naar [L] onder de vermelding: ‘ [...] . Deze auto werd op 8 november 2012 op naam van verdachte gezet (p. 203 van het dossier).

Ook ten aanzien van het bedrag van € 54.590,-- is dus gebleken dat het niet werd aangewend voor de aankoop van een of meer vrachtauto’s ten behoeve van het bedrijf of de persoon [betrokkene 11] . Verdachte kreeg de beschikking over dat geld en heeft er onder andere een auto voor zich zelf van gekocht.

Behalve dat verdachte dure auto’s had, blijkt ook uit andere omstandigheden dat verdachte de beschikking had over veel geld. Hij was op zoek naar een appartement in Turkije en zou een appartement in Marokko hebben. Ook kon verdachte [betrokkene 1] financieel bijstaan toen deze een bedrijf begon.

Het bovenstaande betekent dat het hof de verklaring van verdachte (zoals hij deze heeft afgelegd als getuige in de zaak [medeverdachte] en zoals verwoord door zijn raadsman) namelijk dat de grote bedragen die door buitenlandse bedrijven en/of personen werden overgeboekt naar zijn rekening of rekeningen van zijn ‘vertrouwelingen’ terecht kwamen bij de (Nederlandse of Belgische) bedrijven die vrachtauto’s verkochten aan de (buitenlandse) personen of bedrijven die het geld op de betreffende rekeningen overmaakten, niet gelooft. Het geld kwam terecht bij verdachte en niet bij (Nederlandse of Belgische) bedrijven (in verband met de verkoop van vrachtauto’s naar buitenlandse bedrijven). Verdachte heeft in de tenlastegelegde periode grote geldbedragen ontvangen. Tijdens het opsporingsonderzoek, het verhoor van getuigen op de zittingen bij de rechtbank en het hof en uit de door verdachte overgelegde documenten is niet gebleken dat verdachte dit geld door legale activiteiten heeft verkregen. De verdachte heeft als verdachte in zijn witwaszaak geen verklaringen willen afleggen, terwijl hetgeen hij heeft verklaard als verdachte in de helingzaak (namelijk dat hij geen inkomsten had) en als getuige in de zaak [medeverdachte] (namelijk dat hij rekeningen van anderen nodig had, omdat hij geen grote bedragen op zijn rekening kon ontvangen) gelogen was.

Gelet op het bovenstaande komt het hof tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat de grote bedragen (namelijk meer dan € 2.000,-- per keer) die verdachte via zijn eigen rekening dan wel via de rekeningen van anderen in de tenlastegelegde periode ontving uit misdrijf afkomstig zijn en verdachte dit wist. Redengevend hiervoor is ook (naast het hetgeen hierboven is overwogen) de omstandigheid dat verdachte het geld uit het zicht van de autoriteiten heeft willen houden - en dus kennelijk de criminele herkomst heeft willen verhullen - door de bedragen die in 2009 op zijn rekening werden geboekt direct contant op te nemen of naar onbekend gebleven personen door te boeken en door in 2010, 2011 en 2012 de geldstromen te laten lopen via de bankrekeningen van anderen.

Witgewassen bedrag

Gelet op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen acht het hof verdachte verantwoordelijk voor het totaalbedrag aan witgewassen geld. Dit bedrag berekent het hof door de bedragen die direct (kennelijk) uit het buitenland bij verdachte (in 2009 en in de jaren daarna bij), [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zijn binnengekomen, bij elkaar op te tellen.

Het hof heeft deze drie bedragen bij elkaar opgeteld:

Verdachte: € 132.159,--

[betrokkene 2] : € 279.113,--

[betrokkene 3] : € 103.933,--

Totaal: € 515.205,--

Gelet op de hoogte van de bedragen, de tijdsduur en de intensiteit van de stortingen, is tevens bewijs geleverd voor de strafverzwarende variant van gewoontewitwassen.

Aanvullende overweging met betrekking tot de afwijzing van de getuigenverzoeken

Namens verdachte is ter zitting in hoger beroep verzocht om het horen van een aantal getuigen. Deze getuigen zijn op één na, namelijk [betrokkene 12] , reeds genoemd in de appelschriftuur. Of [betrokkene 12] gehoord moet worden, dient aldus beoordeeld te worden aan de hand van het noodzaakcriterium. Hetzelfde geldt ten aanzien van [betrokkene 5] . Weliswaar was in de appelschriftuur verzocht om haar te horen, maar zij is reeds ter zitting van de rechtbank gehoord in het bijzijn van een door de verdachte gemachtigde raadsman.

Ten aanzien van het verzoek [betrokkene 6] te horen overweegt het hof dat verdachte geen belang (meer) heeft om deze getuige te horen, nu het hof er van uitgaat dat het geld dat verdachte van hem kreeg (via de rekening van [A] ) daadwerkelijk bedoeld was voor het aanschaffen van (een) auto(‘s) voor die [betrokkene 6] en onvoldoende is gebleken dat het door [betrokkene 6] verstrekte geld van misdrijf afkomstig was.

Ten aanzien van de overige verzochte getuigen geldt dat voor zover verdachte wil aantonen dat hij (ook in de tenlastegelegde periode) optrad als tussenpersoon in de vrachtwagenhandel en daarvoor commissie kreeg (tussen de € 500 en € 1.000), het hof dit wel wil aannemen, maar dat dit gegeven niets zegt over de vraag of de verdachte het in de tenlastelegging genoemde (totaal)bedrag heeft witgewassen, omdat dat totaalbedrag ziet op andere (veel hogere) bedragen die verdachte op zijn rekening of de rekening van anderen ontving. In dat opzicht heeft de verdachte geen belang bij de te horen getuigen. Voor zover de verdachte met de te horen getuigen wel het tenlastegelegde wil betwisten, geldt dat die verzoeken onvoldoende onderbouwd zijn, zodat niet is gebleken van de noodzaak om de getuigen [betrokkene 5] en [betrokkene 12] te horen en onvoldoende is gebleken van een verdedigingsbelang om de overige (afgewezen) getuigen te horen. Door de verdediging is immers op geen enkel moment concreet aangegeven wat die getuigen kunnen verklaren over de concrete bedragen die blijken uit de rekeningafschriften en deel uitmaken van het in de tenlastelegging genoemde totaalbedrag en welke bedragen veel hoger zijn dan de bedragen die verdachte (mogelijk) bij wijze van commissie ontving.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 12 maart 2013, in de gemeente Stichtse Vecht en/of te Amsterdam en/of te Leeuwarden, althans in Nederland,

A.

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (ter hoogte van [in totaal] 515.205 Euro), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (ter hoogte van [in totaal] 533.200 Euro) was of wie bovenomschreven voorwerp(en) voorhanden had(den), en/of

B. tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (ter hoogte van [in totaal] 515.205 Euro), heeft/hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (ter hoogte van [in totaal] 533.200 Euro), gebruik heeft/hebben gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) genoemd onder A en/of B - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf en/of terwijl hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s) van dit onder A en/of B genoemde verbergen en/of verhullen en/of verwerven en/of voorhanden hebben en/of overdragen en/of omzetten en/of gebruik maken een gewoonte heeft/hebben gemaakt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar.

De advocaat-generaal heeft oplegging van eenzelfde straf gevorderd.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte zich samen met anderen gedurende een geruime periode schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van in totaal € 515.205,--. Witwassen is een ernstig delict omdat het de integriteit van het financiële en economische verkeer aantast en daarmee de legale economie bedreigt. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten en via witwassen als vermeend legaal geld kan worden aangewend in investeringen in de reguliere economie, heeft een ontwrichtende werking. Verdachte heeft zich bij zijn handelen kennelijk slechts laten leiden door eigen financieel gewin zonder enig oog te hebben voor de schadelijke gevolgen hiervan voor de samenleving.

Verdachte is de initiator van dit misdrijf geweest en heeft mensen, waaronder zijn vrienden en toenmalige vriendin, benaderd en bewerkt om hun bankrekeningen en (in twee gevallen) de bankrekeningen van hun bedrijven ter beschikking te stellen voor het witwassen. Dat deze mensen hierdoor ook strafrechtelijk aansprakelijk werden, heeft verdachte niet weerhouden hier toch mee door te gaan. Uiteindelijk eindigden alle girale geldstromen bij verdachte en kwam een groot deel van het contante geld bij verdachte terecht. De meeste medeverdachten hebben er weinig aan overgehouden. Verdachte is de grote profiteur in deze zaak. Het hof rekent dit verdachte ernstig aan.

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit, de substantiële bedragen die zijn witgewassen, de lange periode waarin de witwashandelingen hebben plaatsgevonden en de overige omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden, met name de leidende rol van verdachte, komt het hof, evenals de rechtbank en advocaat-generaal, tot het oordeel dat hierop niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarbij heeft het hof eveneens gelet op de omstandigheid dat verdachte op geen enkele wijze openheid van zaken heeft willen geven en geenszins verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor zijn handelen.

Alles afwegende, acht het hof de door de rechtbank opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar, passend en geboden.

Beslag

Het hof gaat er vanuit dat het door de verdachte witgewassen bedrag op zijn rekening is binnengekomen. Nu het hof ten aanzien van dit geldbedrag niet heeft kunnen vaststellen dat dit ten tijde van de berechting toebehoorde aan verdachte, is verbeurdverklaring van dit bedrag niet mogelijk. Evenmin kan het hof dit bedrag, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2013:BY5217), ontnemen.

Ten aanzien van het geldbedrag van € 5.800,--

Ten aanzien van het bedrag dat bij de aanhouding van verdachte op 10 november 2011 is aangetroffen, is niet gebleken dat dit van misdrijf afkomstig is. Uit de verklaring van [betrokkene 1] , de bankafschriften en de schriftelijke overgelegd verklaring van [betrokkene 6] , blijkt dat dit geld afkomstig was van de laatstgenoemde persoon en bedoeld was voor de aanschaf van een auto. Van een criminele bron is niet gebleken. Nu op dit bedrag conservatoir beslag ligt en de beslissing op de ontnemingsvordering niet onherroepelijk is, zal het hof over het inbeslaggenomen bedrag geen beslissing nemen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 63 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan [betrokkene 1] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- computer (SITECOM W1-172V1), nummer 379689

- computer (SITECOM W1-608V1), nummer 379690

- computer kleur zilver, nummer 379691.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- telefoon kleur wit (Samsung), nummer 379655

- navigatiesysteem (TomTom One), nummer 379891.

Neemt geen beslissing ten aanzien van:

- computer APPLE MA 282.01.01.001, nummer 20130;

- € 5.800,-- (58 x € 100,--), nummer 379642.

Aldus gewezen door

mr. J.D. den Hartog, voorzitter,

mr. R. de Groot en mr. M.M.L.A.T. Doll, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. E.C.M. Steeghs, griffier,

en op 24 december 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. R. de Groot is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.